2 van 7 Het licht der wereld: Het wezen der wet – J. van Rijckenborgh over de Bergrede

 

HOOFDSTUK 1HOOFDSTUK 2HOOFDSTUK 3HOOFDSTUK 4HOOFDSTUK 5HOOFDSTUK 6HOOFDSTUK 7

 HET LICHT DER WERELD IS UITVERKOCHT – DE 7 HOOFDSTUKKEN ZIJN DIGITAAL BESCHIKBAAR

‘Meen niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden. Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaan, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied.’ (Mattheüs 5:17-19)

De bovenstaande tekst uit de Bijbel wordt hieronder toegelicht door Jan van Rijckenborgh. De tekst komt uit het boekje Het licht der wereld – zeven lessen uit de Bergrede, dat toespraken bevat die de auteur gehouden heeft in de jaren 1945 t/m 1947, als vervolg van zijn toespraken tijdens de bezetting die zijn uitgegeven in het boek Het Mysterie der zaligsprekingen. In die tijd van verschrikking, maar ook van hoop op een betere toekomst, werden de woorden die Jezus op de berg sprak voor zijn leerlingen op een nieuwe wijze benaderd voor leerlingen van de School van het Rozenkruis. Zijn toelichtingen en aanwijzingen zijn universeel juist ook vandaag de dag bijzonder relevant.

2 HET WEZEN VAN DE WET

De mensen die de Geestesschool der Christus-hiërarchie naderen, zijn te onderscheiden in twee typen. Wij bedoelen nu niet het Kaïn- en het Abeltype, het vuur-en het wateraanzicht van de menselijke levensgolf, doch wij bedoelen het vorm- en het inhoudstype. Deze twee zijn het die zich in de Voorhof der Geestesschool ophouden en beide typen moeten, alvorens de kroon der overwinning te kunnen ontvangen, een diepe en zware les leren.

Het vormtype

Het vormtype is vooral gericht op de gedaante en op de aanzichten van de nieuwe mens. Het bekommert zich in esoterische zin om de nauwgezette vorming van zijn levensaanzichten en het ijvert om deze aanzichten in overeenstemming te brengen met de elementaire eisen die aan de nieuwe mens kunnen worden gesteld. Deze mens richt het uiterlijke gebouw op de nieuwe menswording en heeft een klaar begrip voor alle details. Hij is hoogst principieel en zijn aandacht zal geen ogenblik verslappen. Van hem zou het bekende woord kunnen worden gesproken: ‘Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af. Wat ontbreekt mij nog?’ Ja, wat zou er nog aan dit bouwstuk ontbreken? Deze mens is een levende getuigenis van de primaire voorwaarden der geesteswetenschap.

Zijn lichaam, zijn gedrag, zijn huis, zijn omgeving kunnen de toets der kritiek volkomen doorstaan. Langzaam maar zeker groeit er een grote zelfverzekerdheid in zijn wezen. Wat zou er nu nog op hem zijn aan te merken? Onderhoudt hij niet alle regels die de Geestesschool hem gesteld heeft, van het eerste uur dat hij zijn voet in de Voorhof zette? Hij kijkt neer op zijn medegenoten in de hof met iets ‘gearriveerds’ in zijn ogen, met dat welwillende: ‘Doe uw best maar, dan wordt u ook zoals ik. Ik zit als een keurig voorbeeld op mijn vaste plaats.’

Toch gaat nu blijken dat er aan deze keurige, wettische mens iets hapert. Er klopt iets niet! Op momenten dat de volle activiteit moet worden ontwikkeld en het licht uit de vensters der ziel moet schijnen, dat troost en zegen moeten worden verspreid in het wereldrond en de pioniers worden samengelezen tot één Gideonsbend’, blijkt dat het keurig opgerichte huis onbewoond is. Dat er wel vorm, maar geen inhoud is.

Deze mens heeft vergeten dat vorm en inhoud gelijke tred met elkaar moeten houden, volkomen in evenwicht moeten zijn. Als wij ons lichaam rein maken, dan moet ook ons hart rein zijn. Als wij geestbedwelmende dranken als schadelijk voor onze tempel weigeren, dan dienen wij ervoor te zorgen dat er geen zelfnarcose voor in de plaats komt. Wanneer wij het dierlijke bloed en het dierenlijk weigeren, dan zal eveneens de dierlijkheid uit onze ziel moeten verdwijnen.

Als wij zo de uiterlijke tempel reinigen en verzorgen, dan moeten wij begrijpen dat dit werk wordt ingezet opdat Christus-in-ons zal zegevieren; dat door deze tempel een ‘licht der wereld’ heen moet slaan; dat tot ons gesproken is: ‘Gij zijt het licht der wereld’, en dat wij intelligent alle uiterlijke beletsels moeten opruimen om de primaire innerlijke beweegreden te doen zegevieren.

Indien wij echter de vorm als hoofdzaak zien en de inhoud vergeten, dan vermorsen wij onze energie en blijkt op het psychologische moment dat de lamp van onze geest in de wereldnacht niet vermag te branden. En dan komt natuurlijk de droefheid van het gedesillusioneerde ik, het zelfbeklag van de in waan levende mens.

Let wel, deze ontmaskering of ineenstorting komt niet slechts op het vernemen van de roep: ‘Laat uw lichten schijnen, helder in het rond!’ Zover komt het meestal niet eens! Een onbewoond huis staat in een wereld als de onze veel gemakkelijker aan inbraak en ander onheil bloot dan een ander. Na één levensincident, na één ernstige beproeving, slaat de waan menigmaal reeds aan stukken en dan ligt de boel. Dan wendt de betrokkene zich vol droefheid van de Voorhof af. Een gebroken illusie!

Doch u kent, mét ons, de mens. Als de waan van zijn ik gebroken is, als de vorm het gebrek aan inhoud bewijst, wordt er meestal ook een zondebok gezocht en gemakkelijk verkregen. En wie zou, het spreekt bijna vanzelf, in dergelijke gevallen beter als zondebok, als lam dat ter slachtbank wordt geleid, kunnen fungeren dan de Geestesschool, met haar primaire eisen? ‘Daar heb ik van mijn jeugd af aan alle geboden gehouden, en hoe! Hoe is het mogelijk dat mij zo iets overkomt? Er klopt iets niet.’

Inderdaad, doch de interpretaties verschillen. Hoe dan ook, de Broederschap des Levens en haar onbuigzame werkers worden in staat van beschuldiging gesteld. De ontgoocheling van het ik zoekt slachtoffers buiten zichzelf, en wát in deze reactie ook naar voren zal treden en wélk mens als slachtoffer zal worden uitgekozen, het is zeker dat de Broederschap des Levens met haar eisen en wetten schuldig zal worden verklaard. De mens die als vormtype is stukgeslagen aan zichzelf, zal zich voortaan een vorm kiezen die beter met zijn werkelijke inhoud overeenstemt.

Maar helaas, de diepe les is niet geleerd. De geestwet van Jezus Christus, waarmee hij in aanraking kwam, wordt onttroond. Zij was misschien goed voor het verleden, maar de moderne tijd stelt andere eisen. Voortaan wil deze mens, zo zegt hij, ‘liever met beide benen in de werkelijkheid staan.’ De nonsens en exaltatie van de Geestesschool hebben voor hem afgedaan. Hij neemt afscheid van ons en wij voorlopig van hem.

Het inhoudstype

Voeren wij nu het tweede type ten tonele: het inhoudstype. Het is de mens die de vormzijde der dingen negeert, de mens die de vormzijde feitelijk beneden zijn waardigheid acht en haar ietwat banaal vindt; de mens die zich geheel concentreert op de waarden van hoofd, hart en daad. Het is de mens die mystieke openbaring verreweg superieur stelt boven esoterische vorming. Deze mens straalt grote warmte en liefde uit. Is dat niet prachtig? Is de liefde niet het meest? Deze mens toont mystiek begrip en staat niet op de top van de eigenwaan naar de vorm, maar is daadbereid en springt er middenin. Met al zijn bereidheid en ontroering des harten ploegt en zwoegt hij van ’s morgens tot ’s avonds. Als de Heer tot zijn ingewijden spreekt: ‘Weid mijn lammeren,’ dan zegt hij: ‘Wel na-tuurlijk,’ en hij gaat aan de slag. Ja, vóór het hem gezegd werd was hij al druk doende.

Hij bewijst zich als de gave mens, die ten volle kan verstaan en zien, die in zijn wezen de volle Christusvibratie kan vasthouden. Ja, hij weet en belijdt in zonden ontvangen en geboren te zijn. Hij is schuldbewust, doch hij gaat van de mystificatie uit dat alles wat in de mystieke en gesluierde testamenten gesproken is tot de werkelijke leerlingen en ingewijden, tot hém gesproken is.

Aldus loopt het inhoudstype eveneens vast in zijn waan. De volheid der Christusopenbaring raakt hem aan, hij ervaart dat en hij reageert. Maar het is zijn grote vergissing dat hij alles meent te kunnen vasthouden en verwerken. Hij ziet zichzelf niet in werkelijkheid, namelijk als een gebroken realiteit, als een geschonden eenheid, als gehuld in lompen. Hij is het tegenbeeld van het vormtype. Hij vergeet en negeert dat een zuivere inhoud alleen kan worden vastgegrepen en verwerkt in een zuivere vorm. Hij vergeet dat iedere ware regeneratie vorm en inhoud gelijkelijk moet openbaren. En nu zijn daar zijn geschonden denken, zijn van nature ontspoorde gevoelsleven, zijn onzuivere bloedserfenis en zijn celstructuren vol gluterische woekeringen, waarmee hij tracht de navolging Christi te volbrengen.

Het is volledig te begrijpen dat er ook hier een crisis tot ontwikkeling moet komen en er een botsing met de Geestesschool met haar dwingende eisen, volgt. Het vormtype meent in zijn crisis dat de wet der Geestesschool geen beeld geeft van de werkelijke levenseis. Immers, deze wet heeft hij van de jeugd af onderhouden, zonder resultaat.

Het inhoudstype ziet de wet als een hinderpaal in zijn vrije ontwikkeling voor God de Heer. Het inhoudstype meent dat de Geestesschool zich stelt tussen hem en het bereiken. Hij ervaart het contact tussen zichzelf en het spirituele, en waar die aanraking wegebt en hem ontglipt, zoals het water door een zeef stroomt, daar wijt hij dit verschijnsel aan de onbuigzame werkers der Geestesschool, die volgens hem een grote vergissing jegens hem hebben begaan. Kortom, ook hier komt het moment van afscheid. Het inhoudstype gaat binnen in wat hij noemt ‘de vrijheid’.

Wij hopen dat u deze beide typen nu zult herkennen en vooral zult begrijpen waarom zij in de Voorhof der Mysterieschool zijn vastgelopen; waarom hier een crisis, een botsing onvermijdelijk was; en wat wij moeten denken van al die vermeende verwijten aan het adres der werkers.

Het wezen der wet

Als wij de mensen buiten de Geestesschool observeren, dan vinden wij ook overal in de wereld deze beide typen – het vormtype en het inhoudstype – terug. Wij zien in de wereld, in allerlei gradaties en gedaanten, de mensen die de vormzijde der dingen hebben gezocht en ontwikkeld. Denk bijvoorbeeld aan ons cultuurpeil en aan alle mensen die zich in deze wereld naar het uiterlijk zo beschaafd hebben. Het uiterlijke gedrag, de kleding, het openbare optreden, de omgangsvormen zijn tot in de finesses bestudeerd en worden op alle mogelijke en onmogelijke wijzen geforceerd. En ook hier weer zit bij alles de koningsdroom voor: via een gekozen trap zijn doel te bereiken en te kunnen leven in een werkelijkheid.

Wij zien eveneens die mensen in de wereld die leven in goedheidswaan. Zij produceren in overstelpende mate broederschapswoorden, -gevoelens en -gedachten en ook in daden laten zij zich niet onbetuigd. Zij zijn vol beweging en activiteit. Zij leven vanuit een werkelijke inhoud, een levende kracht, die binnen in hen woelt en kookt.

En toch lopen deze beide groepen vast, ook in de wereld. Zij worden naar een wetmatige crisis gevoerd. En dan is er geen Geestesschool en zijn er geen arbeiders der Geestesschool om in staat van beschuldiging te stellen. Het is de dialectica, als gebroken realiteit, waartegen de mens botst en die de dingen tot hun tegendeel doet verkeren. Wij voorspellen u, voor zover u in de Voorhof der Geestesschool verkeert, een crisis, een botsing tussen de behoeders der mysteriën en u. En als u midden in de wereld duikt, als vormtype of als inhoudstype, dan voorspellen wij u eveneens een crisis en een botsing met de wereld, een bittere ontgoocheling.

Alleen uit de botsing met de Geestesschool kunt u eventueel ontwaken als herborene. Uit de botsing met de wereld kunt u slechts meegesleurd worden in cirkelgang. Uit uw crisis met de Geestesschool kunt u ten wedergeboorte worden verlost. En uw crisis, zo ze nog niet daar is, kan worden voorkomen als u het woord, dat gesproken is op de berg, zou willen doorschouwen:

‘Meen niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden. Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, ik zeg u: eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota noch één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied.’

Denk u de situatie in. Aan de ene zijde staat de Geestesschool, als hiërofant van de goddelijke wet en haar transmutatie van de goddelijke wet, in een vibratie en een spanning die door de mens verdragen en vervuld kunnen worden. Aan de andere zijde staan de vormtypen en de inhoudstypen, hoewel elkaars tegenpolen, niettemin hand in hand in hun afwijzing van de Geestesschool en van de wet.

Waardoor is deze botsing ontstaan? In diepste wezen omdat de twee aanzichten der wet niet konden worden verstaan, niet konden worden gegrepen. Omdat men, al naar zijn geaardheid, geneigd is aan één aanzicht te beantwoorden: hetzij vorm, hetzij inhoud. Een vorm zonder inhoud is een niets. Een inhoud, een waarde, die niet in een bepaalde vorm gegoten kan worden, die zich niet op een bepaalde wijze in krachtlijnen kan openbaren, heeft geen eeuwigheidswaarde. Daarom is de wet niet slechts vorm, maar vooral ook inhoud. Niet slechts inhoud, maar vooral ook vormopenbaring.

De geopenbaarde mens is een vorm, een gedaante, zowel naar geest en ziel als naar lichaam. Deze mens is afgeweken van het goddelijke plan. Zijn gedaante, hoe dan ook, is dus niet meer in overeenstemming met dat goddelijke plan. Deze mens heeft de goddelijke waarden vergeten en de goddelijke krachten, waarmee hij aanvankelijk was toegerust, verloren. Hij is een lege, inhoudloze mens.

Wil hij deze waarden, die hij mogelijk vermoedt in het onderbewuste, nu grijpen en eruit leven, dan moet natuurnoodwendig de gedaante, de vorm, in haar oorspronkelijke toestand worden gebracht. God woont in een tempel; de goddelijke waarden kunnen zich slechts ten volle uitdrukken in de grote menselijke tempel. Is die tempel in een stadium van bouw, dan ontwikkelen zich de goddelijke waarden in overeenstemming met deze bouw. De Heilige Geest en zijn tempel moeten met elkaar in evenwicht zijn. Niemand kan de Heilige Geest verwachten, zonder zijn tempel in een toestand te hebben gebracht om hem te kunnen ontvangen.

De krachten van de geest Gods zijn zó vervaarlijk, zó dynamisch en geweldig, dat alle natuurrijken erdoor worden doorgloeid en doorstraald, in welke toestand zij ook mogen verkeren. Ieder atoom van de oersubstantie wordt doortrild van Gods geest. Daarom spreekt het vanzelf dat het zo gevoelige inhoudstype de inwerkingen van de goddelijke geest als geestdrang ondergaat. Doch het is een grote mystificatie hierin een regeneratie te zien. Het is een blinde, natuurwetmatige werking. En het spreekt vanzelf dat de vormmens, onder dezelfde invloeden, eropuit is zijn gedaante te cultiveren. Maar ook hierin is geen regeneratief beginsel. Het is blinde beantwoording aan natuurlijke geestdrang.

De sleutel tot alle goddelijke waarden en vermogens en het motief tot juiste tempelbouw zijn gelegen in het begrip liefde, liefde voor God en liefde voor de naaste. Deze liefde kan alleen in het leven worden getild door volstrekte zelfverloochening. Daarom is voor alle kandidaten in de Geestesschool een fundamentele verandering, het opbreken van het zelf en het vernietigen van de ik-waan noodzakelijk. De goddelijke wet beschermt zichzelf. Niemand ondervindt hinder van de wet, dóór de wet, wanneer hij, geheven tot de ware liefde, waarde en vorm gelijkelijk grijpt en bouwt. Naarmate de tempelbouwer voortgaat van hamerslag tot hamerslag, vervult de Heilige Geest zich in hem tot een eeuwigheidswaarde.

De wet helpt de leerling met haar aanwijzingen tot tempelbouw, opdat hij eenmaal volkomen waardig het ‘Veni Creator Spiritus’ zal kunnen uitspreken. En tot allen die in gespletenheid en wanbegrip, met ongebroken ik-zucht, hun doel willen bereiken en daardoor in conflict komen met de wet, tot die allen wordt het woord gesproken:

‘Meen niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden. Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen.’

In Christus onze Heer dringt de wet zich al sterker en sterker aan ons op. In Jezus de Heer wordt ons bloed aangetast en klinken de woorden: ‘Zie, ik sta aan de deur en ik klop.’

Maar deze goddelijke liefde weet niet van compromissen. Geen tittel of jota krijgen wij cadeau. Het is alles of niets. Daarom is het logisch dat hij of zij, die een van de kleinste dezer geboden zal ontbinden en de mensen aldus zal leren voorgaan, de minste zal zijn in het Koninkrijk der Hemelen. Tevens is het duidelijk dat wie de wet gedaan en geleerd zal hebben, groot genaamd zal worden in het Koninkrijk der Hemelen.

Als u oren hebt om te horen en ogen om te zien, versta dan wat de Geest der Wet tot u te zeggen heeft. Tot in de verste toekomst zal niemand zich ontslagen kunnen achten van de wet, tótdat hij deze zal hebben vervuld zoals zij móet worden vervuld. De mensheid zal worden aangetast in bloed en lijf, tótdat deze dingen, tittel voor tittel en jota voor jota, zullen worden beleden en verwerkelijkt. Zie naar het Libra-teken, het symbool van het goddelijke recht. De schalen zullen in evenwicht moeten zijn, alvorens het lam Gods woning bij ons kan maken.

INHOUDSOPGAVE VAN HET LICHT DER WERELD

Ten geleide

  1. Gij zijt het zout der aarde
  2. Het wezen der wet
  3. Wees niet bezorgd
  4. Gij zult niet echtbreken
  5. Oordeel niet
  6. Geef het heilige niet aan de honden
  7. De offerande van de hemelse mens

Bron: Het Licht der wereld door J. van Rijckenborgh    

LEES OVER 5 BOEKEN VAN J. VAN RIJCKENBORGH OVER CHRISTELIJKE TEKSTEN UIT DE OUDHEID