12. Op weg naar de heilige graal – heb uw vijanden lief – boek van Antonin Gadal

 

BESTEL OP WEG NAAR DE HEILIGE GRAAL

Ik heb de geest aanschouwd, nederdalende als een duif uit de hemel; en Hij bleef op Hem. En ik kende Hem niet; maar Hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, die had tot mij gezegd: Op wie ge de geest ziet nederdalen en op hem blijven, die is het, die doopt met de Heilige Geest.

Johannes de Doper (Het Evangelie van Johannes 1:32,33)

Boven de Églises van Ussat en de grot van Ornolac, de Heremiet genaamd, op korte afstand van beide, bevindt zich een kleine, alleenstaande grot, die uitziet over de gehele vallei en het meer van de Ariège en bijzonder geschikt is voor lange overpeinzingen.

Deze plaats is uitgekozen voor de retraite en de vasten waaraan de toekomstige Parfait vlak voor ‘de dood zijner materie’ wordt onderworpen: de rups is bezig een pop te worden. Het is een zorgvuldig uitgezocht oord, dat tegelijkertijd aangenaam en sober is; waarlijk een ideale plaats om in innerlijk evenwicht de crisis en de aanschouwing der waarheid te doorleven, die alle profeten, alle inwijders, alle ingewijden hebben gekend, alvorens zij aan de wereld der materie werden teruggegeven om er hun zending te volbrengen.

De grijsaard brengt Mattheüs dus naar zijn nieuwe, tijdelijke verblijf. De grot is voor dat doel ingericht: de zon heeft er de gehele dag toegang, een bed van bladeren is, buiten de tocht, op de grond gespreid, een grote platte steen in het midden dient als tafel, en een andere steen doet dienst als zetel. Acacia’s en terebinten, die aan de ingang groeien, voorzien deze van een altijd helder groen.

‘Dit is nu uw retraite-oord, mijn zoon. Maak u de dagen die komen goed ten nutte; overdenk alles wat wij u hebben mogen onderrichten; voltooi het rijpen van de vrucht die weldra zeer zoet zal blijken te zijn, want ge zult dan waardig zijn er naar hartelust van te eten.’ En de grijsaard keert terug naar zijn talrijke bezigheden.

Als Mattheüs zijn eerste gebed op deze plaats beëindigd heeft, werpt hij vanuit de ingang van zijn retraite-oord een blik op het landschap. Vanuit deze hoge uitkijkpost kan hij het gehele dal en het meer, die hem zeer klein lijken, overzien, evenals de berg aan de overzijde, welks rotspartijen zich schijnen op te lossen in de bergflanken.

Volgens zijn goede gewoonte verplaatst hij zich in gedachten naar lang vervlogen eeuwen. Hij overweegt hoe, naar het getuigenis der ouden, er reeds toen in Midden-Azië natuurlijke rotstempels bestonden. Hij denkt aan de mysteriën van het Atlantische tijdvak; aan de goden Zon en Maan, die uit de bergen oprezen; aan de stenen, grotten, stenen-rijen en mysterieplaatsen der oude Kelten; aan de caverne, vol bloemen en bronnen, die aan de Schepper is gewijd; en aan de gangbare gewoonte grotten, bergkloven en grillige bergvormingen te gebruiken voor de mysteriën.

Hij ziet ten volle in dat de oudste eredienst plaatsvond in natuurlijke of kunstmatige grotten, omdat deze zo uitermate geschikt zijn om de almachtige scheppende Essentie te ontmoeten.

Wat komen de Églises, zijn Églises, hem nu mooi voor en hoe dierbaar zijn zij hem!

De dagen der retraite lijken wellicht lang. In werkelijkheid echter komen ze Mattheüs, die in een toestand van voortdurende innerlijke vervoering verkeert, kort voor.

Zijn ogen zien niet; zijn ziel, die ten dele vrij van het lichaam is, zet haar reiniging en regeneratie voort. Zij wordt mooi, stralend en verwijdert zich meer en meer van de aardse atmosfeer.

De Parfait legt langzamerhand zijn dierlijke lichaam af en vormt zijn zielelichaam: het werk van de rups, die de pop vorm geeft.

Het komt hem echter voor dat hem iets ontbreekt. Maar wat? Hij zou het niet kunnen zeggen.

Op zekere dag strijkt een zwerm vogels van over de hoge bergtoppen in het dal neer. In tegenstelling tot zijn gewoonte volgt Mattheüs vol aandacht hun vlucht en poogt de soort te herkennen.

Plotseling, terwijl de groep, hoog vliegend, de kronkelingen van het dal volgt, maakt één vogel zich los van de andere en richt zich naar de retraite-grot, de grot van de Acacia.

Mattheüs, die hierdoor getroffen wordt, verliest de vogel die, zonder overhaasting, met een kalme, regelmatige vlucht nadert, niet uit het oog.

‘Ach,’ zegt hij bij zichzelf, ‘een duif!’ Dit woord brengt hem zo in verwarring dat hij, terwijl hij zijn ogen op het symbolische dier gericht houdt, op de knieën valt. ‘De duif!… De duif!…’

Het is hem alsof zich een verandering in hem voltrekt. Een innerlijke verrukking maakt zich van hem meester. Hij ziet innerlijk de duif in de grot komen, zich een ogenblik op zijn hoofd neerlaten en weer heengaan, met dezelfde gratie waarmee zij gekomen is. Zij volgt het dal en verdwijnt aan de horizon. Welk een verheven tafereel!

Hij komt weer tot zichzelf, en roept in vervoering: ‘De duif!… De Parakleet!… O Christus, heb dank!… Mijn God, uw naam worde geheiligd!’

Vanaf die dag blijkt Mattheüs zichzelf nog meer meester te zijn. Zijn zelfonderzoek verruimt de cirkel binnen welke de kennis zijner Broeders zich gewoonlijk beweegt. Een nieuwe gave ontspruit aan zijn bewustzijn, die hem instaat stelt vastbesloten de hogere graad van inwijding binnen te gaan.

In deze periode van afzondering laat hij niet na op spirituele hoogten rond te dwalen, die hem tot dusverre zeer weinig bekend waren. Zo komt hij tot klaar inzicht over de diepe historische gronden van hetgeen hem onderwezen is:

‘De ziel, die door het licht gereinigd is, treedt binnen in het domein van het levende water. Op dit levende water vaart het lichtende schip van de Maan. Om de hemelse regionen te kunnen binnengaan, moet de ziel het lichtende schip van de Maan betreden. Van daar voert een ander lichtschip, de Zon, verder, nog verder, tot in het vuur des levens. De ziel is dan tot haar oorsprong teruggekeerd, tot de Koning des Lichts, tot het Paradijs.’

Dan wordt Mattheüs ook duidelijk wat hij tot dan nog niet begrepen heeft: een tekening die een Broeder van de tempel van de geest, op de wand van de grot aangebracht heeft: een schip, varende op een oceaan vol gereinigde zielen; in het midden van het schip een iesmon-resj, die door een krachtige hand wordt vastgehouden; links ervan is een adelaar zichtbaar, en rechts een Christusmonogram. Het stelt de Christuskolom voor, het lichtschip van de Zon; het is de Aarde die, dank zij de Christus, door de opstanding gered is.

De adelaar van de goddelijke geest, de boom des levens, het schip van Isis, de lichtzuil, al deze voorstellingen, met enkele lijnen grofweg, maar met krachtige hand en verlicht inzicht getekend, omvangen zijn bewustzijn naar de diepe zin, die de ouden erin tot uitdrukking brachten. En hij beseft hoe groots de erfenis is waaraan hij deel heeft gekregen, een erfenis die hem verbindt met de Atlantiërs, de Hindoes, de Perzen, de Babyloniërs, de Egyptenaren.

Zo vindt hij ongetwijfeld, als hij des avonds, aan de ingang van de grot gezeten, zijn ogen naar de sterrenhemel opslaat, de Christus Demiourgos, wiens hemelse macht de schepping gewrocht heeft.

Zijn overpeinzingen betreffen bij voorkeur het leven van Maria Magdalena: hoe zij in de Provence aankwam en zich vestigde bij de Tarusken aan de Rhône, verwant met de Tarusken van de Sabarthez, van wie hij, Mattheüs, een waardige afstammeling is.

Er is in dat alles een mysterie dat hij gaarne zou ophelderen. Min of meer vanzelf komen zijn gedachten op de gouden kelk van Jezus en hij kan zich daarna de gewijde beker niet meer voorstellen los van Maria. En dan ziet hij de gebeurtenissen achtereenvolgens voor zich.

Maria die, toen zij er bij tegenwoordig was dat Salomé het hoofd van Johannes de Doper aan Herodias aanbood, een luide kreet slaakte: want de ogen, die tot dat moment gesloten waren geweest, openden zich wijd en keken haar aan… O mysterie der mysteriën!

Maria die, in haar kamer teruggekeerd, haar kleed uitschudde en huiverde toen zij bemerkte dat er zich druppels van het bloed van Johannes op de stof bevonden.

Maria, die door een onbekende kracht werd aangezet naar Magdala te gaan en daarom Herodes verlof vroeg naar haar huis terug te mogen keren.

Maria, die verheugd was haar tehuis en de schoonheid van Galilea weer te zien, en ook haar vroegere leven en losbandigheden te mogen vergeten.

Maria, die vergezeld werd door de geheimzinnige Egyptenaar Ahmosi, die haar ondersteunde toen zij in zwijm viel bij het vernemen van de eerste hamerslag die de eerste spijker indreef.

Maria die, toen zij zich voor Maria, de moeder van de Christus, bevond, lange tijd, bleek, met gebogen hoofd bleef staan.

Maria die op de knieën viel toen zij deze goddelijke woorden van de Christus vernam: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.’

Maria, die zacht tot haar broers zei: ‘Kom, laat ons gaan!… Wij hebben niet langer het recht hier te zijn.’

Maria, die de Heer met kostbare nardusolie zalfde en die zijn voeten met haar haren afdroogde, zoals Johannes, de zeer geliefde apostel, het beschrijft.

‘De moeder van Jezus en de zuster van zijn moeder, Maria, de vrouw van Cleopas,’ zo vervolgt Johannes, ‘waren, samen met Maria Magdalena, bij zijn kruis. Toen Jezus dan zijn moeder zag en naast haar de discipel die hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: ‘Vrouw, zie uw zoon!’ En daarna zei Hij tot de discipel: ‘Zoon, zie uw moeder!’

Mattheüs herkent hierin een goddelijke opdracht: Maria is de moeder van de Kerk van Jezus, de Kerk van de Geest. Johannes, zoon van Maria, Moeder van de Kerk van de Geest, werd het hoofd van deze Kerk.

En Maria Magdalena?

‘Een van de soldaten stak met een speer in Zijn zijde, en terstond kwam er bloed en water uit. Maria was nog steeds daar, met een beker in de hand; en haar tranen vielen op de voeten van de Christus, en zij wiste ze met haar haren af, als wilde zij het goddelijke lichaam zalven.’

Ja!… Ja!… De beker!… Het bloed van de Christus!… Maria!… Dát was de zin van de blik waarmee Jezus, na Johannes zijn opdracht te hebben toevertrouwd, Maria Magdalena lang had aangekeken. Dát was de opdracht die Maria van Jezus Christus had ontvangen.

Johannes en Maria hadden beiden hun opdracht begrepen. Johannes: de zorg over de Kerk van de Geest, Maria: het hoeden en bedienen van de beker, de heilige Graal.

Toen volgden de gebeurtenissen elkaar snel op: Maria Magdalena, die met Martha, Trophimus en Maximinus op een boot van Ahmosi naar Rome werd gebracht, vervolgens naar Massilia, aan de oevers van de Rhône, bij de Tarusken uit de streek van Tiberias, broeders der Tarusken van de Sabarthez.

Maria nam haar intrek op een berg, in een grot, evenals haar Meester, en kweet zich in het Gallische land zo goed van haar taak dat men van de Rijn tot de Pyreneeën naar La Baume trok en de Via Aureliana voortdurend overdekt was met pelgrims en afgezanten van de volksstammen.

Intussen had de laatste hogepriester, de grote adept van Thebe, Maria en hen die met haar waren te Rome verlaten; Ahmosi was naar Egypte teruggekeerd om er, tegelijk met de laatste hiërofanten van Hermes, te sterven. O Egypte! Egypte!

En Mattheüs heeft nu, evenals hij, de eeuwige hoop, de God van liefde, gezien.

Op een avond deelt de grijsaard hem mee dat het einde van zijn verblijf in de grot van de Acacia aangebroken is. Zijn retraite moet nu in Keplèr worden afgesloten. Mattheüs verlaat zijn verblijfplaats en volgt de Meester op het pad naar Bethlehem.

Bron: Op weg naar de Heilige Graal – de oude Kathaarse mysteriën door Antonin Gadal

BESTEL OP WEG NAAR DE HEILIGE GRAAL

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *