Inwijding bij de katharen – achtergronden en verklaringen bij ‘Op weg naar de Heilige Graal’ van Antonin Gadal

 

Eerste deel: De grotten der Églises van Ussat : 1 en 2, 3, 4, 5, 6, 7

Tweede deel: De grotten der Églises van Ornolac. De Heremiet : 8, 9, 10, 11, 12

Derde deel: Bethlehem : 13, 14, 15

Op deze website worden de vijftien hoofdstukken van het boek Op weg naar de Heilige Graal van Antonin Gadal via de bovenstaande links (wekelijks) beschikbaar gesteld in de vorm van teksten en ingesproken teksten. Deze gaan over een weg van inwijding zoals die in de middeleeuwen werd gegaan door de katharen die leefden en werkten in en bij de grotten van de Sabartez in de bergen in Zuid-Frankrijk. Die weg is niet meer van toepassing is voor de huidige mens die een pad van geestelijke bewustwording en vernieuwing wil gaan, maar de ziel kan zich wel laten inspireren door het gebodene. Hieronder wordt het een en ander nader toegelicht. 

Het leven van Gadal

In het zuiden van Frankrijk, in het Occitaanse land, de Languedoc, waarvan Toulouse de hoofdstad is, ligt een bijzondere streek: de Sabarthez. Het is een uitgestrekt dal met meerdere valleien en bergtoppen. Aan de kronkelige Ariège liggen op een scheurvormige breuklijn de dorpjes Tarascon, Ussat, Ornolac. Er zijn in die streek evenveel grotten als er gaten zijn in een gruyère kaas.

Daar, in precies dat gebied, klopte in de middeleeuwen het hart van het Katharisme. De Katharen waren de vrijen van geest van het zuivere oorspronkelijke Christendom. Hun devies was: God is Liefde. Zij leefden in eenvoud, dienstbaar aan de mensen, vertrouwend op hun innerlijke licht en vrij van politiek of kerkelijke dogma’s. Hun eenvoud des harten, hun zuivere levensstijl en hun onwankelbare vertrouwen in de Hemelse Schepper zorgden voor een grote aanhang in het Zuiden van Frankrijk. Dit was kerk en staat niet welgevallig, reden waarom zij met harde hand door de Inquisitie werden uitgeroeid.

Maar de adem van de Vrije Geest liet zich niet verjagen. De kracht van de Kerk van de Liefde nestelde zich in iedere rotsspleet, en bleef uitwaaieren, hoog, hoog, boven de Pic de Saint Barthélemy waar de adelaars zweven. En altijd waren er behoeders, bewaarders van het erfgoed van het zuivere Christendom. 

Antoine Gadal was één van hen. Opgegroeid in de streek van de Sabarthez, van jongs af aan onderwezen in haar geschiedenis en opgaand in de bijzondere atmosfeer van het Ariège dal, groeide hij uit tot een van de markantste figuren van de streek. Hij had rond 1930 niet alleen alle grotten onder zijn hoede, maar ook het beheer over de thermale baden. Hij was eigenaar van het plaatselijke VVV, afgevaardigde van de streek voor het département en bekend archeoloog met een grote geologische kennis. Maar dat was niet alles. Zijn liefde voor de streek, bracht hem ertoe diep door te dringen in het gedachtegoed van de vrije geest, het gedachtegoed van de Katharen, waarvan hij werkelijk overal de tekens terugvond. In inscripties, in de grotten, en door intuïtieve waarneming. Zo werd hij de behoeder van de geestelijke schat der katharen en de bewaarder van het erfgoed van de streek.

Lang, heel lang, moest hij deze schat in zijn gemoed bewaren, wachtend op het juiste moment van overdracht. Alle krachtlijnen die samenkwamen in het dal van de Sabarthez, al die krachtlijnen, doortrokken van de Geest van Liefde had hij beschreven, en nu was het wachten op een aanknopingspunt zodat dit stralende geheel als een ware schat kon worden overgedragen.

Dat moment kwam pas laat in zijn leven, toen hij al de 80 gepasseerd was. Geduld! Volharding! Dat waren zijn kenmerken. Het aanknopingspunt diende zich tenslotte aan in de vorm van de vertegenwoordigers van het Gouden Rozenkruis. De bewaarder van het erfgoed der Katharen zag zijn levensopdracht vervuld in de ontmoeting met Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri. In het boek De Triomf van de Universele Gnosis staat deze ontmoeting uitgebreid beschreven.

Zeker is, dat het geluk dat hun drieën ten deel viel, Gadal inspireerde en met vreugde vervulde. Kind van zijn landstreek, waarnemer van de kronieken van de tijd, dompelde hij zich nogmaals onder in de aloude christelijke mysteriën en schreef het boek: Op weg naar de Heilige Graal.

BESTEL OP WEG NAAR DE HEILIGE GRAAL VAN € 15,50 VOOR € 7,50

(EN ONTVANG GRATIS HET BOEKJE MONTREALP DE SOS – DE GRAALBURCHT)

De titel en de inhoud van het boek

De weg naar de Heilige Graal en later ook de benaming De weg der sterren zijn aanduidingen van de oude Kathaarse broederschap voor het Ene pad dat voert naar het ware Leven, het Pad van terugkeer tot de oorspronkelijke menselijke levensstaat.

In het boek volgen wij Mattheüs op zijn weg door de oude Kathaarse mysteriën. Wij kunnen het lezen als een verhaal uit de Middeleeuwen, met een leven van boetedoening en afzien voor een hoger ideaal. Dan is het een ridderverhaal in een religieuze context, met beproevingen, verslagenheid en heldendom en een gelukkige afloop. 

Toch was dat niet wat Gadal voor ogen had. Zeker, hij koos voor de verhaalvorm, omdat dat de meest natuurlijke manier was om zijn kennis én vooral zijn eerstehands ervaring over te dragen. Het ging hem niet om de uiterlijkheden. Het ging hem om zijn inwijdingsweg, de weg van een ontvankelijke ziel. Want het is de ziel die wordt ingewijd. 

De ziel die als een ‘lapis ex coelis’, een hemelsteen, een lichtscherfje in het hart van de mens ligt te wachten tot zij weer met de oorspronkelijke Lichtkroon verbonden wordt. Dan is zij weer de Lichtziel, het hoogste doel van de Parfaits. Het is de ziel die verbonden is met de levendmakende Geest. En de aardse mens? Hij ontdekt zijn opdracht als dienaar van deze ziel.

De drie fasen op ieder inwijdingspad

Op de weg naar het uiteindelijke doel, de Graal, op dit Pad van de Liefde, kunnen wij drie fasen onderscheiden.  De drie delen waaruit het boek bestaat weerspiegelen deze drie fasen. Deze drie fasen staan voor de drie bewegingen van de ziel. Dus: drie fasen – drie delen- drie bewegingen van de ziel.

Het eerste deel van het boek speelt zich af in de grotten van de Églises van Ussat. Op de titelpagina van dit deel vermeldt Gadal: het verzaken van alle aardse bezit en het binnengaan in de gemeenschap. Deze twee sleutelbegrippen markeren het begin van het pad van iedere Mattheüs, iedere Godzoeker, die op weg gaat naar het Allerhoogste. Het is opmerkelijk dat dit eerste deel de helft van het boek beslaat! De eerste fase heeft duidelijk tijd nodig, er hangt veel van af zou je kunnen zeggen. 

Zodra Mattheüs over de drempel is, begint een tijd van werken, gebed en onderricht. Wellicht bezien wij met een romantisch beeld de hardheid van het leven in de grotten, en ondergaan wij het vele knielen en de oprijzende gebeden met een afstandelijke blik. Maar Gadal schreef geen roman. Hij schreef een ervaringsweg die begint met: het verzaken van het aardse bezit. Achter de beelden die hij beschrijft ligt het universele besloten. Want wie het pad van de Liefde betreedt, zal de koffers van zijn ego moeten achterlaten. Dat is van alle tijden. 

Nu in onze tijd leven wij niet in grotten, ook in het hedendaagse Gouden Rozenkruis knielen wij niet in onverwarmde vertrekken op koude vloeren en hangen wij geen wereldse meesters aan. Maar de aansporing tot het minder worden van het ego klinkt onverminderd krachtig. Inzicht in het eigen wezen kàn niet overgedragen worden als een vlam van een toorts. Inzicht, zelfkennis, en het leren zien van de obstakels die de instroom van het Licht in de eigen binnenkamer verhinderen, kan alleen door ervaring, door bewustzijn, tot stand komen. 

En hoewel het hier een ineigen ontwikkeling betreft, waarin onderscheidingsvermogen wordt ontwikkeld tussen dat wat van de ziel is en dat wat van de aardse persoonlijkheid is, staat de mens hierin nooit alleen. Het tweede sleutelbegrip spreekt immers over: het binnengaan in de gemeenschap. Mensen zijn individualistisch en gaan het liefst hun eigen weg. Zielen echter reizen nooit alleen, zij worden magnetisch naar elkaar toegetrokken, zij vormen tezamen een gemeenschap waarin het Licht, het Universele Licht kan worden opgevangen zodat er mee gewerkt kan worden. Dergelijke gemeenschappen maken altijd deel uit van de Universele Broederschap van het Licht.

De eerste fase, die naar binnen gericht is, de fase van inzicht en zelfkennis komt dan ook voor Mattheüs tot rijpheid in het licht van de gemeenschap, waarin met name de ‘ancien’, de oudere broeder, hem tot grote steun is. Evenals in het boek deze fase de helft van het aantal bladzijden beslaat, is deze fase in een mensenleven een langdurig proces, dat op ieder moment, zelfs nog aan het eind van een leven, grote stappen van verdieping kent. Het is het leeg worden van het ego, waarin steeds subtiele sluiers opzij worden geschoven om plaats te maken voor het zuivere licht van de ziel. In de eerste fase beweegt de ziel zich naar binnen. Gadal spreekt van: Formatie.

Dan breekt de tweede fase aan. De ziel die eerst naar binnen was gericht en daar nu ruimte heeft verkregen en vrij kan ademen, kan zich gaan oprichten. Zij gaat zich omhoog bewegen. De ondertitel van het tweede deel van het boek is de Heremiet. Een heremiet is een kluizenaar, hij leeft vaak in eenvoud, zonder aardse goederen, gericht op hogere doeleinden. Voor Mattheüs betekent deze tweede fase een kennismaking en verdieping van de universele symbolen en mysteriën. De afdruk hiervan wordt hem getoond in concrete afbeeldingen in de grotten, en leringen over het oude Egypte, de bakermat van het Oorspronkelijke Christendom. 

Temidden van zijn broeders en gedurende de gedetailleerde ceremonieën, is het of zijn ziel reist door al de gebieden van stof en geest. Zij leert lezen in de mensheidsgeschiedenis, en zij drinkt de wijsheid van het Licht in, waardoor zij sterk wordt en zich steeds hoger kan verheffen. 

Beschouw de vergezichten en passages uit de universele wijsheid die Gadal hier opvoert niet als raadselachtige of mystieke beschrijvingen. Het gaat om innerlijke kennisoverdracht waarin de ziel haar oorsprong herkent en zelf herkend wordt. Iedere knieling, iedere doop, iedere tekening is als een sport op de Jakobsladder. Het is niet het zien van de aardse ogen, het zijn de ogen van de ziel die aanschouwen. Het is het werk van de rups die de pop vormgeeft. Zo vormt de parfait zijn zielelichaam, niet van aardse stof maar van lichtethers. 

Een krachtlijnenstructuur van licht rijst op, en ontvouwt zich. Het gaat om de innerlijke processen, waarbij de afbeeldingen in de grotten de ontsluiters zijn van de belangrijkste mysteriën van het licht. Het is de weg der sterren, steeds hoger, Mès Naut, en Gadal is Mattheüs. En de lezer die werkelijk waarneemt en mee opgaat, peilt in zijn eigen wezen, herkent zijn eigen ervaringsweg, voorbij ruimte en tijd. Het is de fase van Reformatie. Als hij durft, en voorbijziet aan de kleur van het tijdsbeeld wordt ook hij: Mattheüs. En als de witte duif verschijnt, de duif van de parakleet, zal ook hij gereed bevonden worden.

Dan volgt tenslotte de derde fase: Bethlehem. Deel drie van het boek dat samenvalt met de derde beweging van de ziel. De ziel die zich eerst naar binnen richtte en kennis verkreeg over haar eigen wezen, zich daarna oprichtte en samensmolt met de Draad van de Universele Liefde, zal nu naar buiten reiken. Op Kennis en Liefde volgt onontkoombaar: de Daad. Het handelingsleven dat de drager van de ziel, de aardse mens, naar buiten, in de wereld zal dienen te bewijzen. 

Op Formatie en Reformatie volgt Transfiguratie. Maar voorafgaand aan de laatste fase van het naar buiten bewegen, moet er sprake zijn van een nieuwe geboorte in de grot die Bethlehem wordt genaamd. Het is een kleine grot, met daarin uitgehouwen een vijfhoek, een vijfpuntige ster, waarin de kandidaat plaatsneemt temidden van zijn broeders. In die bijzondere en gewijde sfeer, staat de ziel stralend onder het Licht van de vlammende ster, als een autonome vrije Geest, als een Pur, een Parfait, als een Bonhomme, klaar voor zijn levensopdracht om de wereld te dienen. 

De weg der sterren die hem eerst omhoog had gevoerd tot in de bronnen van het ware leven, voert hem nu de Heilige Berg weer af, de wereld in. De graalbeker staat in hem opgericht, in het eigen zielewezen, en vloeit over van lichtkracht om de slapende harten, de onbewuste sterren in het wereldveld, te doen ontvlammen op hún weg der sterren. Het is de weg in het teken van de Driebond van het Licht: Graal, Kathaar en Kruis met Rozen. De weg die voor ieder mens is weggelegd.

Het symbool op het titelblad

Als een compendium brengt het symbool van de grot van de Acacia te Ussat de ‘weg van de Heilige Graal’ tot uitdrukking. In grote lijnen zien wij bovenaan een cirkelboog die de weg der sterren uitdrukt. De Zeven pijlpunten op de boog verbeelden de 7 kosmische gebieden, als 7 treden op de weg terug naar het oorspronkelijk Vaderhuis. Op deze weg neemt het stofwezen van de mens steeds af (de kleine driehoek), wordt het steeds fijner en subtieler, en groeit tegelijkertijd de mens in zuivere spiritualiteit, als zuivere ziel (de grotere driehoek). Het is het mysterie van de transfiguratie.

De zuivere geest-mens is de drager van het rijk van de Liefde, uitgedrukt in de grote neerwaarts gerichte driehoek. Vervuld van stralend Licht, gieten zeven golven zich uit over de genezing zoekende mensheid. En van onderen op rijst omhoog: een krachtveld, een tempel van de Geest, waarin het vuur van de geest in vijf zuilen naar beneden schiet tot in de opgerichte Graalbeker. Daarin staat opgericht de letter M, de Moedergeest van het Rijk van de Liefde. Het is tevens de M van de ware Manas, de ware Mens. De Mens die het levende geestelijke water reikt aan allen die het waarlijk zoeken en het kunnen ontvangen. 

De belofte waarmee Antonin zijn inwijdingsreis van de ziel voltooid klinkt tot allen: ‘Niets zou in staat zijn de Mens, die in Bethlehem tot aanzijn kwam, te doen beven of van het goede weg te doen afwijken. Niemand ter wereld was in staat de Mysterieuze kracht, die hij vertegenwoordigde te overwinnen.’

BESTEL OP WEG NAAR DE HEILIGE GRAAL

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *