Oordeel niet! Advies uit de Bergrede van Jezus, toegelicht door J. van Rijckenborgh

BESTEL ‘HET LICHT DER WERELD’

Oordeel niet, opdat u niet geoordeeld wordt; want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u zelf geoordeeld worden, en met welke maat u meet, zal er bij u ook gemeten worden. Waarom ziet u wel de splinter in het oog van uw broeder, maar merkt u de balk in uw eigen oog niet op? Of, hoe zult u tegen uw broeder zeggen: Laat toe dat ik de splinter uit uw oog haal, en zie, er is een balk in uw eigen oog? Huichelaar, haal eerst de balk uit uw oog en dan zult u goed kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder te halen. (Mattheüs 7:1-5)

Aan leerlingen van de christelijke geestesschool, dus voor de uitgezonderde kring van de kandidaten in de christelijke mysteriën, wordt het recht van oordelen en kritiseren ontnomen. Zij worden ten aanzien van oordelen en kritiek geven volkomen onbevoegd verklaard. Zij worden gewaarschuwd zich van oordeel en kritiek te onthouden, teneinde kwalijke gevolgen te voorkomen. 

Wij hebben bij ondervinding ervaren dat het zich moeten onthouden van oordeel en kritiek tot de moeilijkst te verteren leerstof van de universele wijsbegeerte behoort. Er is niets dat de westerling slechter ligt dan een kritiekloze levenshouding. Wij roddelen bij een kop thee, wij hebben steeds en onmiddellijk ons oordeel klaar in intellectuele en geestelijke zaken. Ja, wij worden opgevoed met kritiek Het is één van de steunpilaren in het leven. Wat zou de democratie zijn zonder zonder kritiek? Wanneer ons het recht van kritiek oordeel en kritiek zou worden ontnomen, zouden wij rechteloos zijn. 

Mogen wij dan geen oordeel hebben over een lering die tot ons komt? Hoe moeten wij dan reageren op de stroom van ideeën en leuzen die over de massa worden uitgestort? Mogen wij dan geen kritiek uitoefenen op zaken en mensen  die uitgesproken slecht zijn? Moeten wij dan bukken voor de autoriteit, in negatieve berusting? Moeten wij de dingen en zaken die zich aan ons bewustzijn voordoen en die, zonder dat wij er iets aan kunnen doen, in ons een bepaald effect van aantrekking en afstoting veroorzaken, zonder meer negeren? Moet ik mooi liegen wat zich in mij als lelijk voordoet? Mag ik mij niet onttrekken aan een sfeer die mij onpasselijk maakt? Kortom, moet ik dan stapelkrankzinnig en tegennatuurlijk worden?

Wij zijn ons bewust hier met u voor een grote moeilijkheid te staan en het zal niet gemakkelijk zijn elkaar op dit punt goed te begrijpen. Wij menen, evenals u, dat men in de dialectische wereld, in de gebroken natuurorde, niet buiten kritiek en oordeel kan. Het zijn de wapens van de zelfverdediging, maar het zijn wapens die altijd bloedig worden! De stumperige democratie is voorlopig de enige staatsvorm die wij verdienen. Soms komt een ietsje mensenrecht, na wekenlang fel debatteren, net met de hakken over de sloot, door middel van een besluit van de helft plus één tot stand. De meest funeste ideeën omwikkelen ons met schone schijn en men heeft soms alle kracht van oordeel nodig om zich uit deze sluiers los te scheuren. In het dialectische leven moet men zich met kritiek en oordeel wapenen.

Maar hebt u ooit het verdriet gevoeld en een scheurende smartelijke zielepijn, als u deze methode toepaste? Of er zelf het slachtoffer van werd, ook al oefende men zogenaamd rechtvaardige kritiek uit? Een vorm van kritiek die volgens ons niet bestaat! Hebt u nimmer ontdekt dat het uitspreken van een afbrekend oordeel uw fysieke lichaam aantast en uw bloed vervuilt?

De wapens van oordeel en kritiek moet men, indien men van deze wereld is, gebruiken. Wij zien en kennen voor de gewone en grove natuurmens geen andere methode. Doch haar toepassing is een afgrijselijke ellende en veroorzaakt altijd veel strijd en veel ziekte. 

Bij sommige mensen is deze dialectische methode zo tot een tweede natuur geworden, dat zij er niet meer buiten kunnen. Het gevolg? Het zaaien van onrust. Het gevolg? Bloedvervuiling, hartaandoeningen, zenuwpijnen. Niemand kan boven zijn staat-van-zijn leven. Indien deze tweede natuur uw natuur is, hebben wij u niets te zeggen. Wij richten ons alleen tot hen die het pad van inwijding of heiligmaking in de christelijke mysterieschool willen volgen. En tot hen, tot deze bergbestijgers, richt zich de Christus met zijn waarschuwing.

Deze mensen willen namelijk de dialectische methodiek ontstijgen om, hoewel Ín deze wereld, niet ván deze wereld te zijn. Aan deze mensen, willen zij slagen in hun oogmerken, wordt het recht van oordeel en kritiek ontnemen. Deze mensen moeten zich bewust, van onderen op, losmaken van een deel van de paradijsvloek. Deze eis, die volstrekt noodzakelijk is, kan zonder zwaarwichtige redeneringen worden bewezen. 

‘Waarom ziet u wel de splinter in het oog van uw broeder, maar merkt u de balk in uw eigen oog niet op?’

Het is in de gnostieke wetenschap bekend, en u zult het na onderzoek gemakkelijk kunnen controleren, dat ons stoffelijke lichaam omringd is met een aurische sfeer. Wij spreken ook van begeertelichaam en van ademveld. Deze aurische sfeer is niet een soort stralingsveld, waarin zich krachten bevinden die in het overige organisme moeten worden opgenomen of daarvan zijn afgestoten, doch zij vertoont duidelijk een anatomische structuur en een weefselstructuur. Zij is deel van onze lichaamsgestalte.

Zolals vanzelf spreekt is de geaardheid, de toestand, de vibratie van de aurische sfeer zeer individueel en bij ieder mens anders. U kijkt, u observeert, door uw aurische sfeer heen. Door datgene wat u omringt en ten nauwste met u verbonden is neemt u zintuiglijk waar. Onze zintuiglijke gewaarwordingen zijn dus volstrekt verschillend. 

Wij, verzonken mensen, behoren tot een gevallen natuurorde. Wij zijn uitermate geschonden en tot zulke karikaturen van het oorspronkelijke menszijn verworden, dat niemand met behulp van zijn dialectische lichamelijkheid zuiver en objectief kan waarnemen. Onze aurische sfeer is een beslagen rede, een meer geschonden spiegel, volkomen ongeschikt voor zuiver oordeelkundig gebruik. 

U leeft derhalve in een grote begoocheling. Niets is in werkelijkheid zoals u het zintuiglijk waarneemt. Naast de gnostici van alle tijden hebben filosofen van naam daarop de aandacht gevestigd, zonder de nuchtere, eenvoudige, structurele oorzaak te hebben aangeduid. Onze lichaamsgestalte is onvolkomen. Wij leven in een wereld van begoocheling. 

Met behulp van uw structurele gebrekkigheid kunt u raden en experimenteren. Raden wat de gevolgen zullen zijn van uw oordeel en van uw daden. U moet begrijpen dat de splinter die u mogelijk in het oog van een ander ziet, zeer waarschijnlijk het gevolg is van de heipaal die zich in uw eigen oog bevindt. Immers, wij zien de dingen gekleurd door onze aura. En dat wat in onze eigen sfeer niet deugt, zien wij op de achtergrond in de ander. Datgene waar u een ander van beschuldigt, wordt bijna altijd in uw eigen wezen gevonden. 

Deze dingen lijken ons zo logisch, zo nuchter eenvoudig, dat het feitelijk niet nodig zou moeten zijn erover te spreken. Deze wijsheid, deze waarheid, is altijd verankerd geweest in het volksgeloof, bewaard door middel van oude spreekwoorden als: ‘Zo de waard is, vertrouwt  hij zijn gasten,’ en: ‘De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.’

Als u de geestesschool wilt dienen, kunt u de mensen en de wereld niet naderen met uw natuurlijke, dialectische, kritische vermogen. In de neergang vanuit de godsorde hebt u niet slechts de hogere vermogens van ziel en geest verloren, maar ook de eigenschappen van de oorspronkelijke lichaamsgestalte, tot zelfs de elementairste toe, bent u kwijt. Uw hooggeroemde zintuigen, waarop u soms zo trots bent, zijn hoogstens tastzintuigen. U neemt niet waar – u vermoedt – u tast! En in overeenstemming met uw staat-van-zijn veronderstelt u dat het zus of zo wel zal zijn, en u handelt speculatief. Dat is is uw hoog verheven recht van oordeel en kritiek!

De geestesschool stelt nu dat u met deze eigenschap in het hogere leven niet vorderen kunt. Zij stelt dat u deze vorm van zintuiglijke waarneming en zintuiglijk reageren op valse en verdraaide voorstellingen kwijt moet. 

Ieder mens leeft in zijn eigen voorstellingswereld, van waaruit hij zijn omgeving beoordeelt. Wij hebben hiermee de volledigste toestand van afgescheidenheid bereikt. Wij leven in een volledige ik-toestand en in een volledige ik-wereld. Wij zijn hoogst abnormaal, om het niet kernachtiger te zeggen. Vandaar de stroom van ideeën die over ons wordt uitgestort. Vandaar dat wij het nooit met elkaar eens zijn. Vandaar de formidabele gespletenheid, het grenzeloze egoïsme, de zelfhandhaving en al haar ontelbare bittere gevolgen. Gevoelt u dat het hier gaat om de kern van ons ellendig bestaan?

Een oordeel is een besluit, een concreet gedachtebeeld. Het wekt altijd een reactie – in de wereld om ons heen en in onszelf. Wij worden zelf altijd gemeten met de maat waarmee wij meten. Daarom is het hier zo’n bende. Wat de een opbouwt, breekt de ander af. Wat de een goed bedoelt, wordt door de ander slecht gemaakt. 

Als nu de raad van de geestesschool tot u komt uw dialectische ‘recht’ van oordeel en kritiek prijs te geven, dan is het niet de bedoeling het de werkers wat gemakkelijker te maken, doch dan gaat het erom u van een zekere dementie te bevrijden, een ernstiger geval van geestesstoring dan u ooit voor mogelijk hebt gehouden.  

‘Huichelaar’ – dat wil zeggen: onvolkomen, karikaturale en daardoor onwaarachtige mens, en niet primitieve stakker – ‘haal eerst de balk uit uw oog en dan zult u goed kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder te halen.’

Als u dit woord wilt verstaan, zorg er dan voor dat u niet onmiddellijk tot een nieuwe mystificatie vervalt. Velen zullen om strijd beweren dat zij druk doende zijn de balk uit hun eigen ogen te verwijderen, of daar inmiddels reeds in geslaagd zijn. U dient echter te verstaan dat het hier gaat om de reiniging van uw aurische veld, om de volledige reconstructie van de oorspronkelijke lichaamsgestalte, om het afbreken van de aardse  tabernakel, zoals Paulus zegt. Kortom, ook hierin wordt de leerling geplaatst voor het inwijdings- of heiligmakingsmysterie van de christelijke geestesschool. 

De vraag is nu actueel hoe de leerling zich moet gedragen in de periode die gelegen is tussen het afscheid van het dialectische kritische vermogen en de volwaardigheid van het nieuwe, als gevolg van persoonlijkheidsverwisseling. In deze overgangstijd moet men toch besluiten en handelen, voor of tegen iets? In deze periode moet men toch vriend of vijand herkennen?

In deze periode moet u leven uit en in de normen die u het heiligst zijn, die hun diepste grond vinden in uw levende hart en sprankelen in uw bewustzijn. Alles wat daarbuiten valt is speculatie. Uitgaande van deze levensnormen verricht u uw taak, uw werk, naar beste weten, terwijl u tracht de kwaliteit van dag tot dag te verbeteren en te veredelen. Tot u zal een storm van kritiek en oordeel komen, de gewone reactie van de wereld. Doch u oordeelt niet, u geeft alleen vanuit uw diepste wezen, naar uw heiligste overtuiging, en u tracht steeds weer te observeren wat de ander beweegt, wat hij bedoelt, wat hij wil. 

Als u uw weg, uw opvatting, uw streven, uw verlangen botst met die van een ander in uw omgeving, bijvoorbeeld één van uw vrienden, collega’s of huisgenoten, dan zult u onmiddellijk rekening houden met uw organische gebrek, uw structurele tekortkoming, en biddend, zelfonderzoek overwegen. Het is zeker dat u dan tot absoluut licht komt, zonder dat u uw heilige levensnormen geweld behoeft aan te doen. 

Dan beleeft u een wonderlijke sensatie en toch zo eenvoudig, zo vanzelfsprekend: bij de volgende ontmoeting blijkt de moeilijkheid te zijn opgeheven. Immers, ook uw vriend of uw huisgenoot heeft zichzelf onderzocht en heeft volgens de geestelijke methodiek overwogen, met als resultaat dat de beide aanvankelijke tegenoverwegers tenslotte tot dezelfde conclusie komen. De status van het ik en zijn wereld wordt doorbroken en allen die zich op deze weg voorwaarts worstelen, beleven de heerlijke sensatie dat er een gemeenschap van gevoelen, van oordelen en handelen geboren is. Geheel onafhankelijk van elkaar, zonder kadaverdiscipline, als sancta democratio.

Zo u de tempelberg beklommen hebt en u tot leerling rekent, raden wij u: nader uw medemens en de wereld om u heen kritiekloos, doch ontmoet hen met al de positiviteit van uw heiligste overtuiging, die haar grond vindt in uw hart. Dring die ander uw wil niet op, doch leef hem voor wat u bedoelt en bent – en observeer onpersoonlijk. 

Dan zult u het wonder beleven. U zult uw broeders van het nieuwe verbond herkennen, en zij u. Er zal geen verschil van mening meer bestaan. U zult van stonde aan leven in de wereld van ware geestelijke gemeenschap. Eerst dan zult u het recht hebben elkaar terzijde te staan op het pad en in liefde de ander te helpen, waar hij of zij deze hulp vraagt. 

Iedere leerling op het pad moet klaar beseffen dat hij nimmer een ander mens kan forceren tot een geestelijke staat of tot een handeling die niet in overeenstemming is met diens staat-van-zijn. Iedere leerling op het pad dient te beseffen dat hij botst, altijd weet botst met mensen die in staat-van-zijn beneden hem staan, maar ook met hen die in staat-van-zijn boven hem staan.

Er is daarom steeds opnieuw incidenteel een onoverkomelijk gebrek aan begrip, van beide kanten. Daarom is er onder leerlingen die de eis van de bergrede nog niet verstaan zo dikwijls het laaiende vuur van de kritiek, dat diepe wonden slaat. 

Laat ons van Jezus Christus willen leren dat er een andere weg is en een kortere weg. Laat ons ook in deze dingen ín deze wereld, niet ván deze wereld zijn.

Bron: Het Licht der wereld van J. van Rijckenborgh

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *