Alcyone over begeerteloosheid in ‘Aan de voeten van de meester’

Alcyone aan de voeten van de meester begeerteloosheid.082

Er zijn velen voor wie de begeerte­loosheid moeilijk is, daar zij voelen dat zij hun wensen zijn, dat, wanneer hun instinctieve begeerten, hun gevoelens van aantrekking en afstoting van hen weggenomen zijn, er geen zelf zal overblijven. Maar dat zijn slechts zij, die de meester niet gezien hebben; in het licht van zijn heilige tegenwoordigheid sterft elke begeerte, behalve de begeerte om hem gelijk te zijn. Doch alvorens het geluk te hebben hem van aan­gezicht tot aangezicht te ontmoeten, kunt u begeerteloosheid bereiken indien u wilt.

Onderscheidingsvermogen heeft u reeds getoond dat de dingen, welke de meeste mensen begeren, zoals rijkdom en macht, het bezitten niet waard zijn; wanneer dit waarlijk gevoeld en niet slechts gezegd wordt, houdt alle begeerte naar deze op te bestaan.

Tot hiertoe is alles eenvoudig; het is slechts nodig dat u het begrijpt. Maar er zijn mensen, die het trachten naar aardse doeleinden alleen staken om de hemel te winnen, of persoonlijke bevrijding van wedergeboorte te bereiken; in deze dwaling moet u niet vervallen. Indien het zelf door u geheel vergeten wordt, kunt u er niet aan denken wanneer dat zelf bevrijd zal worden, of wat voor een soort hemel het zal hebben. Bedenk, dat elke zelfzuchtige begeerte bindt, hoe hoog haar doel ook is, en dat u niet geheel vrij bent u aan het werk van de meester te wijden voordat u ervan verlost bent.

Wanneer alle begeerten voor het zelf verdwenen zijn, kan er nog een begeerte bestaan; het gevolg van uw werk te zien. Indien u iemand helpt, wenst u te zien hoeveel u hem geholpen hebt; misschien wenst u tevens dat hij het ook ziet en dankbaar is. Maar ook dit is begeerte en tevens gebrek aan ver­trouwen. Wanneer u uw krachten uitstort om te helpen, moet er een resultaat zijn, of u het zien kunt of niet; indien u de wet kent, weet dat dit zo zijn moet.

Dus moet u goed doen uit liefde voor het goede, niet in de hoop op beloning, u moet werken uit liefde voor het werk, niet in de hoop enig resultaat te zien; gij moet uzelf aan de dienst van de wereld geven, daar u haar liefheeft, en niet anders doen kunt dan uzelf er aan geven.

Heb geen begeerte naar psychische vermogens, zij zullen komen wan­neer de Meester weet dat het goed voor u is ze te hebben. Als u ze te vroeg forceert, kunt u er vaak veel last van hebben; dikwijls wordt de bezitter van die krachten misleid door bedrieglijke natuurgeesten, of wordt verwaand en denkt, dat hij geen fout kan maken; en in elk geval kunnen de tijd en de kracht, die voor het verkrijgen er van nodig zijn, gebruikt worden, om voor anderen te werken.

Zij zullen komen in het verloop van de ontwikkeling – zij moeten komen; en indien de meester ziet, dat het nuttig voor u zou zijn ze vroeger te hebben, zal hij u zeggen hoe ze veilig te ontwikkelen. Tot op dat ogenblik is het beter dat u ze niet hebt. U moet ook op uw hoede zijn tegen zekere kleine begeerten die in het dagelijkse leven veel voorkomen. Wens nooit te schitteren of u bijzonder knap voor te doen; begeer niet te spreken. Het is goed weinig te spreken, beter nog niets te zeggen, tenzij u er geheel zeker van bent dat hetgeen u wenst te zeggen waar, vrien­delijk en hulpgevend is.

Bedenk alvorens te spreken, zorgvuldig of dat wat u gaat zeggen deze drie eigenschappen heeft; indien het ze niet heeft, zeg het dan niet. liet is goed zelfs nu reeds gewend te raken zorgvuldig te denken alvorens te spreken; want, indien gij de inwijding bereikt, moet u over elk woord waken, om niet te vertellen, wat niet verteld moest worden.

Veel gewoon gepraat is onnodig en dwaas; als het kwaadspreken is, is het slecht. Gewen er u dus aan veeleer te luiste­ren dan te spreken, bied geen meningen aan indien er niet direct om wordt gevraagd. Eén opsomming van de vereisten geeft ze aldus: weten, durven, willen en zwijgen; en de laatste van de vier is de moeilijkste van alle.

Een ander veel voorkomende begeerte, welke u gestreng moet onderdrukken, is de wens u te mengen in andermans zaken. Wat een ander mens doet of zegt of gelooft, gaat u niet aan, en u moet leren hem volkomen met rust te laten. Hij heeft het volle recht om vrij te denken, te spreken en te handelen, zolang hij zich met niemand anders bemoeit. U zelf verlangt de vrijheid, te doen wat u goed acht; u moet dezelfde vrijheid aan hem veroorloven en, wan­neer hij er gebruik van maakt, hebt u niet het recht er aanmerking op te maken.

Indien u meent, dat hij verkeerd doet en u een gelegenheid kunt vinden om hem afzonderlijk en zeer beleefd te zeggen waarom gij u dat vindt, is het mogelijk, dat u hem kunt over­tuigen; maar er zijn vele gevallen waarin zelfs dat een ongepaste inmenging zou zijn. In geen geval moet  u er met een derde kwaad van gaan spreken, want dat is een zeer slechte handeling. Indien u een geval van wreedheid tegenover een kind of dier ziet, is het uw plicht tussenbeide te komen.

Indien u iemand tegen de wet van het land ziet handelen, moet u er de overheden daarvan op de hoogte brengen. Indien u belast bent met de zorg voor een ander teneinde hem te leren, kan het uw plicht zijn hem vriendelijk op zijn fouten te wijzen. Behalve in deze gevallen, moet u zich slechts met uw eigen zaken bezighouden, en de deugd van zwijgen aanleren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *