Op een avond voor Pasen – hoofdstuk 2 uit ‘Het nieuwe teken’ door J. van Rijckenborgh

BESTEL HET NIEUWE TEKEN

‘Op een avond voor Pasen zat ik aan een tafel en nadat ik in mijn nederig gebed met mijn schepper had onderhouden en vele grote mysteriën overdacht had, waarvan de Vader van het licht mij niet weinige had getoond, en gereed zijnde om in mijn hart, gelijktijdig met mijn dierbaar paaslam, een kleine ongegiste reine koek te bereiden, stak plotseling zulk een verschrikkelijke storm op, dat ik niet anders dacht, dan dat door zijn geweldige kracht de heuvel, waarop mijn huisje gebouwd was, vernietigd zou worden. Maar aangezien deze ervaring en vele andere van de duivel, die mij reeds vele poetsen had gebakken, niets nieuws voor mij waren, schepte ik moed en ging door met mijn meditaties, totdat iemand mij op de rug tikte, waarvan ik zo hevig schrok, dat ik niet durfde om te kijken..

Met deze aanhef begint De achemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis. Een ander begin is onmogelijk denkbaar. Op en avond voor Pasen moet de pelgrimage van de leerling in de christelijke mysteriën aanvangen. Elk ander tijdstip moet de leerling ernstig worden afgeraden. Hij zou anders ongetwijfeld het spoor bijster raken; een reeks van ongelukken zou hem treffen en verspilde energie zou hem zeker doen neerzinken op het pad. 

Een avond voor Pasen! Wat wil dat zeggen? U weet wat het Paasfeest burgerlijk te beduiden heeft. Voor de een betekent het de wederopstanding van de natuur in de wenteling van de jaargetijden; voor een tweede is de zin van dit feest gelegen in de jaarlijkse herdenking van een opgestane, met name Jezus de heer. 

Doch er zijn er ook, die het paasfeest vrij van tijd, data, natuur of historie tegemoet treden in een actueel moment van nieuwe, hogere en eeuwige bewustwording. Een opstanding in wat wij wij ‘het nieuwe leven’ noemen. Een opstanding in een andere wereldwerkelijkheid, die in de heilige taal ‘het goddelijk koninkrijk’ genoemd wordt.

Om zulk een opstanding te kunnen realiseren, is natuurlijk een voorbereiding noodzakelijk, een uitermate ingrijpend proces. Niemand kan zeggen: ‘Kom, laat ik dat goddelijke rijk even ter oriëntering gaan bezichtigen.’ Het koninkrijk van God laat zich niet bezichtigen, het kan alleen beleefd, ervaren worden. 

Met het gewone metafysische toerisme kunnen wij iedere sfeer van leven, zowel aan deze als aan gene zijde van de sluier van deze natuur, intellectueel of mystiek bestuderen en op de basis van zulk een studie tot handeling besluiten. Doch om het rijk van God te kunnen binnengaan, moeten wij van dat andere rijk zijn. 

U zult inzien hoezeer deze situatie onze gewone levensstandpunten en gedragingen verandert. De dialectische mens bezit een bepaalde levensdrift, een zekere motorische kracht, een zeker bewustzijn, met behulp waarvan hij zijn doel kiest en dat intellectueel of mystiek benadert. Hier evenwel zijn bewustzijn en motorische kracht, het geweldigste intellectuele bezit en de verhevendste mystieke bewogenheid ten enenmale onvoldoende. 

Ontelbaar velen hebben, na de grootste inspanningen om zich van deze onmacht te bevrijden, de absolute waarheid ondervonden van de woorden uit de heilige taal: vlees en bloed kunnen het rijk van God niet beërven. Velen hebben na zulk een bittere ervaring zich maar op het standpunt gesteld, dat het goddelijke rijk, dat met de meest gecultiveerde dialectische middelen niet te grijpen is, er dan ook niet was. Een typisch materialistische reactie op een niet geslaagd metafysisch toerisme.

Zo mogen wij dan verstaan, hoezeer wij ons van oppervlakkigheid moeten bevrijden, wanneer wij De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis enigermate willen begrijpen. Het pad van heiligmaking in de christelijke mysteriën is een volkomen evangelisch pad, dat wil zeggen dat, alvorens de leerling ‘de avond voor Pasen’ bereikt heeft, er heel wat aan vooraf moet gaan. Voor de nieuwe zon stijgt aan de transen, moet de oude zon in de wateren van de levenszee verzonken zijn. 

Daarom, wanneer De alchemische bruiloft zo laconiek begint met: ‘Op een avond voor Pasen zat ik aan een tafel…..’, moeten we bedenken dat aan die avond een groots werk voorafging, namelijk het ingespannen werk van de zelfdoding. Het afleggen van het oude zelf, het doven van het dialectische licht.      

De school van het Rozenkruis openbaart zich op verschillende wijzen, op verschillende spiralen aan haar leerlingen. We willen u enkele van die aspecten enigermate beschrijven en nu moet u bij uzelf eens met grote eerlijkheid onderzoeken, welke van die aspecten u van binnenuit kent en op welke spiraal van het Rozenkruis-beleven u staat. Als u uzelf herkennen gaat naar uw staat van zijn, zonder enig flatteren, want dat zou uiterst betreurenswaardig zijn, dan staat u op een vaste basis. Dan weet  u wat achter u ligt en wat zich voor u ontwikkelt, u roepende en wenkende tot het onwankelbare licht. 

De broederschap van het Rozenkruis begint met haar arbeid daar, waar deze wereld ophoudt. Dat is het onomstotelijke axioma van het christelijke Rozenkruis. Zolang u nog iets van dit leven verwacht, zolang u al uw hoop en verlangen nog stelt in mensen of dingen van deze natuur, heeft de broederschap van het Rozenkruis u niets te zeggen en geldt voor u het motto van De alchemische bruiloft: ‘Werp geen parels voor de zwijnen, noch rozen voor de ezels.’

Zo lang u nog door middel van allerlei instituten, verenigingen, genootschappen en activiteiten verbetering, of draaglijke verandering van deze wereld najaagt met het centrale deel van uw bewustzijn met geheel uw goedheidspotentieel, zal de broederschap van het Rozenkruis geen sprankeltje energie aan u vermorsen.

Wij vragen u, waarom zou u een niet in de godsnatuur begrepen wereld en mensheid in hopeloze pogingen willen verbeteren, terwijl een goddelijk rijk en een goddelijke mensheid actueel aanwezig zijn? Waarom zou u een bouwvallige, onbewoonbare schuur met heel de inzet van uw energie bewoonbaar willen maken, terwijl er vlak naast een villa staat met voor u wijd geopende deuren? Ezelachtig!

Doch vergeeflijk vanwege uw domheid. Want u ziet het huis van de Vader met zijn vele woningen niet. Daarom is er een oneindig liefdevol geduld, een evenrueel eonenlang wachten, tot u de tekenen begint te vertonen, dat u van uw domheid genezen zult. Het teken van deze genezing is niet de oplossing van 1001 problemen, doch het feit, dat u deze wereld en deze mensheid in het centrale deel van uw bewustzijn gaat ervaren als een woestijn. Dat u het absoluut hopeloze van de daveringen van het dialectische levenswiel gaat inzien en ervaren. Dat u als in wanhoop de handen voor het gezicht slaat. O God, wat ben ik een gek! Daar jaag ik voort in de tredmolen van de gewenning. De jaren vlieden heen en mijn bloed verkalkt. Ik sleep me voort in hopeloosheid en mijn laatste snik is de eerste ademhaling van een nieuw troosteloos begin. 

Het teken van de genezing is de ontmaskering van de leugen, dat het leven zo mooi is, de ontdekking dat iedere lach gelijk is aan een snik, de ineigen ontdekking van de Prediker, dat het uitnemendste van alles in deze natuur niet meer is dan moeite en verdriet. Het teken van de genezing is, dat u naar aanleiding van deze ontdekking berstens vol met problemen zit, in een warreling van vraagstukken. Want u bent geworden een worstelende ziel. Eerst dan verkeert u in nood, in werkelijke bestaansnood. U beukt op de muren van het leven om de zin van dit vervloekte leven te verstaan. Dan bent u geen ezel meer, dat wil zeggen geen dier, geen mensdier van deze natuur. 

En dan ontmoet u voor het eerst de boodschap van het Rozenkruis, volkomen één met u in de woestijn van dit leven. In een veelheid en rijkdom van gesprekken, beelden, waarschuwingen en raadgevingen toont de broederschap u in deze eerste aanraking het waarom en het waartoe van de doem van dit bestaan. Zij spreekt haar profetisch hora est, want een worstelende ziel heeft geen tijd meer. Zij is in een actueel stadium gekomen. 

De ziel wordt gewekt tot een daad. Hora est, maak recht de paden voor de God in u. Wie deze aanraking van de broederschap nu verstaat, en een worstelende ziel is, open voor waarheid en werkelijkheid, die wordt rijp voor de tweede spiraal, voor de tweede aanraking van de broederschap. De leerling gaat zijn weg door de woestijn aanvaarden. Hij zet in actueel beleven zijn voet op het pad van afscheid. Dat is de johannesdoop in de Jordaan, de positieve sprong in het afscheid. 

Van stonde aan is daar dan de tweede aanraking. De genade van de verlichting daalt op de leerling neer als een vogelenvlucht. De leerling ontvangt een licht op zijn pad, en geleid door dat licht gaat hij de weg van zelfdoding, de weg van zelfkruisiging naar de natuur. Stap voor stap gebruikt de leerling het derde vermogen van zijn denken, zijn wil, zijn gevoelen, zijn begeren en zijn bewustzijn, namelijk het neutralisatievermogen, het enduristisch vermogen.

Het gewone zelf heeft het vermogen tot aantrekking en afstoting en tot negatie-in-onbewogeneid . Door aantrekking en afstoting blijven wij aan het wiel geketend, houden wij de wentelingen van het wiel in stand. Door negatie-in-onbewogenheid maken wij ons, mits wij het licht op het pad bezitten, van de dingen los. 

Wanneer wij de negatie-in-onbewogenheid beoefenen zouden, zonder de actuele doop van de worstelende ziel te hebben gekend, ontstaat slechts een tijdelijk bevrijd zijn en ontwikkelt zich een spanning die zich uiteindelijk ontladen moet in velerlei vormen van drift. 

Zo maakt de leerling zich dan van de dingen van deze wereld intelligent los in de stralingskracht van de broederschap. Er komt dan over hem een grote rust, een grote stilte. Het zijn de rust en de stilte van de zelfdoding. Het bewijs dat de kruisgang van de natuur haar einde nadert en de dialectische bewogenheid van de persoonlijkheid, dat is het kruis, en van de roos, dat is de aura , in de aanraking van de gnosis tot stand komt.

Het is het ingaan in de rust waarvan de Hebreeënbrief spreekt, de rust die de leerling zichzelf realiseren gaat. Het is de verborgen omgang met God, het aanvangende evenwicht tussen leerling en gnosis. Het is het wonen in de stilte, de stilte die komt na de storm. De volstrekte stilte die het gevolg is van de zelfdoding. Zij die deze stilte kennen, hebben het ik van de natuur gedood, zij hebben het endura voltrokken, zij gaan de verborgen rust binnen, zij zijn genaderd tot de avond voor Pasen. 

Hoevelen van u die de doop van de worstelende ziel nog niet hebben gekend, hebben van het endura een gevaarlijk avontuur gemaakt, een krankzinnig experiment. Hoevelen zijn wellicht uit hun evenwicht geslagen? De rust, de verkwikking van het geborgen zijn in God werd hun aangeboden, doch zij hebben het niet willen horen. 

Let op het feit, dat sommigen in die rust ingaan, en dat degenen aan wie het evangelie van de bevrijding voor het eerst verkondigd werd, niet ingegaan zijn vanwege hun ongehoorzaamheid, zoals Paulus zegt. Een ongehoorzaamheid, die geheel ligt op het terrein van de zelfhandhaving. Doch wie dan zo in de zin van de gnosis de rust en de stilte van de zelfdoding gevonden hebben, gaan een derde aanraking binnen. Zij gaan opstaan in een nieuw proces, het proces van de transfiguratie, de alchemische bruiloft. Een proces dat aanvangt op de avond voor Pasen. 

Bron: Het nieuwe teken door J. van Rijckenborgh

BESTEL HET NIEUWE TEKEN

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *