Geef het heilige niet aan de honden, werp uw parels niet voor de zwijnen en strooi geen rozen voor de ezels

‘Geef het heilige niet aan de honden, en werp uw parels niet voor de zwijnen, opdat die ze niet op enig moment met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren’ (Mattheüs 7:6). 

Dit woord is van het allergrootste belang voor werkers in dienst van het licht. Allen die in het grote werk van de Christus in dienst van wereld en mensheid een kleinere of grotere taak willen vervullen, moeten zich dit woord voor gezegd houden. Het is gezegd tot leerlingen die geadeld zijn om het woord, gesproken op de heilige berg, te vernemen. 

Vanzelfsprekend zullen nu ook onze gedachten gaan naar het motto van De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis: ‘Werp geen parels voor de zwijnen, noch rozen voor de ezels,’ een woord dat kennelijk ontleend is aan dezelfde gedachte als die van de Bergrede; een raad die speciaal en met grote nadruk ter kennis van leerlingen van het Rozenkruis moet worden gebracht. 

‘Geef het heilige niet aan de honden, en werp uw parels niet voor de zwijnen, opdat die ze niet op enig moment met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren’ (Mattheüs 7:6). 

Met deze woorden wordt de leerling de raad gegeven, bij al zijn arbeid rekening te houden met de satanische menselijke wil, met de duivelse begeertenatuur en met het zeer onevenwichtige menselijke handelingsbewustzijn. Kortom, de arbeider in de wijngaard moet ernstig rekening houden met de geschonden aard van de drievoudige menselijke tempel, met name het hoofdheiligdom, het hartheiligdom en het bekkenheiligdom. Het hoofd als brandpunt van de menselijke wil, het hart als brandpunt van het begeren, het bekken als brandpunt van de handelingskrachten. 

‘Geef het heilige niet aan de honden,’ is de raad, gegeven met betrekking tot de activiteiten van het hoofdheiligdom. ‘Werp uw parels niet voor de zwijnen,’ vestigt de aandacht op werkingen van het hartheiligdom. ‘Noch rozen voor de ezels,’ heeft betrekking op de handelingscentra van het bekkenheiligdom.

Geef het heilige niet aan de honden

Oorspronkelijk stond er: ‘Geef de ring niet aan de honden.’ De heilige ring, of krans rondom het hoofd van de leerling, is het symbool van inwijding, van binding met de Godsorde. Zodra de leerling deze ring bezit, dus iets van het oorspronkelijk goddelijke in zichzelf verwerkelijkt heeft, deelhebber is geworden van de Christushiërarchie, een levend deel is geworden van het wezen Christi, dan heeft hij het vermogen deze ring, dit heilige, in overeenstemming met zijn staat-van-zijn over te dragen aan derden. Zelf ingewijd zijnde kan hij anderen inwijden. De goddelijke genade, de goddelijke gave, is tot in het oneindige deelbaar. Dat is geen vondst ontsproten uit hersenkronkels van het hedendaagse Rozenkruis, doch deze mogelijkheid is altijd bekend geweest en bovendien is zij streng evangelisch.

Denk bijvoorbeeld aan het woord in het Evangelie van Marcus, waar van de ontketenen in Christus wordt gezegd: ‘In mijn naam zullen zij boze geesten uitwerpen, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, op zieken zullen zij de handel leggen en zij zullen gezond worden.’

Denk ook aan het Diploma van Bacstrom, waaruit blijkt dat ieder lid van de gewijde broederschap, iedere lid van de onzichtbare kerk, het recht heeft en ook de plicht de ring van het ware verbond over te dragen aan derden, die daartoe geadeld zijn. 

Eem ontzaglijke verantwoordelijkheid is daarmee in de handen gelegd van ieder lid van de onzichtbare kerk. Democratischer en universeler kan het niet. Als u iets van het ware licht bezit, hebt u het recht, de plicht en ook de mogelijkheid dit aan derden over te dragen. Zodra de heilige ring, de doornenkroon, op het hoofd van de leerling komt te rusten, wordt hij een machtige, een mede-erfgenaam van de genade Christi. Hij heeft het ontvangen om niet – hij geeft het om niet!

En zodra hij gegeven heeft is zijn leerling niet de mindere, doch de gelijke, een van de broeders. Daarom zegt Christus: ‘Ik heet u niet meer dienstknechten, maar vrienden.’ Hij spreekt op dat moment tot leerlingen die de heilige ring ontvangen hebben. Ontdekt u hoe uitermate gevaarlijk het moet zijn het heilige, de heilige ring, aan de honden te geven? Aan hen die nog in de oude wil staan en woeden?

Verlangt u naar het bezit van deze bron van het leven? Weet dan dat er een grote en verheerlijkte schare is die zich als om strijd zal haasten u deze gouden reus of naga op de slapen te drukken. Er is er een voor iedere mens. De genade van het licht is tot in het oneindige deelbaar, maar u zult eerst de onheilige en bandeloze wil uit de tempel van het hoofd meoten bannen, want het heilige wordt niet aan de honden gegeven.  

Werp uw parels niet voor de zwijnen

In de mysterietaal is de parel de gemeenschap met God. De ring is het geheven worden ín God, de parel is de binding mét God, de dagelijkse continuïteit met het goddelijke licht, de liefdeadem in het hartheiligdom, waar deze goddelijke adem als prana van het leven ons stelsel binnenvaart en zich meedeelt aan onze ziel. 

De parel symboliseert de twaalfvoudige zielekwaliteit, die het bezit wordt van de ware christen. Daarom staat er van het Nieuwe Jeruzalem in het Openbaringenboek: ‘De twaalf poorten waren twaalf parels; iedere poort bestond uit één parel.’ Zoals met de ring van het leven, zo ook met de twaalf poorten van de ziel: de leerling die ze bezit, kan ervan wegschenken zonder iets te verliezen. Hij kan in Christus overgaan tot de vernieuwing van het hart.

Verlangt u naar het bezit van dit parelsnoer? Er is een schare helpers die zich als om strijd zal haasten u dit heilige snoer om de hals te hangen, zoals in het Hooglied. Er is eer een voor ieder mens. De genade van het licht is tot in het oneindige en tot in het eeuwige deelbaar, maar u zult eerst de tempel van het hart volkomen moeten reinigen van alle aardgebonden en speculatieve gevoelens en begeerten, want de parels worden niet geschonken aan de zwijnen. De verloren zoon, die met de zwijnen gelijkvormig was, moest opstaan tot het besluit: ‘Ik ga heen en wil tot mijn vader gaan.’

Schenk geen rozen aan de ezels

De roos is het symbool van de verwerkelijking, van de schepping, van de in Jezus Christus geheiligde daad. Zoals de witte roos het goddelijke stelt, het alles in zich besloten houdende, het volstrekte, zo is de oranjerode roos de goddelijke magie, die inbreekt in de tijd, die afdaalt tot de mens, tot de ware zoeker, tot de vertwijfelde ziel, die in deze hellekolk wakker geworden is met een kreet van smart, om het pad van deze ongelukkige en nochtans zo begenadigde te bestrooien met liefde en hulp en daad en troost, om deze rozen van het geluk, deze oranjerode rozen van goedheid, waarheid en gerechtigheid te reiken aan ieder die wil. 

Er was een broederschap in deze wereld, er ís een broederschap in deze wereld, lang voor men sprak over een kerk en over eonen, lang voor er een glimpje humaniteit in uw hersens daagde. Deze broederschap daalde af tot u en ons in dienst van Jezus de Heer, in dienst van de Christus, die gisteren en heden dezelfde is, om ons het pad van bereiken mogelijk te maken. Hun rozen  van onverwelkbare schoonheid, ze zijn er in ontelbare mate voor allen, ook voor u, maar eerst zult u de ezel, de koppigheid in uw handelingsbewustzijn, moeten doden. 

Zie, Jezus Christus heeft u overwonnen. Gezeten op de ezelin is hij het Jeruzalem van de natuur binnengereden en u bent gedwongen geweest ‘Hosannah’ te roepen, u hebt hem in u gebroken en gekruisigd en nu is deze goddelijke geweldenaar met u verbinden naar het bloed. U kunt niet van hem af! Dat is uw vloek en uw genade.

Uw vloek, omdat u in het bloed, lijfelijk en tastbaar, de hel ondergaat indien hem afwijst. Uw genade, omdat in het bloed de Broederschap van het Heilige rozenkruis de rozen van het geluk en het bereiken wil strooien op uw pad, opdat u het twaalfvoudige parelsnoer en de kroon van het leven zou kunnen ontvangen. 

Maar let wel: geen van de verlichten geeft het heilige aan de honden, werpt parels voor de zwijnen, schenkt rozen aan de ezels! Want menige broeder en zuster, geadeld tot de heilige berg, heeft met schade en schande ondervonden dat een fout tegen deze wet zich bitter wreekt. De honden, de zwijnen en de ezels vertrappende heilige, de parels en de rozen en verscheuren de geroepenen van de Heer, als die hun ontfermende liefde onjuist richten en toepassen. 

Als de heilige ring gegeven wordt aan een onwaardige, als het parelsnoer van de ziel geschonken wordt aan een mens die deze wereld niet wil prijsgeven, ontstaat er een geforceerde, onwaarachtige binding. De Broederschap zou dan een heilige gave wegschenken aan een mens die dit niet waard zou zijn, waardoor zij gebonden zou worden. En de onwaardige zou in een toestand van bezetenheid komen. Hij zou overschaduwd worden en als een razende reageren. 

De heilige ring wordt daarom alleen geschonken aan een leerling die zijn ‘zelfdoding’ volbracht heeft. Deze kroon van het leven vaagt de sluier van het gelaat en opent de poort van het verlengde merg . Tengevolge daarvan kan het twaalfvoudige parelsnoer rondom de hals van de kandidaat worden gehangen en haar de liefde van God als een zon voor hem op. 

In dit stralende licht gan de aldus in deze heerlijkheid geboren broeder en zuster, de roos in de geheven hand, deze duistere wereld in als mensen die dienen. en zij houden het zich voor gezegd: zij geven het heilige niet aan de honden, de parels niet aan de zwijnen en de rozen niet aan de ezels.  

Bron: Het licht der wereld door J. van Rijckenborgh

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *