Waar haalde Max Heindel de kennis voor ‘De wereldbeschouwing der Rozenkruisers’ vandaan?

Max Heindel (1865-1919) schreef een klassiek rozenkruisers standaardwerk dat nog steeds wordt gelezen: De wereldbeschouwing der rozenkruisers. Dit artikel over de totstandkoming van dit boek is samengesteld uit gedeelten uit de biografie ‘Max Heindel en The Rosicrucian Fellowship’ dat Ger Westenberg in 2003 publiceerde. 

Alma von Brandaris (1859-1950) was osteopaat en werd in 1904 lid van de Theosofische Vereniging in Los Angeles. Op dat moment is Heindel daar vice-voorzitter. Ze worden innige vrienden. In de zomer van 1905 ging ze naar Europa en bezocht lezingen van dr. Steiner. Zij was erg onder de indruk van Steiners leer, die toen ter tijd beweerde lid van de Orde van het Rozenkruis te zijn, en zij drong er bij Heindel op aan naar Wenen te komen. Maar door zijn hartzwakte en gebrek aan belangstelling reageerde Heindel daar niet op. In 1907 keerde zij naar Amerika terug en slaagde er in hem toen over te halen. Zij betaalde de reis, waarna beiden naar Europa vertrokken. In 1908 werd hun vriendschap verbroken. […]

Om er achter te komen wat de specifieke leerstellingen van de rozenkruisers waren, was datgene van Steiner beschikbaar, wat thans in een zevental boeken is vastgelegd, aangevuld met een tweetal werken, die later verschenen en handelen over de zogenoemde esoterische school; voor zover Heindel daar toen kennis van kon nemen. Vanzelfsprekend bezocht Heindel de bijeenkomsten en nam hij ook aan beide afdelingen van Steiners esoterische school deel. 

In de tweede druk van de Rosicrucian cosmo-conception uit 1910 schrijft Heindel dat hij gedurende vijf maanden – van begin november 1907 tot eind maart 1908 – Steiners leer intensief bestudeerde en dat Steiner in die tijd zelden in Berlijn aanwezig was. Ongeveer zes maal heeft Heindel een persoonlijk onderhoud met Steiner, waarbij hij hem driemaal omverantwoording vraagt betreffende:

  • tegenstrijdigheden in zijn ‘Theosofie’
  • tegenstrijdigheden in zijn ‘Akasha Chronik’
  • Steiners anatomische onwetendheid die hij tijden een voordracht demonstreerde. Daarbij wees hij op zijn achterhoofd toen hij het had over de hypofyse, die daar zou zetelen. Een dwaling die zijn helderziendheid zou hebben geopenbaard. 

In als deze gevallen nam Steiner afstand van wat hij geschreven had en gaf Heindel in het bijzijn van getuigen gelijk. Tijdens het laatste gesprek met Steiner vertelde Heindel hem dat hij begonnen was aan een boek op occult gebied; een compendium van de leer van het Oosten en van het Westen. Daarbij wijst Steiner Heindel erop dat, wanneer er in enig opzicht leringen, door hem openbaar gemaakt, gebruikt zullen worden, hij als bron van informatie vermeldt dient te worden; waarmee Heindel instemde. 

In 1906 had Alma von Brandis zich bij Steiner aangesloten. Door Heindel mee naar Duitsland te nemen, hoopte zij hem te kunnen bewegen in Amerika vertegenwoordiger van Steiners leer te worden. Heindel, op zijn beurt, had de hoop dat Steiner hem op het pad van geestelijke vooruitgang verder zou kunnen helpen. Maar toen bleek, dat dit niet het geval was, werd Heindel neerslachtig. In diepe wanhoop vertelde hij Alma von Brandis naar Amerika te willen terugkeren. Toen hij haar ook nog zei dat hij zijn tocht naar Duitsland als tijdverspilling beschouwde, ontstond er een heftige woordenwisseling tussen beiden, die ertoe leidde dat hun wegen zich voorgoed zouden scheiden.    

Daarop keerde Heindel terug naar zijn hotelkamer, teneergeslagen en ontmoedigd. Met het gevoel naar Europa te zijn gegaan en in Amerika een vruchtbaar arbeidsterrein te hebben opgegeven; alleen om te ontdekken dat hij niet gevonden had wat hij hoopte. Ondertussen trof hij voorbereidingen voor zijn terugreis naar Amerika. In zijn eigen woorden gaat hij verder in ‘Leringen van een ingewijde’ uit 1934:

‘Toen ik in mijn stoel mijn teleurstellingen zat te overpeinzen, kreeg ik het gevoel dat er iemad anders aanwezig was. Ik keek op en aanschouwde degene die sindsdien mijn leraar werd. Met schaamte herinner ik mij nu hoe nors ik hem vroeg wie hem gezonden had en wat hij wenste, want ik was bijzonder humeurig. Ik aarzelde geweldig alvorens zijn hulp aan te nemen met betrekking de punten die mij naar Europa hadden doen komen. 

Tijdens de eerstvolgende dagen verscheen mijn nieuwe kennis verscheidene malen in mijn kamer terwijl hij mijn vragen beantwoordde en mij hielp met het oplossen van problemen, die mij vroeger voor raadsels stelden. Maar, omdat mijn geestelijk gezicht toenslechts weinig ontwikkeld had, stond ik tamelijk sceptisch tegenover dit alles. Zou het geen zinsbegoocheling kunnen zijn? Ik besprak dit geval met een vriend. De antwoorden op mijn vragen, zoals de verschijning mij gaf, waren duidelijk, bondig en in hoge mate logisch. Zij waren strikt zakelijk en ten enenmale boven al wat ik in staat was te bevatten. Wij kwamen tot de gevolgtrekking dat mijn ervaringen echt moesten zijn. 

Enige dagen later vertelde mijn nieuwe riend mij dat de orde waartoe hij behoorde, een volledige oplossing had voor de raadselen van het heelal, verstrekkender dan enig bekende leer. Dat men mij die leer wilde meedelen op voorwaarde dat ik er in toestemde haar als een onschendbaar geheim te bewaren. Toen keerde ik me boos tegen hem: ‘Ah, nu zie ik eindelijk uw ware gedaante! Nee, las u hebt wat u beweert en zo dit het ware is, is het goed dat iedereen het weet. De Bijbel verbiedt ons uitdrukkelijk het Licht te verbergen, en ik wens niet uit de bron van kennis te putten terwijl duizenden zielen hongeren naar een oplossing voor hun problemen, zoals ik nu.’

Daarop ging mijn bezoeker heen en bleef weg. Ik kwam tot de gevolgtrekking dat hij een afgezant van de zwarte broeders was. Ongeveer een maand later was ik ervan overtuigd, dat ik in Duitsland geen verdere geestelijke verlichting kon krijgen en besprak daarom passage op een stoomschip naar New York. Omdat het druk was, moest ik een maand op een hut wachten. 

Toen ik, na mijn biljet te hebben gekocht, op mijn kamer terugkeerde, stond daar mijn versmade  leraar en weer bood hij mij onderricht aan, op voorwaarde dat ik het geheim zou houden. Ditmaal was mijn weigering waarschijnlijk nog nadrukkelijker dan tevoren, maar hij ging niet weg. In plaats daarvan zei hij: ‘Ik ben blij te horen dat u weigert, mijn broeder, en ik hoop dat u altijd even vurig zult zijn inhet verspreiden van onze leer, zonder enige vrees of aanzien des persoons, net zoals u bij deze weigering bent geweest. Dat is de echte voorwaarde om de leer te ontvangen.’

Het was tijdens de maanden april en begin mei dat Max Heindel deze beproeving doorstond. Pas later werd hem verteld dat de kandidaat die zij aanvankelijk hadden uitgekozen, dr. Rudolf Steiner was, die gedurende enige jaren in opleiding was, maar zijn beproeving niet had doorstaan, omdat hij geen leider kon zijn voor de westerse leer, maar evenmin voor de oosterse. Max Heindel was eveneens een aantal jaren door de oudere broeders van het Rozenkruis als de eerstvolgende kandidaat, indien de eerste zou falen. Vervolgens werd hem verteld dat de leer voor het afsluiten van het eerste decennium (9 april 1910) van de eeuw gepubliceerd moest worden. 

Hem werden inlichtingen gegeven hoe de tempel te bereiken waar hij de leer zou ontvangen. Max Heindel schrijft hierover in het tijdschrift ‘Rays from the Rose Cross’ van januari 1916: ‘Om die plaats te bereiken gaf hij mij de opdracht de volgende morgen op weg te gaan naar een bepaald spoorwegstation in Berlijn, een kaartje te kopen naar een plaats waar ik nog nooit van gehoord had, en de trein te nemen die op een bepaalde, aangegeven tijd, zou vertrekken. Dienovereenkomstig begaf ik mij de volgende ochtend op weg naar het genoemde station, kocht een kaartje, en ondervond dat de trein vertrok op de tijd die mijn bezoeker mij had gezegd.  

Na aankomst op mijn bestemming ontmoette ik de oudere broeder zelf gehuld in zijn stoffelijk lichaam en werd ik door hem naar de omgeving vna de tempel geleid die niet stoffelijk, maar etherisch is en daarom onzichtbaar voor de mensen in de omgeving, die zich er niet van bewust zijn, dat de grote westerse wijsheidsschool in hun midden is bevestigd.’

Max Heindel verblijft in de tempel iets langer dan een maand, in direct contact met, en onder persoonlijk onderricht van de oudere broeder, die hem het gootste gedeelte van de leer, vervat in De wereldbeschouwing der Rozenkruisers meedeelt. 

Het eerste ontwerp van dit boek, dat gemaakt werd toen hij in de tempel was, was in het Duits gesteld. De leraar vertelde hem, dat het slechts hoofdlijnen waren. De zware, psychisch atmosfeer van Duitsland was bijzonder geschikt voor het overbrengen van esoterische denkebeelden op het bewustzijn van de kandidaat. Maar hem werd gezegd, dat het ongeveer 350 bladzijden tellende manuscript dat hij had geschreven, hem niet meer zou voldoen alschij de meer elektrische atmosfeer van Amrika zou hebben bereikt en dat hij het gehele boek dan zou willen herschrijven (Bron: Echoes juni 1914). In zijn enthousiasme betwijfelde hij dit aanvankelijk. Hij vond dat hij een prachtige, volledige boodschap had ontvangen. Maar de voorspelling van de oudere broeder zou juist blijken te zijn. Tot slot schrijft Heindel (in Echoes van juli 1913):

‘Bij het verlaten van de tempel gaven de oudere broeders mij bij het afscheid de volgende waarschuwing en advies: probeer nooit geld aan te trekken, zelfs niet voor het bouwen van de Ecclesia of het sanatorium. Gebouwen zijn dood, hoe mooi ze ook zijn mogen. Dus streef er liever naar bij oprechte mannen en vrouwen belangstelling te wekken, opdat deze beweging mag worden begiftigd met hun leven. Want alleen op deze manier kan het een levend deel van het werk in de wereld worden. Als u zich aan deze regels houdt, zullen er te zijner tijd, als het werk dit vereist, gebouwen van gepaste waardigheid komen, Maar als u deze waardevolle leer ooit dienstig maakt aan Mammon, zal het Licht verdwijnen en de beweging falen. ‘

Toen Max Heindel van de oudere broeder van het Rozenkruis het grootste deel van de leer ontvangen had die in De wereldbeschouwing der rozenkruisers is weergegeven, ‘vernietigde hij het onafgemaakte manuscript van het boek waarover hij dr. Steiner verteld had. Maar omdat ‘De wereldbeschouwing der rozenkruisers’ in grote lijnen de leer van Steiner bevestigt, achtte Heindel het beter het boek aan Steiner op te dragen, dan een plagiator te schijnen. […]

De achtergrond van Steiners leer was de Adyartheosofie en westerse elementen, hem verstrekt door een lekebroeder van de Orde van het Rozenkruis. De achtergrond van Heindel was eveneens de Adyartheosofie, een intensieve studie van vijf maanden van wat Steiner onderwees en de kennis die hij zelf van de oudere broeder ontvangen had en in een manuscript van ongeveer 350 pagina’s had vastgelegd. 

In Amerika aangekomen wilde hij dit manuscript herschrijven. Heindel was er toen nog van overtuigd dat Steiner op zijn manier de rozenkruisersleer aan Duitssprekenden verkondigde en dat hij, Heindel, eveneens de rozenkruisleer had ontvangen om die aan de Engelssprekenden mee te delen. 

Daar waar di van pas kwam, gebruikte Heindel met een gerust geweten vaak voorbeelden en citaten die ook bij Steiner voorkomen. En waarom ook niet; ze stamden immers uit dezelfde bron en waren bestemd voor hetzelfde doel? Bovendien had Heindel Steiner immers beloofd hem als bron te vermelden. 

Dat deed Heindel ook door zijn boek aan Steiner op te dragen. Omdat hij oprecht meende dat beiden in een gelijkwaardige positie verkeerden, zond Heindel hem een gesigneerd exemplaar en hoopte op een positieve reactie van Steiner, maar die bleef uit. Heindel moet daarop aan zijn leraar, de oudere broeder, hebben gevraagd wat de eigenlijke positie van Steiner was en kreeg te horen dat deze aanvankelijk was gedacht als hun boodschapper, maar niet geschikt werd bevonden omdat hij Oosters en westers occultisme vermengde. Steiner moet na de ontvangst van Heindels boek begrepen hebben, dat Heindel als veregenwoordiger van de Orde van het Rozenkruis was benoemd. Heindel begreep, na door zijn leraar over de juiste positie van Steiner te zijn geïnformeerd, dat zijn opdracht aan Steiner een fout was en heeft die in volgende drukken hersteld. […]

Steiner reageerde tussen 1913 en 1922 uitvoerig op het verschijnen van ‘De wereldbeschouwing der rozenkruisers’, op vijf verschillende plaatsen. Zijn toon klinkt steeds verbitterder, omdat Steiner inmiddels zelf ook zal hebben begrepen dat hij geen vertegenwoordiger kon zijn van de theosofie, nog van de rozenkruisers; en op 2 februari 1913 de Antroposofische vereniging stichtte, die volgens Steiner, ‘een veel breder gebied dan dat van de rozenkruisers omvat, namelijk dat van de gehele theosofie’. (Bron: ‘Von Jesus zu Christus’, Karlsruhe 6-10-1911)   

In een voordracht in Dornach op 11 oktober 1915 geeft Steiner toe dat hij afstand neemt van het Rozenkruis. Daarin zegt hij:  ‘Ik heb altijd geweigerd om betrokken te zijn met vormen van verouderd occultisme, met broederschappen en gemeenschappen op het gebied van esoterie. En alleen onder de garantie van volledige onafhankelijkheid heb ik een zekere tijd gewerk in een bepaalde verbondenheid met de Theosofische Vereniging en haar esoterische procedures, maar nooit in de richting die zij ging. Al in 1907 was alles wat werkelijk esoterisch was al volledig verdwenen bij de Theosofische Vereniging en de gebeurtenissen daarna zijn u goed bekend. Het is ook gebeurd dat occulte broederschappen mij bepaalde voorstellen hebben gedaan. Een zekere hoog-gerespecteerde occulte broederschap stelde mij voor om een bepaald occultisme te verspreiden dat zichzelf dat zich aanduidt met ‘Rozenkruis’, maar daar ben ik niet op in gegaan, ook al kwam deze van een hoog-gerespecteerde occulte beweging. Dit zeg ik om te tonen dat we een onafhankelijk pad volgen, dat geschikt is voor de huidige tijd.’

Bron: Max Heindel en The Rosicrucian Fellowship door Ger Westenberg (2003)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *