Dante Alihieri en zijn Divina Commedia, toelichting in het boek met 111 pastels van Juke Hudig

BESTEL DANTES DIVINA COMMEDIA IN 111 PASTELS

Juke Hudig koos 111 momenten uit de Hel, de Louteringsberg en het Paradijs in de vertaling in elfvoetige jamben van Christinus Kops uit 1930. Haar verstilde, meditatieve Dante-interpretatie getuigt van een grote kennis van de tekst en een eigen stijl die aan vele van haar voorgangers doet denken, wier eeuwenoude traditie zij voortzet, maar die tot geen van hen te herleiden is. Eigenlijk gaat het om staties in de klassieke betekenis van het woord. Staties zijn van oudsher plaatsen waar een processie stilhoudt. Juke Hudig laat ons op de tocht door Dante’s Komedie stilstaan bij momenten die we al lezend te snel zouden passeren. Hieronder volgt de toelichting van Miny Laman Trip-Kleinstarink die achterin het boek is opgenomen.

Als ik het atelier van Juke Hudig binnenkom om haar Dante-pastels te bekijken, is het leeg. Niet leeg in de zin van koud en onbewoond, maar heel ruim en licht: ontvankelijk en aan niets specifieks-van-nu gebonden. Grote klimplanten groeien langs het plafond en op tafel ligt De goddelijke komedie van Dante Alighieri, vertaald door Christinus Kops O.F.M. en opnieuw uitgegeven door Gerard Wijdeveld. Deze ruimte is er nu alleen maar voor Dante. Uit de kasten achter witte wanden worden in groepen de pastels, die Juke maakte van meer dan honderd momenten van de reis die Dante beschrijft, tevoorschijn gehaald en opgehangen. We gaan op weg door de Divina Commedia. Elke pastel opent een stukje van die wereld, en als we de  bijbehorende tekst lezen en in het verhaal plaatsen, zijn we alleen nog maar ‘daar’. 

Dante’s dichtwerk, dat uit honderd (ge)zangen bestaat, dateert uit het begin van de 14e eeuw en behoort tot de meesterwerken van onze cultuur. Steeds weer wordt het gelezen, bestudeerd en becommentarieerd. Het gedicht heeft veel beeldende kunstenaars geïnspireerd, van kort na het ontstaan tot nu toe – zo ook Juke Hudig.

C.G. Jung schrijft: ‘De meesterwerken van de kunst spreken de mensheid aan in het collectief onbewuste.’ Dat wil zeggen: ze brengen in tijdgebonden vorm iets naar boven van tijdloze waarheden, waarin ons leven wortelt. 

Dante’s verhaal is in de ik-vorm geschreven. Zijn eigen levensgeschiedenis is er dan ook sterk mee verweven. Dante Alighieri (Florence 1265 – Ravenna, 1321), dichter, schrijver, politicus, wetenschapper en denker, moet een geniaal mens geweest zijn, die over grote gaven van hoofd én hart beschikte. Hij was kenner van vrijwel alles, wat in zijn tijd te weten was. Hij kende de klassieken (vooral Vergilius); was op de hoogte van de werken van de filosofen; hij bezat ook veel kennis van de Bijbel, het kloosterleven en de theologie (in het bijzonder van Thomas van Aquino). Bernardus van Clairveaux, de bekende, invloedrijke cisterciënzer monnik en mysticus uit de 12e eeuw, werd zijn laatste begeleider in de hemelsferen.

Maar voor alles moet Dante een warm-levend, gelovend mens zijn geweest met een groot inlevingsvermogen. Hoewel hij met zekere overtuiging de vele personen die hij op zijn reis ontmoet, een plaats geeft in de Hel, op de Louteringsberg of in het Paradijs – toch maakt hij zichzelf nooit tot held. Veeleer leer je hem kennen als iemand die vaak met angst en beven voortgaat, en ook dikwijls aarzelt. Toch was ook een zekere hoogmoed hem niet vreemd. 

De essentie van zijn leven en zijn gedichten is de liefde. Hij wordt zich daar als negenjarige al van bewust als hij de bijna even oude Beatrice Portinari ‘ziet’, op wie hij verliefd wordt. Zij wordt mede een hoofdrolspeler in de Vita Nuova en de Divina Commedia. Het is het begin van een liefde die in alle dimensies zal worden beleefd en uiteindelijk kosmische allure krijgt. 

Maar het is ook een liefde die voor Dante en Beatrice nooit tot een huwelijk zou kunnen leiden. Het was in die tijd gebruikelijk dat kinderen op twaalfjarige leeftijd al werden uitgehuwelijkt. Zo trouwt Dante met Gemma Donati, die hem vier kinderen schenkt. Beatrice trouwt met de bankier Simone dei Bardi. Maar Dante’s liefde voor Beatrice, die hij vanuit de verte adoreert, vereert en idealiseert (geheel in de lijn van de troubadoursliefde, waarvan veel dichters en zangers in zijn tijd zongen), heeft zijn leven ten diepste vervuld. 

Haar dood in 1290 (op 24-jarige leeftijd) maakt hem wanhopig en wordt de aanleiding tot het schrijven van de Vita Nuova, waarin hij alle innerlijke belevingen in sonnetten bezingt. Aan het slot spreekt hij de hoop uit om – zo God hem tijd van leven vergunt – ooit nog over haar te spreken ‘als nog nooit over een vrouw gesproken is’. Dat zal hij waarmaken in de Divina Commedia. Deze liefde wordt na Beatrices dood steeds meer gesublimeerd en zelfs gemystificeerd, zodat Beatrice ten slotte door Dante vereenzelvigd wordt met de hoogstdenkbare, goddelijke wijsheid, de ‘Vrouwe Theologia’, die de ziel wordt van de ‘ware kerk’, zowel die van de aarde als van ‘de gemeenschap der Heiligen’, verenigd in de Hemelroos.

Beatrices liefde voor Dante uit zich al in de tweede zang van de Hel, als zij – wanneer Dante in de grootste ellende verkeert – Vergilius naar hem toe doet komen, die hem als vaderlijke vriend door de Hel en over de Louteringsberg zal begeleiden. Zijzelf zal hem leiden door alle hemelsferen, waarna Bernardus van Clairveaux hem tot de hoogste Godsbeleving brengt. 

In 1302 neemt Dante’s leven een dramatische wending. Tot die tijd woont hij voornamelijk in Florence. Als zoon uit een gegoede familie neemt hij enige jaren deel aan de stadsregering. Maar Florence was al jaren een innerlijk verscheurde stad, waar twee partijen elkaar beurtelings en heel letterelijk naar het leven stonden. In 1302 wordt Dante’s partij aan de kant gezet en hijzelf uit de stad verbannen. Hij verliest daarbij alles: zijn huis, zijn gezinsleven, zijn werk. Voortaan leidt hij een zwervend bestaan, waarbij hij gastvrijheid geniet op de kastelen van stadsvorsten in Noord-Italië.

In 1317 komt hij in Ravenna terecht; hij geniet de bescherming van Guido Novello da Polenta, die hem bewondert. In september 1321 sterft Dante echter vrij plotseling, nadat hij voor Da Polenta een missie naar Venetië heeft volbracht. Hij wordt begraven op het kerkhof van de San Francesco in Ravenna, waar zijn graf nog steeds is.  

Tijdens zijn ballingschap schrijft Dante onder meer aan de Divina Commedia, waarvan de drie delen Hel, Louteringsberg en Paradijs achtereenvolgens verschijnen in 1314, 1317 en 1321. Het hele werk bevat honderd zangen van elk ongeveer 135 regels en heeft een perfecte structuur. Het geheel wordt gedomineerd door het volledigheidsgetal 3 of veelvouden daarvan (3, 9, 18, 33). Na de inleidende zang volgen in 3 x 33 zangen Dante’s belevenissen op zijn reis die hij in 7 (ook een volledigheidsgetal) dagen maakt. 

Hoewel aangenomen kan worden, dat de gebeurtenissen van het jaar 1302 én zijn ‘midlifecrisis’ belangrijke aanleidingen zijn geweest tot de wanhoop van de eerste zang, situeert Dante zijn reis in het jubeljaar 1300, en wel in de week rondom Pasen, wanneer volgens de kerkelijke liturgie de gebeurtenissen van Christus’ lijden, de kruisiging, de hellevaart, de opstanding en de verschijningen, worden herdacht. In ‘de twaalf artikelen’ staat: ‘…die (Christus) heeft geleden ontder Pontius Pilatus, is gekruisigd, nedergedaald ter helle, de derde dag verrezen uit de doden, die opgestegen is ten hemel …’

Dante daalt de avond van Goede Vrijdag met Vergilius af in de duisterrnis van de Hel, die als een diepe trechter in de aarde is ontstaan door Lucifers val. Zij doorzwerven de Hel in alle negen geledingen tot zij vorbij de driekoppige Lucifer, die in de ijsmodder vastgeklonken zit, via een nauwe spleet in de aarde terechtkomen op het strand van het zuidelijk halfrond, dat door een zee omsloten is. Dan zien ze de sterren weer. Met het woord ‘sterren’ eindigt ieder deel van de Divina Commedia. 

Voor hij de eigenlijke Loutertingsberg kan bestijgen, moet Dante wel enige inwijdingen ondergaan. Als hij door de poort toegang krijgt, tekent een engel zeven P’s (Peccatum = zonde) op zijn voorhoofd. Telkens wanneer hij een ommegang van de berg zal hebben voltooid, wordt door een engel een P van zijn voorhoofd gewist onder het uitspreken van een zaligspreking. De laatste P wordt weggewist met de woorden: Zalig zijn de reinen van hart, zij zullen God zien. ‘Zien,’ vooral in de betekenis van ‘inzien’, is een wezenlijke ervaringsgave in de Divina Commedia. 

Deze zaligspreking is een belofte, een voorzegging en een omschrijving van het doel, waarheen Dante op weg gaat met Beatrice, die hij op de top van de Louteringsberg, in het aardse paradijs, weer mag ‘zien’. Zij doorzweven nu het grote lichtrijk van de hemelen, ook de negen sferen omvattend, waarover een hiërarchie van engelen hun zorgen uitstrekt.

Onder leiding van de mysticus Bernardus van Clairvaux en na een intens gebed tot Maria, mag Dante een blik werpen in het Empyreum, waarbij hij de hoogste Godsopenbaring in de drie lichtende kringen van de Drie-eenheid aanschouwt en beleeft. Dante heeft nu alle inzicht verworven,die een mens verwerven kan. En daarmee keert hij terug naar de aarde om de Divina Commedia te gaan schrijven, waarvan het doel is: de mens uit de ellende te leiden naar de ‘heelheid van het leven’, die in bijbels perspectief wordt uitgedrukt in Jezus’ woorden: ‘Gij zult God liefhebben met geheel uw ziel, geheel uw versgtand en alles, wat in u is, en uw naaste als uzelf.’

De Divina Commedia is het verslag van een ‘Jenseitsreise’, een literair genre dat Dante wel kende, ook vanuit de Bijbel.. Maar Dante’s ‘Jenseitsreise’ is van kosmische allure en biedt een gedetailelerd verslag van zijn ervaringen, ontmoetingen en bespiegelingen. In zijn boek Convivio en in een brief aan zijn gastheer/vriend in Verona, Can Grande, aan wie hij ‘Het Paradijs’ opdraagt, schrijft Dante dat je zijn reisverslag (evenals andere grote literaire werken) op vier manieren kunt lezen: in de letterlijke, de allegorische, de morele en de anagogische betekenis. Deze laatste plaatst het gegeven in de totaliteit van het leven en de levensvisie. 

In dit laatste pespectief wordt Dante’s reis een geestelijk en innerlijk proces, dat hij in voorstelbare, inleefbare beelden oproept. Zo inleefbaar, datr je bijna lichamelijk met hem mee kunt voelen, mee kunt huilen, mee in extase kunt raken, met hem de angst, de huiver, de ontzetting, de verdrukking kunt beleven en tegelijk ook de terughoudendheid om verder te gaan. 

Zo in-levend, in-voelend is Juke Hudig met hem op reis gegaan. Zij werd zijn reisgenoot en zag met hem, wat hij zag: de duistere huiveringwekkende diepten van de put in de aarde, die de Hel voorstelt. Zij voelde wat hij gevoeld moet hebben: de kleinheid van de mens in de donkere verlorenheid, waar het vastklampen aan een medemens de enige hoop op overleven biedt. 

Maar zij zag ook met hem in de verte bij de opgaande zon van de Paasmorgen de helende plek van de Louteringsberg, die ze aanvankelijk voorstelt als een reuzen-rose kwarts, die later evenwel een moeizaam begaanbare, steile blauwgroene rots blijkt te zijn. En zij zag Dante ook in de ijle sferen van de hemelparadijzen samen met Beatrice en met de engelen opstijgen naar de hoogste mystieke beleving, waar alle beeldvorming tot de kleinste proporties is teruggebracht en het onvoorstelbare alleen nog kan worden aangeduid met vonken en flarden licht en zachte kleuren, waarin menselijke gestalten soms nog net herkenbaar zijn. 

Juke Hudig heeft met deze cyclus Dante’s Divina Commedia niet geïllustreerd. Ze heeft veeleer lezend, zich inlevend, momenten in beeld gebracht die haarzelf raakten of die tot herkenning leidden. Het is daarom geen stripverhaal, geen eigen verhaal geworden. Ze volgde Kops’ vertaling van Dante’s verhaal, die de leidraad werd voor haar beelden. Vooral de sferische ruimten waarin vele van deze beelden zich afspelen, zijn heel sterk. Lichamelijk, psychisch, geestelijk raken ze je. Je bladert niet meteen verder, maar wordt uitgenodigd stil te staan bij de gebeurtenissen, de tekst, de eigen herkenning. 

Het is een hele kunst zo met Dante op weg te gaan, de reis vol te houden en … met hem aan te komen. Je voelt hoe het ook bij haar, vooral in de laatste beelden, een ver-boven-zichzelf-uitreiken wordt. Juke Hudig heeft met deze wijze van uitbeelden de Divina Commedia voor de mens van nu heel dichtbij gebracht. 

Miny Laman Trip-Kleinstarink (1924-2015)
emeritus remonstrants predikante
Warnsveld, augustus 2000

Bron: ‘Dante’s Divina Commedia in 111 pastels’ door Juke Hudig

BESTEL DANTES DIVINA COMMEDIA IN 111 PASTELS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *