9. Op weg naar de heilige graal – De Zoon vermag niets uit zichzelf te doen – boek van Antonin Gadal

 

BESTEL OP WEG NAAR DE HEILIGE GRAAL

De Zoon vermag niets uit zichzelf te doen, tenzij Hij het de Vader ziet doen; want wat de Vader doet, dat doet de Zoon eveneens, want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem alles wat Hijzelf doet.

Jezus (Johannes 5:19,20) 

Met grote ijver volgt Mattheüs de lessen van zijn verschillende meesters en legt hij zich toe op de studie van de Heilige Schrift. Vastbesloten begeeft hij zich op het gebied van de geest.

‘Werk niet om de spijs die vergaat, maar om de spijs die tot in het eeuwige leven blijft, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt.’

Zó heeft Jezus het bevolen, en Hij moet gehoorzaamd worden. En de opdrachten van de goddelijke volgen elkaar op:

‘Ik ben het brood des levens; wie tot mij komt, zal nimmer meer hongeren, en wie in mij gelooft, zal nimmer meer dorsten. De geest maakt levend, het vlees dient tot niets. De woorden die ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven. Wie in mij gelooft, zal leven, zelfs wanneer hij gestorven zou zijn; en wie leeft en in mij gelooft, zal nimmer sterven.’

Het is voor Mattheüs niet altijd gemakkelijk terstond de hoge strekking en geestelijke waarde der goddelijke woorden te begrijpen. Maar de meesters zijn goed, vriendelijk en geduldig, en herhalen dikwijls de uitleggingen die niet of onvoldoende begrepen zijn. Van zijn kant laat de altijd toegewijde en volhardende leerling geen minuut voorbij gaan zonder zich de lessen en de herhaalde uitleggingen ten nutte te maken. Bovendien is noch voor de broeders, noch voor Mattheüs, tijd van enige betekenis.

‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven: niemand komt tot de Vader dan door mij. En ik zal de Vader bidden, dat Hij u een andere Trooster zende, die eeuwig met u zijn zal. De Trooster, de Heilige Geest, die mijn Vader u zal zenden in mijn naam, zal u alles onderrichten en u alle dingen in herinnering brengen die ik u gezegd heb. Wanneer Hij komt, de geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid.’

En hij herhaalt de woorden van Johannes, de welbeminde: ‘God is liefde en wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.’

Ja, Mattheüs begrijpt het tenslotte heel goed: godsdienst is het dienen van de geest; het hemelse brood maakt het leven in de geest mogelijk; en de kracht van de doop en de daardoor veroorzaakte geestelijke aanraking zijn hemelse genadegaven, een aankondiging van de Heilige Geest om de openbaring te voltooien. Al deze dingen doen zijn aanvankelijke inzicht langzamerhand groeien en rijpen en beginnen hem het kathaarse evangelie naar letter en geest te openbaren.

Wat Mattheüs bijzondere vreugde geeft, zijn de ongekunstelde verhalen, die de grote broeders, zonder onderlinge logische samenhang, maar zonder twijfel met het doel de ideeënwereld van de leerlingen te verrijken, om beurten vertellen met betrekking tot het leven van Jezus, dat bij het volk in vele opzichten niet bekend is.

Hij ziet zichzelf bij de essenen, te wier midden Jezus een aantal jaren heeft doorgebracht; hij beleeft in gedachten hun leven van retraite en zwijgen mee, en komt tot ernstige en nuttige vergelijkingen met het leven van de Parfaits.

De essenen bestudeerden zorgvuldig de verborgen krachten en werkingen van planten en mineralen; sommigen van hen bezaten de gave der profetie; zij verlangden een noviciaat van drie jaren alvorens intrede in de broederschap mogelijk was. Hierna volgden de gemeenschap der maaltijden, de gewijde kleding, gebeden, zwijgzaamheid, het verbod om te zweren; afkeer van de leugen, nederigheid, een voorbeeldig moreel leven en de esoterische overlevering der profeten.

Wat Mattheüs voorts niet ontgaat is: heiliging van het bewustzijn, individuele vrijheid, reiniging door ingetogen leven, het strikt nakomen van de ordeverplichtingen en het volstrekt bewaren van de ordegeheimen.

Daarop volgde bij de essenen logischerwijze: bevrijd uit de boeien van het lichaam, als uit een langdurige slavenstaat, stijgt de ziel met vreugde op; liefde tot de naaste; het verbod om ter bekrachtiging van de waarheid een eed te zweren; afzondering in en liefde voor de grotten, hun belangrijke rol bij diepe meditatie; het broederlijke heilige avondmaal in verband met de toebereiding tot het offer; het mysterie van de Zoon des mensen en van de Zoon van God.

De voornaamste heilige grotten: de grot van En-Gedi in Palestina, aan de oever van de Dode Zee, en vooral die van Egypte, aan de oevers van het Moerismeer, worden hem zeer vertrouwd.

Zelfs de hoogste inwijding van de vierde graad, aan de Christus verleend, wordt hem tot in alle bijzonderheden bekend. Welk een groots schouwspel: een ruime zaal in het binnenste van een grote grot, met een tafel en, in een halve cirkel eromheen, stenen zetels. Het hoofd van de orde en de Anciens, de Ingewijden, die fakkels en palmtakken in de handen houden, zijn voor de mysterieuze ceremonie in de zaal aangekomen. Na gebeden, gezangen en sacramentele woorden van de Ancien, spreekt deze over de heilige beker, die door het hoofd van de Orde met de grootste zorgvuldigheid wordt bewaard, die niemand buiten hem heeft aanschouwd, en die slechts mag worden gereikt aan een grote ingewijde, die onmiskenbare bewijzen geeft van zijn profetische zending.

Abraham heeft deze beker van Melchizedek ontvangen in de vorm van het brood en de wijn. Deze beker, die het symbool is van de hoogste inwijding, bevatte de wijn van de wijngaard des Heren, het symbool van goddelijke inspiratie. Mozes heeft met de zeventig uit deze beker gedronken.

Hier zwijgt de Ancien… er heerst enige minuten een indrukwekkende stilte, waarin allen zich aan het gebed overgeven. Dan staat tenslotte het hoofd van de Orde langzaam van zijn afzonderlijk geplaatste zetel op, loopt op Jezus toe en biedt Hem de gouden kelk, de beker, aan, terwijl hij spreekt:

‘Deze kelk is mij lang, heel lang geleden toevertrouwd: ik heb hem met al mijn liefde en eerbied bewaard. Van Melchizedek tot Abraham, van Mozes tot de honderdjarige die ik ben, zijn de wetten van de orde nimmer overtreden. En de grote wet zegt dat de beker, de gouden kelk, slechts mag worden overgegeven aan een Meester, bij wie het hoofd van de orde met zekerheid tekenen van een profetische zending heeft waargenomen.

Hieraan voeg ik, overeenkomstig de wet, toe: Niemand kan voor degene die de gouden kelk ontvangt, deze zending omschrijven: hij moet deze uit eigen innerlijke kracht vinden. Jezus, ik overhandig u de gouden kelk.’

Jezus neemt de beker aan… Hij is bleek… Hij is bedroefd…zijn blik schijnt verloren, reeds zeer ver weg te zijn.

De gedachte aan de beker, de gouden kelk, laat Mattheüs niet los.

Markus, sprekende over het avondmaal, zegt: ‘Nadat Hij de beker genomen had…’ En Mattheüs zegt ervan: ‘Nadat Hij de beker genomen had…’ En Lucas verhaalt: ‘Na de maaltijd reikte Hij hun de beker, zeggende: Deze beker is het Nieuwe Testament in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.’

Johannes, de zeer beminde, zegt niets; zonder twijfel omdat hij, de ingewijde, de geheimen kent en ze niet mag verraden. Hij, de discipel die Jezus liefheeft, en die de enige is die de waarheid vermoedt, heeft stil zijn hoofd naar ’s meesters borst gebogen.

Een sublieme gedachte, die hem het offer van Jezus doet ontwaren. Want deze beker der waarheid, deze gouden kelk van de profetische zending, deze beker van de goddelijke liefde, de gouden kelk, waarin Jezus reeds zijn bloed ziet, reikt Hij aan zijn apostelen, aan zijn discipelen: Hij vertrouwt hem hun toe in een verheven en teder afscheid: de beker, de gouden kelk… de heilige Graal.

Maar de goddelijke meester weet reeds lang wie, tenslotte, op zijn beurt de heilige bokaal zal moeten bewaren en verdergeven.

Bron: Op weg naar de Heilige Graal – de oude Kathaarse mysteriën door Antonin Gadal

LEES OF BELUISTER ACHTERGRONDEN EN VERKLARINGEN BIJ DIT BOEK

BESTEL OP WEG NAAR DE HEILIGE GRAAL

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *