Alcyone over onderscheidingsvermogen in ‘Aan de voeten van de meester’

Alcyone over ondersceidingsvermogen in Aan de voeten van de meester.083

De eerste van de vereisten voor het pad is onderscheidingsvermogen; en dit wordt gewoonlijk opgevat als de onderscheiding tussen het werkelijke en het onwerkelijke, die de mens er toe brengt het pad te betreden. Zij is dit, maar zij is ook veel meer, en moet niet slechts beoefend worden bij het begin van het pad, maar bij elke voetstap en iedere dag, tot het einde toe. U betreedt het pad, omdat u geleerd hebt dat daar alleen die dingen te vinden zijn welke het waard zijn gewonnen te worden. De mensen, die niet weten, werken om rijkdom en macht te winnen, maar deze duren op zijn hoogst slechts een leven, en zijn daarom onwerkelijk. Er zijn grotere dingen dan deze, dingen, die werkelijk zijn en duren; indien u deze ooit gezien hebt, begeert u die andere niet meer.

In de gehele wereld zijn er twee soorten van mensen: zij die weten en zij, die niet weten; en op deze wetenschap komt het inderdaad aan.

Welke godsdienst een mens omhelst, of tot welk ras hij behoort – deze dingen zijn niet belangrijk; het werkelijk belangrijke is de kennis, de kennis van Gods plan voor de mensen. Want God heeft een plan en dit plan is evolutie. Als iemand dit eens gezien heeft en het waarlijk kent, kan hij niet nalaten er voor te werken en zich er mee te vereenzelvigen, omdat het zo heerlijk en schoon is. Hij doet dat omdat hij weet, dat hij zich aan Gods zijde bevindt, om het goede te verdedigen en het slechte te weerstaan, werkende voor de evolutie, en niet voor eigen belang.

Indien hij zich aan de zijde van God bevindt, is hij een van de onzen, en komt het er in het geheel niet op aan of hij zich een hindoe, een boeddhist, een christen of een moslim noemt, of hij een Indiër, een Engelsman, een Chinees of een Rus is. Zij, die zich aan zijn zijde bevinden, weten waarom zij hier zijn en wat zij doen moeten, en zij trachten het te doen; al de anderen weten nog niet wat zij moeten doen, en zo zijn hun handelwijzen dikwijls dwaas, en beproeven zij wegen voor zichzelf te vinden, waarvan zij menen, dat zij voor henzelf aangenaam zullen zijn, niet begrijpende dat allen één zijn en dat daarom alleen wat de Ene wil, ooit voor allen wérkelijk aangenaam zijn kan.

Zij volgen het onwerkelijke in plaats van het werkelijke. Tot op het ogenblik, dat zij geleerd hebben onderscheid te maken tussen deze twee, hebben zij zichzelf niet aan Gods zijde geschaard, daarom is die onderscheiding de eerste stap.

Maar ook wanneer de keus gedaan is, moet u nog bedenken, dat er vele verscheidenheden van het werkelijke en het onwerkelijke bestaan, en moeten nog het goede en het kwade, het belangrijke en het onbelangrijke, het nuttige en het onnuttige, het ware en het onware, het zelfzuchtige en het onzelfzuchtige onderscheiden worden.

Tussen het goede en het kwade moest het niet moeilijk zijn te kiezen, want zij, die de meester wensen te volgen hebben reeds besloten, tot elke prijs het goede te doen. Maar het lichaam en de mens zijn twee, en de wil van de mensen is niet altijd dat, wat het lichaam wenst. Wanneer uw lichaam iets wenst, sta er dan bij stil en denk er over na of u het werkelijk wenst. Want u bent God, en u wilt slechts wat God wil; maar  u moet diep in uzelf graven om de God in u te vinden, en naar zijn stem luisteren, welke uw stem is. Beschouw niet ten onrechte uwe lichamen als uzelf – noch het fysieke lichaam, noch het astrale, noch het mentale. Elk van drie zal beweren het zelf te zijn, ten einde dat te verkrijgen wat het wil hebben. Maar u moet ze alle kennen, en uzelf als hun meester.

Als er werk te verrichten is, verlangt het fysieke lichaam te rusten, uit wandelen te gaan, te eten en te drinken; en de mens die niet weet, zegt tot zichzelf: “Ik wens deze dingen te doen en moet ze doen”. Maar de mens die weet, zegt: “Datgene wat wenst, is niet ik, en het moet wat wachten”. Dikwijls, wanneer een gelegenheid zich aanbiedt iemand te helpen, voelt het lichaam:

“Hoeveel moeite zal dat voor mij zijn; laat iemand anders het doen.” Maar de mens antwoordt aan zijn lichaam: “Je zult mij niet verhinderen in het verrichten van een goed werk”. Het lichaam is uw dier – het paard waarop u rijdt. Daarom moet u het goed behandelen en het goed verzorgen; gij moet het niet te veel werk geven, gij moet het voeden zoals het behoort, met niet anders dan reine spijs en drank, en het altijd uitermate zuiver houden, ook van het kleinste stofje. Want zonder een volmaakt zuiver en gezond lichaam kunt u het zware werk van voorbereiding niet volbrengen, kunt u de voortdurende spanning ervan niet verdragen. Maar u moet altijd het lichaam beheersen en het lichaam moet niet u beheersen.

Het begeerte-lichaam heeft tientallen begeerten; het wil dat u boos bent, scherpe woorden zegt, jaloerse gevoelens hebt, begerig bent naar geld, anderen om hun goed benijdt, uzelf overgeeft aan gedrukte stemmingen. Al deze dingen wenst het en vele meer, niet omdat het u kwaad wil doen, maar omdat het van heftige trillingen houdt en deze graag voortdurend verandert. Maar u hebt geen van deze dingen nodig en daarom moet u onderscheiden wat uw behoeften zijn en die van uw lichamen.

Uw verstandslichaam wenst zich in trots afgescheiden van anderen te denken, veel van zichzelf te denken en weinig van anderen. Zelfs wanneer u het van aardse dingen hebt afgekeerd, tracht het nog naar zichzelf toe te rekenen en u aan uw eigen vorderingen in plaats van aan het werk van de meester en aan het helpen van anderen te doen denken. Wanneer u mediteert, zal het proberen u aan de vele verschillende dingen te doen denken welke het wenst, in plaats van aan het ene ding dat u wenst. U bent niet dit denkvermogen, maar u kunt er gebruik van maken; dus hier is ook weer onderscheiding nodig. U moet voortdurend op uwe hoede zijn, of u zult falen.

Tussen goed en kwaad kent het occultisme geen schikking. Wat het schijnbaar ook kosten moge, dat wat goed is moet u doen, dat wat slecht is moet u niet doen, onverschillig wat de onwetende moge zeggen of denken. U moet een diepe studie maken van de verborgen wetten van de natuur, en wanneer u ze kent, uw leven in overeenstemming ermee inrichten, waarbij u altijd uw rede en gezond verstand gebruikt.

U moet het belangrijke van het onbelangrijke onderscheiden. Geef altijd, standvastig als een rots waar het goed en kwaad betreft, toe aan anderen in dingen die van geen belang zijn. Want u moet steeds minzaam en vriendelijk, verstandig en inschikkelijk zijn, aan anderen dezelfde volle vrijheid latende waaraan u voor uzelf behoefte hebt.

Tracht te zien, wat de moeite waard is te doen en bedenk dat u niet moet oordelen naar de grootte van het ding. Het is veel beter een klein ding te doen dat direct nuttig is in het werk van de meester dan een groot ding dat de wereld goed zou noemen. U moet niet slechts het nuttige van het onnuttige onderscheiden, maar ook het meer nuttige van het minder nuttige. De armen te voeden is een goed en edel en nuttig werk; toch is het edeler en nuttiger hun zielen te voeden dan hun lichamen. Ieder rijk mens kan het lichaam voeden, maar slechts zij die weten, kunnen de ziel voeden. Indien u weet, is het uw plicht anderen te helpen om te weten.

Hoe wijs u ook reeds mocht zijn, op dit pad hebt u veel te leren ; zóveel, dat ook hier onderscheiding nodig is, en gij zorgvuldig moet overdenken, wat de moeite waard is te leren. Alle kennis is nuttig, en eenmaal zult u alle kennis bezitten; maar zie toe, zolang u er slechts een deel van hebt, dat het het nuttigste deel is. God is zowel wijsheid als liefde, en hoe meer wijsheid u bezit, hoe meer u van Hem kunt openbaren. Studeer dus, maar bestudeer eerst, wat u het best zal helpen om anderen te helpen. Werk geduldig aan uw studies, niet opdat de mensen u wijs mogen vinden, zelfs niet opdat u het geluk mocht hebben wijs te zijn, maar omdat alleen de wijze op wijze manier hulp kan geven. Hoezeer  u ook mocht wensen te helpen, zou u indien u onwetend bent meer kwaad dan goed kunnen doen.

U moet onderscheid maken tussen waarheid en leugen; u moet leren in alles waar te zijn; in gedachte, woord en daad. Ten eerste in uw denken, en dat is niet gemakkelijk, want er zijn in de wereld vele onware gedachten en dwaze vormen van bijgeloof, en niemand die door deze geknecht is, kan vorderingen maken. Daarom moet u niet aan ene gedachte vasthouden alleen omdat vele andere mensen er aan vasthouden, noch omdat zij eeuwenlang geloofd werd, noch omdat zij geschreven staat in een of ander boek dat de mensen heilig achten;  u moet zelf de zaak overdenken en voor uzelf beoordelen of ze redelijk is. Bedenk dat, ook al zijn duizenden mensen het over een onderwerp eens, hun mening indien zij niets van het onderwerp afweten, van geen waarde is.

Hij, die het pad zou willen betreden, moet leren voor zichzelf te denken, want bijgeloof is een van de grootste euvels in de wereld, een van de boeien van welke u uzelf geheel moet bevrijden. Uw gedachten omtrent anderen moeten waar zijn; gij moet niet van hen denken wat u niet weet. Veronderstel niet, dat zij altijd over u denken. Indien iemand iets doet wat u denkt dat u kwaad zal doen, of iets zegt, wat u denkt dat op u betrekking heeft, denk dan niet dadelijk: “Hij wilde mij beledigen”. Waarschijnlijk dacht hij in het geheel niet aan u, want elke ziel heeft haar eigen moeilijkheden, en haar gedachten hebben voornamelijk betrekking op zichzelf. Indien iemand op boze wijze tot u spreekt, denk dan niet: “Hij haat mij, hij wenst mij te wonden.” Waarschijnlijk heeft iemand of iets anders hem boos gemaakt, en omdat hij toevallig u ontmoet, stort hij zijn toorn over u uit.

Hij handelt dwaas, want elke boosheid is dwaas; maar daarom moet u niet onjuist over hem denken. Wanneer u een leerling van de meester wordt, kunt u altijd de waarheid van uw gedachten beproeven, door ze naast de zijne te leggen. Want de leerling is één met zijn meester en hij behoeft slechts zijn gedachte terug te brengen tot de gedachte van de  meesters om dadelijk te zien of ze daarmee overeenstemt. Indien ze dat niet doet, is ze verkeerd en hij verandert ze terstond, want de gedachte van de meester is volmaakt, omdat hij alles weet. Zij, die nog niet door hem zijn aangenomen, kunnen dit niet geheel doen, maar zij kunnen zichzelf veel helpen door dikwijls te blijven stilstaan en te denken: “Wat zou de meester hiervan denken? Wat zou de meester zeggen of doen onder deze omstandigheden?”

Want u moet nooit doen of zeggen of denken, hetgeen u zich niet kunt voorstellen dat de meester doen, zeggen of denken zou.

U moet ook waar zijn in woorden – nauwkeurig en zonder overdrijving. Schrijf nooit aan een ander motieven toe: alleen zijn Meester kent zijn gedachten, en hij kan handelen om redenen die nooit in uw gedachten kwamen. Indien u iets tegen iemand hoort vertellen, herhaal het dan niet; het zou niet waar kunnen zijn en, ook al is het waar, is het vriendelijker niets te zeggen. Bedenk u wel alvorens te spreken, opdat  u niet in onnauwkeurigheid vervalt. Wees waar in handeling; neem niet de schijn aan anders te zijn dan u bent, want alle schijn is een hindernis voor het zuivere licht van de waarheid die door u moet schijnen als zonlicht schijnt door helder glas.

U moet het zelfzuchtige van het onzelfzuchtige onderscheiden, want zelfzucht heeft vele vormen, en wanneer u denkt haar tenslotte in een ervan gedood te hebben, herleeft zij in een andere sterker dan ooit. Maar langzamerhand zult u zo vol gedachten voor het helpen van anderen worden, dat er geen plaats of tijd zal zijn voor enige gedachte omtrent uzelf. Nog op een andere wijze moet u onderscheiden. Leer in elk mens en elk ding de god onderkennen, onverschillig hoe slecht of oppervlakkig hij ook moge schijnen. U kunt uw broeder helpen, door datgene wat u met hem gemeen hebt, en dat is het goddelijk leven; leer hoe dat in hem op te wekken; leer hoe u op dat in hem te beroepen; zo zult u uw broeder van het kwaad verlossen.

Bron: ‘Aan de voeten van de meester’ van Alcyone

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *