8. Op weg naar de heilige graal – De Heremiet – boek van Antonin Gadal

 

BESTEL OP WEG NAAR DE HEILIGE GRAAL

Hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter, die in uw oog is, wegdoen, terwijl ge de balk, die in uw eigen oog is, niet ziet? Geveinsde, doe eerst de balk weg uit uw oog, dan zult ge scherp kunnen zien om de splinter in uws broeders oog weg te nemen.

Jezus (Mattheüs 7: 4-5)

De extra vasten van Mattheüs is ten einde. Bleek, mager, maar naar lichaam, hart en geest sterk als de rots waarin hij leeft, wacht hij op de komst van de grijsaard. Naar zijn gewoonte bij het krieken van de dag opgestaan, gaat hij naar de grote zaal en wacht op de stemmen van de tijdmelding en van het gebed.

Nauwelijks is zijn gebed ten einde, of hij voelt hoe een hand even op zijn schouder wordt gelegd; hij staat op, keert zich om en staat voor zijn vereerde Meester. Zonder een woord te spreken geeft deze hem een teken hem te volgen; en eerbiedig voegt Mattheüs zich achter de schaduw die zich in de gangen oplost.

Via de eetzaal leidt de grijsaard hem in de kapel, waar zij neerknielen en bidden. Vervolgens komen zij in de werkplaatsen, waar de Broeders en de novicen juist hun arbeid aanvangen.

Aan het einde van de binnenzaal komen zij, via inkepingen die in de rots zijn uitgehouwen, bij de top van de wand; daar is een kleine verborgen uitgang, een schuin oplopende donkere doorgang, een lage, halfverlichte ruimte, en een opening te halver hoogte van de berg, die loodrecht omhoog gaat. Vandaar ziet men uit op het meer, dat met zijn water, daar beneden, in de diepte van de steile helling, de voet van de rotsen bespoelt.

De grijsaard doet of hij het instinctieve gebaar, waarmee de jongere bij dit indrukwekkende schouwspel terugwijkt, niet ziet; hij loopt langzaam voort, over ruwheden van de rots, met de voet steun zoekend achter buksstruiken die daar als toevallig zijn neergezet. Mattheüs vermant zich, beheerst zijn vrees en volgt; het pad loopt een twintig meter langs de berg, maar naar beneden bevindt zich een steile helling van driehonderd meter. Zij bevinden zich dan voor een kleine grot, bijna aan de top van de berg, aan de kant tegenover de ingang van de Églises.

De Meester staat een ogenblik stil, blijkbaar om het verblijf in ogenschouw te nemen. Mattheüs kan een weg in de rots zien die naar het hoger gelegen plateau leidt; daar hij tal van keren de Églises Supérieures heeft bezocht, wordt hem duidelijk dat, behalve de nauwe doorgang in het inwendige van de berg, ook deze aan de buitenkant gelegen weg de lagere en de hogere ‘etages’ verbindt; weliswaar verre van gemakkelijk, want het pad gaat schuil achter doornstruiken, buksboompjes en allerlei soorten hoog gras.

Op de rechterwand van de kleine grot onderscheidt Mattheüs een aantal tekens, die met houtskool, in dunne lijnen, grofweg aangebracht zijn. Als hij blijft stilstaan om ze aandachtiger te bekijken, zegt de grijsaard: ‘Wij zetten niet alleen het werk der apostelen en van de eerste christenkerk voort, maar zijn ook de hoeders van hun kennis en van hun zuivere spiritualiteit. Deze tekens, die ge niet begrijpt, maar die ge weldra zult leren omvatten, zullen u nog nader brengen tot Hem die ons de weg getoond heeft.’

Een pad voert van daar, langs hopen steen die door het plateau afgestoten zijn, een honderd meter verder naar een ander uitstekend rotsgedeelte van de berg van Ussat. Daar zijn talrijke grotten. Die welke zij betreden heet de grot van de Heremiet. Zij gaan door een ommuurde ruimte, openen een deur in de verdedigingsmuur van de voor-grot, en bereiken, via een tien meter lange gang, een ruime zaal, die rechtstreeks door het daglicht wordt verlicht. Enige Parfaits lopen er langzaam op en neer, geheel verloren in de lectuur van omvangrijke manuscripten.

Niemand schenkt aandacht aan de komst van Mattheüs, die door de grijsaard wordt overgedragen aan Guilhem. Inderdaad, het is Guilhem, die de Églises van Ussat verlaten heeft voor zijn jongere, die hij thans in de Heremiet opwacht. Andermaal dient Guilhem, als oudere die blij is een goede kameraad terug te zien, Mattheüs.

Hij begint met hem rond te leiden. Materieel is er weinig verschil: de eetzaal, de slaapplaatsen en de maaltijden zijn zoals hij in de Églises van Ussat gewend was. Er wacht hem echter minder handwerk en veel meer intellectueel werk.

De nieuwe grot is langer dan de andere en loopt door het gehele gebergte. Aan de uitgang is de kapel. Als Mattheüs die ziet, komt hij zeer onder de indruk. Nadat hij door een groot aantal zalen en gangen is gegaan, en, over een afstand van wel tien meter, met grote moeite op zijn buik door een stikdonkere lage ruimte is gekropen, bevindt hij zich, als hij opstaat, plotseling in de kapel, in het volle licht.

Het is een niet-hoge, cirkelvormige zaal, waarvan het gewelf zich oplost in een rotsspleet, welke zich, onbereikbaar voor het oog, tot halverwege de berg voortzet. Door deze spleet stroomt het daglicht binnen, dat, als een kandelaar, de kapel in een zacht en intiem licht baadt. Aan de oostkant bemerkt Mattheüs een halfcirkel-vormig bekken van gepolijst marmer, dat, naar Guilhem verklaart, de Fount Santa, de gewijde bron, is.

‘Achter de Fount Santa, bij de gewelfde gang die ge daar ziet, begint het Labyrint. Meer kan ik daarvan niet vertellen, want op deze plaatsen mogen wij nog niet komen. Laten wij teruggaan.’ Via de nauwe doorgang keren zij terug naar de binnengrot, bezichtigen de fraaie gangen die met witte druipsteenformaties overdekt zijn en bereiken tenslotte weer de zaal bij de ingang van de grot.

Mattheüs is er zeker van, in het geheel geen moeite te zullen hebben aan zijn nieuwe leven te wennen. Hij is gereed om het tweede deel van zijn inwijding binnen te gaan.

Bron: Op weg naar de Heilige Graal – de oude Kathaarse mysteriën door Antonin Gadal

LEES OF BELUISTER ACHTERGRONDEN EN VERKLARINGEN BIJ DIT BOEK

BESTEL OP WEG NAAR DE HEILIGE GRAAL

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *