Christiaan Rozenkruis ontvangt de uitnodiging voor de Alchemische Bruiloft

Christiaan Rozenkruis ontvangt uitnodiging op de avond voor pasen Johfra Fama 400

 

De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis, de eerste dag

Op een avond voor Pasen zat ik aan tafel, en nadat ik mij, naar mijn gewoonte, met mijn Schepper in een nederig gebed had onderhouden en vele grote geheimenissen had overdacht waarmee de Vader van het Licht mij Zijn majesteit in overvloed had getoond), en mij nu, mét mijn dierbaar paaslam, in mijn hart een ongezuurde, reine koek wilde bereiden, stak er plotseling een ontzettende wind op.

Ik dacht niet anders of de berg, waarin mijn huisje ingegraven lag, zou door het grote geweld uit elkaar springen. Aangezien echter iets dergelijks mij niet door de duivel werd aangedaan (die mij menigmaal leed had berokkend), vatte ik moed en volhardde in mijn overpeinzing, totdat (hetgeen ik niet gewend was) iemand mij op de rug tikte.

Daarvan schok ik zo, dat ik nauwelijks durfde omkijken; maar ik bewaarde mijn opgewektheid, voor zover menselijke zwakheid dat in dergelijke omstandigheden doen kan. Maar toen er herhaaldelijk aan mijn jas werd getrokken, keek ik om.

Daar stond een heerlijke vrouwelijke gestalte, wier geheel blauw kleed, gelijk de hemel, prachtig met gouden sterren overdekt was. In haar rechterhand droeg zij een bazuin van zuiver goud, waarin een naam gegraveerd was, die ik wel kon lezen, maar die mij verboden werd bekend te maken.

In haar linkerhand had zij een bundel brieven, in allerlei talen, die zij, zoals ik later vernam, naar alle landen moest brengen. Zij had echter ook mooie grote vleugels, geheel en al met ogen overdekt, waarop zij zich kon verheffen en sneller dan een adelaar kon vliegen.

Ik had misschien nog meer aan haar kunnen opmerken. Maar daar zij kort bij mij bleef en ik nog geheel door schrik en verbazing bevangen was, moest ik daarvan afzien. Want zodra ik mij had omgekeerd zocht zij tussen haar brieven, en trok er eindelijk een klein briefje uit, dat zij met grote eerbied op tafel legde, waarna zij zonder een woord te zeggen verdween.

Maar terwijl zij opsteeg, gaf zij zo’n krachtige stoot op haar mooie bazuin, dat het geluid door de hele berg weergalmde, en ik bijna een kwartier daarna mijn eigen woorden nog nauwelijks kon verstaan.

In zo’n onverhoeds avontuur wist ik, arme drommel, werkelijk niet wat ik doen moest. Daarom viel ik op mijn knieën en bad mijn Schepper, dat Hij mij niets zou zenden wat mijn eeuwig heil zou kunnen bedreigen; waarna ik mij met angst en vreze naar het briefje begaf.

Dat was nu zo zwaar dat, als het uit zuiver goud had bestaan, het nauwelijks zwaarder had kunnen zijn. Toen ik het nu vol ijver bekeek, vond ik een klein zegel, waarmee het was toegesloten. Daarin vond ik een fijn kruis gegrift, met het inschrift: ‘In hoc signo ✛ vinces’ (in dit teken zult u overwinnen).

Zodra ik dit teken gevonden had, was ik meer dan wie ook gerustgesteld, omdat ik mij wel bewust was, dat een dergelijk zegel aan de duivel niet aangenaam zou zijn, laat staan dat hij er gebruik van zou kunnen maken. Daarom maakte ik het briefje voorzichtig open en vond, op een blauw veld, met gouden letters, de volgende versregels geschreven:

Dit is de dag, dit is de dag,
voor wie ter Koningsbruiloft komen mag.
Zijt gij daartoe geboren,
door God tot vreugd verkoren,
moogt ge de berg opgaan,
alwaar drie tempels staan,
en daar het Wonder gadeslaan.

Wees waakzaam,
onderzoek uzelf.
Wanneer ge u niet in reinheid baadt,
is ‘t zeker dat u de bruiloft schaadt.
Wie zich niet wast van zonden,
hij wordt te licht bevonden.

Daaronder stond: Sponsus et Sponsa (Bruid en Bruidegom).

Citaten spirituele teksten Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis

Toen ik nu deze brief gelezen had, meende ik te bezwijmen. De haren rezen mij te berge en het koude zweet brak mij aan alle kanten uit. Want ofschoon ik wel besefte, dat dit de in uitzicht gestelde Bruiloft was, die mij zeven jaar geleden in een visioen was aangekondigd, en waarop ik zo lang met groot verlangen had gewacht, en die ik tenslotte door ijverige berekening en narekening van mijn planeetstanden aldus had bevonden, had ik toch nooit voorzien, dat zij van zulke zware en gevaarlijke voorwaarden vergezeld zou gaan.

Want terwijl ik voordien van mening was geweest, dat ik slechts ter Bruiloft zou hoeven te verschijnen om een welkome en graag geziene gast te zijn, werd mij nu op goddelijke uitverkiezing gewezen, van welke ik in mijn geval nooit geheel zeker was geweest. Zo vond ik ook nu mijzelf, hoe meer ik mijzelf onderzocht, dat er in mijn hoofd niets dan groot onverstand en blindheid ten opzichte van geheime dingen heersten; ook dat ik niet in staat was de dingen, die zo voor de hand lagen en waarmee ik toch dagelijks te maken had, te begrijpen.

Hoeveel te minder zou ik door geboorte voorbestemd zijn om de geheimen van de natuur te doorvorsen en te doorpeilen, aangezien de natuur naar mijn mening allerwegen een deugdelijker discipel had kunnen vinden om haar zo kostbare, ofschoon aan tijd en vergankelijkheid onderworpen schat toe te vertrouwen. Zo ontdekte ik ook, dat mijn lichaam en uiterlijke levenswandel en broederlijke liefde jegens mijn naaste toch niet geheel en al gezuiverd en gereinigd waren.

Zo bleek de prikkel van het vlees nog steeds in mij aanwezig, welke slechts gericht was op hoog aanzien en wereldlijke pracht, niet op het welzijn van de medemens. Ik overwoog daarbij steeds hoe ik op deze wijze in korte tijd mijn eigenbelang zo goed mogelijk zou kunnen bevorderen, statige gebouwen doen verrijzen, een onsterfelijke naam in de wereld verwerven en dergelijke vleselijke gedachten meer.

In het bijzonder echter hielden mij de duistere woorden over de drie tempels bezig, die ik, hoe ik ook nadacht, niet verklaren kon. Ik zou dit misschien ook nu nog niet gekund hebben, ware het mij niet op wonderbaarlijke wijze geopenbaard.

Terwijl ik, aldus zwevende tussen hoop en vrees, mijzelf telkens weer onderzocht, echter niets dan zwakheid en onvermogen vond (zodat ik mijzelf op geen enkele wijze kon helpen, en over de genoemde bedreiging zeer ontsteld was), nam ik tenslotte mijn toevlucht tot mijn vertrouwde en allerveiligste weg en bad, alvorens mij ter ruste te begeven, ernstig en vurig, dat mijn goede engel, naar Godes Raadbesluit, mij zou mogen verschijnen om mij in mijn onzekerheid te mogen onderrichten, zoals dit voorheen reeds vaker was geschied.

Dat gebeurde dan ook, Gode zij geprezen, tot mijn bestwil en dat van mijn naaste, in de vorm van een waardevolle, diepe waarschuwing en tot mijn onderrichting.

Bron: De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *