Gnosticisme, rozenkruiserij en vrijmetselarij; beschouwing over inzicht, belijden en streven door Jan van Rijckenborgh

Eeuwenlang is de gehele westerse mensheid terzake van het gnosticisme en de rozenkruiserij opzettelijk in een zeer foutieve denkrichting gedreven. Ten gevolge van dit perfide proces is de massa losgescheurd van elke aanraking met de universele leer en een willoos slachtoffer van diverse wereldmachten geworden.

De gangbare opvatting over de gnostieken is deze, dat in het begin van onze jaartelling diverse mensen en groepen een poging hebben ondernomen om allerlei heidense gebruiken, riten en leringen te verbinden met de christelijke leerstellingen, dat er een intense strijd gestreden is door de jonge kerk, om zich van al die smetten te bevrijden, en dat sedert enkele eeuwen het gnosticisme tot de verleden tijd behoort.

Over de rozenkruisers denkt en leert men dat deze ontstaan is in ongeveer de 13e en 14e eeuw. De rozenkruisers, zo zegt men, beoefenden in het geheim natuurwetenschappen, omdat de vrije beoefening daarna door de Kerk verboden was. De chemie, de astrologie, de medicijnen, de geologie, de kosmologie en aanverwanten, waren de wetenschappen die voornamelijk werden beoefend.

Zeer duidelijk waren in deze rozenkruiserij twee lijnen, twee stromingen te ontdekken, namelijk de natuurfysische en de natuurmetafysische lijn. De natuurculturele stroming en de natuurevolutionaire stroming. De nazaten van deze rozenkruiserij vinden we terug in twee rassen.

De natuurculturele stroming in het Germaanse ras, gestaltenis aannemend bijvoorbeeld in de dusgenaamde antroposofische beweging en de natuur-evolutionaire stroming meer speciaal in het Angelsaksische ras, gestaltenis aannemend in de dusgenaamde theosofische beweging.

Beide groepen trachten een bevrijding van mens en wereld te bewerkstelligen in en door en met de natuur, waarbij de één meer het accent legt op de culturele factor, de ander op de metafysische factor. En tengevolge waarvan de één meer materialistisch en de ander meer spiritistisch van aard is. Het behoeft dan ook bijvoorbeeld geen verwondering te baren, waarom juist in de Angelsaksische landen het spiritisme zo hevig om zich heen heeft gegrepen.

Men kan dan ook, zonder een van de partijen tekort te doen, of te veel te geven, de historische rozenkruiserij, de antroposofie en theosofie, met al hun aanverwanten, volkomen in een adem noemen. Wanneer de volgelingen van Steiner, of Besant, of Tingli of Spencer Lewis of Max Heindel zich rozenkruisers noemen, dan hebben zij allen volkomen recht zich aldus aan te duiden.

Wanneer zij elkaar van imitatie of plagiaat beschuldigen, dan hebben zij allen volkomen gelijk, omdat zij zonder uitzondering stammen uit dezelfde wortel. We mogen alleen de verzuchting slaken, dat het jammer is dat al de delen en uitkomsten van die geëxplodeerde 13e eeuwse granaat niet verenigd zijn gebleven. De historie zou dan in vele opzichten anders zijn geweest.

Volledigheidshalve moeten wij ér dan nog aan toevoegen, dat ook de vrijmetselarij, zoals de wereld die de laatste paar honderd jaren gekend heeft, eveneens uit dezelfde basis is geboren. Als u van het voorgaande op de hoogte bent, of er nog meer of minder serieuze studie aan zult wijden, dan zult u mogelijk tot de ontdekking komen dat er nog een ander gnosticisme, een andere rozenkruiserij en ook nog een andere vrijmetselarij moeten zijn.

Als u tot die ontdekking gekomen bent, dan zult u nimmer meer het moderne Rozenkruis, dat dateert van augustus 1924, in een adem noemen met de verschijnende en welbekende esoterie van natuur-culturele en natuur-metafysische aard. Het gnosticisme, de rozenkruiserij en vrijmetselarij die wij bedoelen en trachten te interpreteren, zijn drie aanduidingen voor een en dezelfde universele stroming die geen ouderdom en geen jeugd heeft, die eenvoudig was, is en zal zijn tot in alle eeuwigheid.

Een stroming, soms gnostiek genoemd vanwege haar wijsgerig karakter, soms als rozenkruiserij aangeduid vanwege haar christo-centrische karakter, en soms vereenzelvigd met vrijmetselarij vanwege haar bouwende en verwerkelijkende karakter. Deze stroming, die uitgaat van de universele broederschap, heeft als universeel kenmerk, een volledige afwijzing van ieder natuurfysisch en natuurmetafysisch doel, en het zonder meer brengen van:

– een transfiguristische wijsbegeerte – daarom gnostiek;
– een christocentrisch belijden, in geen enkel opzicht te associëren met deze natuur – daarom rozenkruiserij;
– en een methodisch, wetenschappelijk toegepaste ontwikkeling, die breekt wat van de natuur is en bouwt wat van de oorspronkelijke godsnatuur is – daarom vrijmetselarij.

Deze universele broederschap sticht geen verenigingen of kerken. Zij belevendigt van tijd tot tijd scholen om allen die in bepaalde opzichten
– één van inzicht en dus gnostiek zijn
– één van belijden en dus rozenkruisers
– en één van streven en dus metselaars zijn, te helpen op het Pad.

Een dergelijk drievoudig transfiguristisch werk ontmoet in de wereld altijd vijandschap. Een vijandschap die voornamelijk komt van twee kanten. Van de zijde van de kerk en van de zijde van de natuuroccultistische stromingen. Van de kant van de staat werd en wordt geen primaire vijandschap ondervonden.

De leerlingen van de Universele Broederschap zijn rustige en eenvoudige burgers, die zich met geen enkele politieke, sociale of economische  bewogenheid bezig houden, in geen enkel opzicht de aandacht willen trekken, en zoveel mogelijk met rust gelaten willen worden.

De vijandschap van de kerk wordt voor de betrokken leerlingen eerst dan gevaarlijk, wanneer de kerk op enige wijze macht gaat uitoefenen in de staat. De historie heeft geleerd dat in dergelijke omstandigheden voor alle transfiguristisch direct doodsgevaar aanwezig is.

Evenzeer is da het geval wanneer de natuuresoterische stromingen macht ontvangen in de staat. Alle vrijheden van woord, drukpers en godsdienst worden dan onmiddellijk ingetrokken, als een inleiding op alles wat er dan verder volgen gaat. daarom is het zeker, dat ieder voortgezet transfiguristisch streven en inzicht niet slechts een kruisgang is in verlossende zin, doch tevens een kruisgang in aardsnatuurlijke zin. omkadering wordt de leerling Christusgelijkvormig.

Onze jaartelling werd gekenmerkt door drie grote transfiguristische bewegingen:
Die van de gnostieken aan het directe begin ban onze jaartelling
Die van de manicheeën direct uit de gnostieken voortgekomen
Die van de katharen

Een vierde grote beweging is nu bezig tot ontwikkeling te komen. Tussen die grote bewegingen in werd het werk nimmer beëindigd, doch meer uiterst verspreid en op zeer kleine schaal uitgevoerd. In iedere eeuw waren prominente werkes bezig met de beoefening van deze koninklijke kunst.

Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld Karl von Eckartshausen, een werker uit de 19e eeuw, en aan Johann Valentin Andreae uit de 16e eeuw. De nagelaten papieren van deze beide werkers zijn door de tweevoudige klassieke vijand zwaar geschonden. Dat is een nieuwe signatuur waarop u moet letten. Alle literatuur van de transfiguristische bewegingen is of verdwenen, of zwaar geschonden, of bestaat in zeer gesluierde zin in enkele bibliotheken.

Mani werd in het jaar 277 vermoord, voornamelijk op aanstichting van Perzische occultisten. De latere broederschap van de manicheeën verspreidde zich in de vierde eeuw over geheel Klein-Azië, Afrika en Zuid-Europa. Zij handhaafde zich tot in de zesde eeuw. Bij duizenden werden de manicheeën vermoord, onder leiding van de christelijke bisschoppen, de kerk, en Perzische magiërs, de toonaangevende fraters van de natuur esoterie. De literatuur werd zoveel mogelijk vernietigd.

De kern van de Broederschap trok zich terug in de Broederschap van Shamballa in de Gobi. Zo ging het eveneens met de katharen. En zo zal het gaan in de toekomst, zolang de dialectische natuurorde blijft bestaan.

Het edele drievoudige transfiguristische ambacht van inzicht, belijdenis en streven, het gaat als en ademtocht van uit het hart van de Gobi over de hele wereld. Het wordt weer teruggetrokken, om opnieuw te worden uitgezonden. Het strijdt niet – het werkt. Het strijdt niet – en toch overwint het! En alle vijandschap accentueert slechts de uiteindelijke overwinning.

De klassieke gnosis is de directe dienaresse van de Universele Broederschap. Zij treedt in de wereldhistorie steeds opnieuw naar voren, onmiddellijk na iedere nieuwe impuls van de grote universele leraren.

Op basis van zulk een nieuwe impuls is het de taak van de gnostieken, om het diepere inzicht in de innerlijke samenhang van het ware en oorspronkelijke leven onder de daarvoor ontvankelijke mensen uit te dragen. U begrijpt dat daarom de wereld vele en diverse gnostieke stelsels gekend heeft, die uiterlijk van elkaar verschilden, doch in wezen hetzelfde bedoelden, een zelfde roeping vervulden.

Wanneer we dan ook spreken van christelijke gnostieken, dan is er geen sprake van een nieuwe wijsbegeerte, doch van een vernieuwde wijsbegeerte, een vernieuwde gnosis, namelijk de ene, onvergankelijke boodschap in overeenstemming brengen met de nieuwe universele impuls.

De nieuwe impuls moet zo lang mogelijk als een levende, vibrerende werkelijkheid in stand blijven. En dat is nu de directe, primaire opdracht van de gnostieken. De goddelijke impuls als ‘kracht’ bewaren en uitdragen; die impuls steeds opnieuw belevendigen.

Zo plaatsen wij u dan voor de onvergankelijke gnosis, die in de praktijk door de idee wordt beheerst, dat de ware goddelijke geest in de wereld van de zinnen wordt gevangen gehouden en dat het daarom een diepe noodzaak wordt deze gevangenis, deze zielemens te ontstijgen, om als oorspronkelijke geestmens met de bron van de dingen te worden verenigd, door inzicht – belijdenis – en streven.

De vibrerende werkelijkheid van de Universele Broederschap golft over en om u, om u tot rozenkruisers te maken, dat wil zeggen tot belijders van het universele Inzicht. Zodat uw gehele wezen ervan doorgloeid wordt, dat het uw zitten en opstaan is. Dat u het niet meer kwijt kunt raken, bij dag en bij nacht. Dat u dit inzicht volkomen belijdt.

Zo plaatsen wij u voor dit verlossende drievoudige doel:

  • Naar het inzicht – een gnosticus
  • Naar het belijden – een rozenkruiser
  • Naar het streven – een vrije metselaar

Zo één, die dit drievoudige pad als signatuur in zijn wezen omdraagt, is door de Geest Gods ontstoken – geheven tot inzicht; in Jezus de Heer ondergegaan – een kruisganger, een belijder; en door de Heilige Geest wedergeboren – een strevende en bouwende overwinnaar.

Bron: De Grote Omwenteling van Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *