Johannes de Doper: roepende in de woestijn in mantel van kamelenhaar die sprinkhanen en wilde honing eet

 

De leerling op het pad die tot aanschouwen komt, aanvaardt zijn reis door de woestijn. Het dialectische leven verliest alle kleur voor hem. Hij ziet het zoals het is, en hij aanvaardt het zoals het is. Het jagen achter de dialectiek aan, om een zo best mogelijke plaats in de strijd om het bestaan te veroveren, is afgelopen. De resterende energie waarover hij de beschikking heeft, wordt besteed om de zieleversterving tot het einde toe te volbrengen.

Leerling die het dialectische leven ervaart als een woestijn citaat spirituele tekstenDeze versterving komt tot stand, door zichzelf te ontledigen via de drie heiligdommen. Hiermee doelen we op de werkzaamheid van de momentele bewustzijnsziel die haar basis heeft in de spinalis en haar activiteit uitstraalt via het hoofdheiligdom, of via het hartheiligdom, of via het bekkenheiligdom. Dit hangt geheel af van de geaardheid van het individu.

Zo aanvaardt de leerling, zonder enige geforceerdheid, de woestijnreis om het beloofde land te bereiken, dat hem als een licht van de verte wenkt. Veel misverstand is ontstaan over dat verstervingsproces. Velen zijn de mening toegedaan, dat daarmee de tijd aanbreekt van vreselijk lijden; dat zij met een van pijn verwrongen gezicht rond moeten lopen in een wereld, die ze in feite van binnenuit vervloeken.

Niets is minder waar: het aanschouwingsgeloof wekt integendeel blijdschap, een tintelende straling van vreugde, waar zulk een mens het nieuwe leven tegentreedt. In  overeenstemming hiermee demonstreert hij een zeer werkzaam leven en de signatuur van zulk een mens is voorts, dat hij geen maatschappelijke of andere dialectische problemen heeft. Als men voor een zekere zaak geen belangstelling heeft, kan zij ook geen problemen opwerpen.

De signatuur van zulk een leerling op het pad is bovendien, dat hij een kleed draagt van kamelenhaar; een lederen gordelriem om zijn lendenen draagt, en zich voedt met sprinkhanen en wilde honing. Wanneer men een kleed draagt van kamelenhaar, dan beduidt zulks dat men zich kleden wil en daarom zich omkleden gaat, met de Universele substantie, in vrije gehoorzaamheidsbinding aan de wet van het Onbeweeglijk Koninkrijk.

Het kamelensymbool is hier het symbool van de vliegende kameel, het oude symbool van het Universele Leven, precies dezelfde idee, als de draak die men moet doden om te kunnen leven. De gordel is het zinnebeeld van de mens, die in zijn zieleverstervingsreis alle ambities voor het gewone dialectische en lagere leven heeft verloren.

Met de aanduiding ‘sprinkhanen’, doelen de Zohar en de oude Grieken op slangen. Wanneer een leerling op het pad zich voedt met slangen, dan weten wij dat de zoon der slangen iemand is die zich, in overeenstemming met zijn gewaad van kamelenhaar, voedt met de wijsheid die universeel is. Zulk een leerling gaat van aanschouwing verder tot doorschouwing. En honing legt nog een ander accent op het zich voeden met de Kracht van de Allerhoogste, dat is de Ware Goddelijke Geest.

Aldus kunnen wij concluderen, dat het kleed van kamelenhaar ons weer recht doet staan, ten opzichte van het magnetische geestveld. De lederen gordel duidt erop, dat de zonde die alles bedierf, niet meer bedreven wordt, en de sprinkhanen en wilde honing bewijzen, dat de leerling zich in het nieuwe stralingsveld dat zich geopenbaard heeft, weer voeden kan in overeenstemming met de goddelijke eis.

Bron: De grote omwenteling van Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *