Voorwoord en inhoudsopgave van Het Egyptische dodenboek

BESTEL HET EGYPTISCHE DODENBOEK

Het Egyptische dodenboek is een verzameling teksten uit de periode 1500 tot 400 v.Chr. Het zijn rituele teksten, bezweringen, gebeden en spreuken die bedoeld waren de overledene te helpen bij zijn tocht door het hiernamaals. De papyri met de teksten zaten vaak in de grafsarcofagen. Ze geven een fascinerend beeld van de oude Egyptische cultuur en hebben de afgelopen decennia tot een sterke opleving geleid van onze belangstelling voor het leven na de dood en esoterie in het algemeen.

VOORWOORD

Kennelijk verwerven steeds meer mensen specialistische kennis, want niet alleen verschijnen er vertalingen van boeken die vroeger slechts als voor vakmensen toegankelijk werden beschouwd, zoals Het Egyptische dodenboek en Het Tibetaanse dodenboek, maar er is tegenwoordig ook grote belangstelling voor deze uitgaven, en toch zijn ze geen eenvoudige lectuur. 

Weslisaar staat het mysterie van de dood tegenwoordig in het brandpunt van de aandacht, maar als we daarbij het mode-effect even verwaarlozen: dat betekent niet dat de angst voor het sterven overwonnen wordt. Maar de sterke drang om zich meer bewust te worden van het doel van het aardse bestaan, brengt met zich mee dat wij ons ook met het einde daarvan moeten bezighouden.

Voor velen wankelt de zekerheid van het vertrouwde geloof in machten buiten de mens of is die zekerheid geheel weggevallen. Dat maakt deze dodenboeken zo belangrijk voor ‘gewone’ mensen. Want ze confronteren hen opnieuw met de visie uit onbekende oertijden dat het sterven een gebeuren is in de tijd en dat het ogenblik van de dood slechts een drempel is in het ononderbroken proces dat leven heet, waarop het aardse bestaan van ieder mens is geënt  en waarvan het weten hem is aangeboren, of hij het zich bewust is of niet. 

Maar als men onbevooroordeeld aandacht schenkt, zullen er aanrakingspunten met eigen situaties blijken te bestaan. En wanneer de lezer zich helder bewust is van wat hem treft en wat dat in hem teweegbrengt, gaat hij de inhoud van de symbolen op zijn heel eigen wijze beleven, zonder daar verstandelijk op in te hoeven gaan. 

De uitspraak dat in het Demchoktantra : ‘De goden zijn alleen symbolen van alles wat op het Pad gebeurt’ kan daarbij als de sleutel worden beschouwd. Teksten uit dodenboeken zouden niet met het verstand uitgepluisd, maar met het hart opgenomen moeten worden, zoals aren worden gelezen van het maaiveld, zorgvuldig, een voor een. 

Het Egyptische én het Tibetaanse dodenboek gaan uit van een onvergankelijk bewustzijnsprincipe  in de mens en het zich daarvan bewust worden. In het Egyptische dodenboek valt daarbij de nadruk op de toestanden van het bewustzijn in het hiernamaals en de hulp die van de hemelse machten wordt afgesmeekt, (‘met woorden van magische kracht’ zoals de tekst steeds vermeldt). Soms zijn de ensceneringen na de dood in aardse beelden vervat, alsof het leven op de oude voet voortgaat: 

Boek van Ani, hoofdstuk CXXIV, vers 1 en 2
‘Ik heb een huis voor mijn ba-ziel gebouwd in het heiligdom in Tetu. Ik zaai in de stad Pe.
Ik heb de velden samen met mijn arbeiders geploegd.
Mijn palmboom staat rechtop en is als Menu.’

Hoofdstuk LXXXII, vers 2 en 12
‘Ik eet brood, ik drink bier, ik gord mijn kleed aan. Ik heb geslachtelijke omgang met vrouwen

Soms heeft de ziel alle beperkingen overwonnen, zoals in hoofdstuk LXXXVI, vers 9 en 10
‘Ik ben gereinigd door de grote Uart.
Ik heb met mijn onvolkomenheid afgerekend.
Ik heb mijn gebreken volledig afgelegd.
Ik heb volledig afgerekend met alle smetten van het kwaad die mij op aarde aankleefden.
Ik heb mijzelf gereinigd.’

Ook in het Tibetaanse dodenboek is van een magisch ritueel sprake, wordt de hulp van de hemelse geesten ingeroepen en worden de toetsingen geschilderd waaraan het bewustzijn in het hiernamaals onderworpen is.

Maar tegelijkertijd wordt er steeds wéér op gewezen dat de door de mens zelf tijdens het leven opgebouwde voorstellingswereld hem belet vrij en waarachtig te leven. In alle bewustzijnstoestanden, gedurende het aardse bestaan en na de dood. 

Als hij zich daarvan in het hiernamaals moeitevol moet leren losmaken, ligt het voor de hand dat hij er goed aan doet daar hier en nu al mee bezig te zijn. Hierdoor wordt duidelijk waartoe dit aardse leven zich bij uitstek leent. Er wordt een brug geslagen over de dood heen, wat voor velen die zoeken naar de zin van het leven een waardevolle handreiking kan zijn. 

Met het magische komt ieder mens in zijn innerlijke ontwikkelingsgang in aanraking. Het is de fase die bewust maakt van het bestaan van de onzichtbare werelden. Maar wie de eigen weg in en door zichzelf wil vinden, zal er zich niet aan blijven vastklampen. Zoals het kind leert lopen aan de beschermende hand van de moeder, zo gaat de zich ont(=los)wikkelende mens aan de beschermende hand van het magische ritueel dat zijn ogen en oren is zolang hij zelf nog niet ziet en hoort. Maar naarmate hij zich van de werking waaruit de rituele symbolen voortkomen in zijn eigen situatie bewust wordt, komt hij meer op eigen benen te staan. 

Het is in dit verband logisch dat de zogenaamde bovennatuurlijke vermogens in het Tibetaanse dodenboek niet als doel op zichzelf wordnw gepropageerd, daar ze ‘op natuurlijke wijze worden verkregen’ en de ziel aan de materie binden. 

Zo bieden Het Egyptische dodenboek en Het Tibetaande dodenboek onder meer inzicht in juist die fasen van individuele bewustwording, waar in deze tijd zoveel mensen mee bezig zijn. 

Edzina A. Rutgers

INHOUD

Voorwoord van Edzina A. Rutgers
Inleiding door B. van der Meer
Opmerkingen van de redacteur
Begrippen
Literatuur
Ter oriëntatie

I Spreuken 1 – 16
Gebeden en spreuken voor de overledene op zijn reis naar het dodenrijk

II Spreuken 17 – 63
Regeneratie. De overwinning op de dood. De onmacht van de vijanden. Heerschappij over de elementen. 

III Spreuken 64 – 129
Transfiguratie. De macht om zich in velerlei gedaanten te manifesteren, gebruik te maken van het zonneschip, en de mysteries te kennen. Terugkeer in het graf. Proces voor de rechtbank van Osiris. 

IV Spreuken 130 – 162
Verheerlijking van de overledene. Spreuken die op bepaalde feestdagen voor de dodencultus worden gereciteerd. Conservering van de mummie met behulp van de amuletten. 

V Spreuken 163 0- 192

Lijst van spreuken

‘Mij behoort gisteren en ik ken morgen’  
Wat is dat? – Gisteren, dat is Osiris; morgen, dat is Re,
de dag waarop de vijanden van de Alheer worden vernietigd.

Spreuk 17

Bron: Het Egyptische dodenboek, vertaald door M.A. Geru

BESTEL HET EGYPTISCHE DODENBOEK

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *