9 van 12 Zaligsprekingen: Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden – J. van Rijckenborgh

 

HOOFDSTUK 1HOOFDSTUK 2HOOFDSTUK 3HOOFDSTUK 4HOOFDSTUK 5HOOFDSTUK 6HOOFDSTUK 7HOOFDSTUK 8HOOFDSTUK 9HOOFDSTUK 10HOOFDSTUK 11 – HOOFDSTUK 12

 

BESTEL HET MYSTERIE DER ZALIGSPREKINGEN

In de Bergrede in de Bijbel nemen de zaligsprekingen een bijzondere plaats in. Gewoonlijk worden ze beschouwd als een beloning in de toekomst voor een moreel hoogstaand leven. De verklaringen van J. van Rijckenborgh in Het mysterie der zaligsprekingen maken duidelijk dat de teksten van een heel andere orde zijn, met een zeer actuele waarde. De negen zaligsprekingen stellen ons voor het negenvoudige pad tot ware menswording. Hieronder volgt hoofdstuk 9 met de titel ‘Zalig zijn die barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden’. 

Zoals bij al onze overwegingen met betrekking tot de zaligsprekingen reeds gebleken is, menen de onderzoekers en bijbelkenners daarbij voor een stuk christenhumanisme te staan, voor een christelijke praktijk in het gewone leven, waarbij de zaligheid in het uitzicht wordt gesteld, en prettige ondervindingen in het nú als een directe beloning kunnen worden beschouwd. Zo is het ook bij deze zaligspreking.

De barmhartigen zijn, volgens theologisch en populair menselijk begrip, zij die, godvruchtig en liefderijk, geneigd zijn tot medelijden jegens en hulp aan mensen die zich in nood en ellende bevinden. Daarbij constateert men vervolgens dat de mens die de erbarming des harten ondergaat, over het algemeen niet tot de verstandigsten en rijksten behoort. Maar, zo gaat men voort, iemand kan in waarheid barmhartig zijn en toch de middelen niet hebben om milddadig of vrijgevig te zijn; in die gevallen neemt God het gewillige hart aan.

Voorts moeten wij niet slechts onze eigen beproevingen geduldig verdragen, maar tevens, door ons christelijk medegevoel, delen in de beproevingen van onze broeders; er moet medelijden betoond worden en wij dienen, zoveel wij kunnen, bij te dragen tot de ondersteuning van hen die in nood en ellende verkeren. Wij moeten mededogen hebben met de zielen van anderen en ze helpen; medelijden hebben met de onwetenden en hen onderwijzen; met de zorgelozen en hen waarschuwen; met hen die zich in een toestand van zonde bevinden en hen eruit wegrukken, als uit een vuurbrand.

Al degenen die deze christelijke praktijk betrachten, zouden zalig zijn, omdat van de Christus wordt gezegd dat ook Hij barmhartig is. Als wij, zo redeneert men, een der eigenschappen van Christus tot de onze maken, van binnenuit, dan moet toch de zaligheid wel ons deel worden. Door barmhartig te zijn gelijk Hij barmhartig is, zijn wij in onze mate volmaakt, gelijk Hij volmaakt is. En allen die zó barmhartig zijn, hun zal barmhartigheid geschieden. Het bewustzijn daarvan leeft reeds in de algemene volksmoraal, getuige het spreekwoord: ‘Wie goed doet, goed ontmoet.’ Ja, wie zou bezwaar maken tegen een werkelijk christelijk-humane levenspraktijk? Niemand toch zeker! Zulk een levenshoudig moet toch geacht worden een natuurwetmatig gevolg te zijn van ‘het verlicht worden in God’?

De eeuwen hebben beurtelings de nadruk gelegd op het geloof en op de werken. Paulus is de apostel van het geloof, Jacobus die van de werken. Kerkelijke kringen onzer dagen zijn sinds de Tweede Wereldoorlog ontwaakt uit een exoterische geloofsconcentratie, en zij beginnen te ontdekken dat er zeer noodzakelijke sociale aspecten binnen de actieradius van de kerkelijke praktijk dynamisch moeten worden gemaakt, wil het kerkelijke apparaat niet voorgoed ontsporen.

Wie zou er bezwaar tegen maken dat de kerken eindelijk wakker worden en met goedheidspraktijken achter het kwaad in deze wereld gaan aanrennen om zoveel mogelijk kwade gevolgen te neutraliseren? Laat ons evenwel niet méér denken dan hier achter zit. Zoals de eeuwen ons overvloedig hebben geleerd is men ook thans in diverse kerkelijke kringen aan het vechten en debatteren over de vraag welke goedheidspraktijk er moet worden gevolgd, welke barmhartigheid en welke vorm van christelijke naastenliefde er moet worden toegepast.
Vindt u dat niet vreemd?

Stel u eens voor dat de christelijke kerk reeds tweeduizend jaren oud zou zijn en de kerken tezamen een directe voortzetting zouden zijn van de eerste christengemeente te Jeruzalem. Dan zou deze kerk toch ten minste een duizendjarige barmhartigheidswetenschap moeten bezitten, zó gecultiveerd, zó afgestemd op het Evangelie, zó in de praktijk gelouterd en getoetst, dat men er heden ten dage niet van hoog tot laag over zou behoeven te beraadslagen welke vorm van christelijke praktijk voor de naaste toekomst moet worden geconcipieerd om oorlogen en sociale economische ellenden te voorkomen.

Wat wij hier van de kerk met haar noden zeggen, is ook van toepassing op het gehele wereldhumanisme. U zult ervaren dat ook het humanisme tot de ontdekking zal komen te dun gekleed te zijn voor de heersende wereldkoude; dat ook hier nieuwe wegen moeten worden gezocht en beproefd. Vindt u dat niet vreemd? Het humanisme is weliswaar nog niet zo oud als het christendom. Na gedurende enige eeuwen bij enkele pioniers gesluimerd te hebben, ontwaakte het ongeveer ten tijde van de kerkhervorming. Men zou zeggen, lang genoeg geleden om een formidabele humanitaire wetenschap te hebben kunnen opbouwen, die zou kunnen dienen als onfeilbaar richtsnoer bij alle sociale, politieke en economische ontwikkelingen.

Nu echter alles zich moet aangorden, nu blijken de gordels zoek en de wapens bot. Men confereert nog over de vorm van de wapens. Als straks de stem weerklinkt: ‘Zie, de bruidegom komt! Ga uit hem tegemoet, in de wereldnacht!‘ (Mattheüs 25) , dan blijkt er geen olie voor de lampen aanwezig te zijn. Al die goedheid moet dus wel zeer ten dele zijn. Al die goedheid moet derhalve niet volledig ‘goed ontmoet’ hebben. Al die goedheid moet dus zeer experimenteel geweest zijn. Al die goedheid moet dus lang niet altijd zaligheid hebben opgeleverd. En met al die goedheid blijkt men nu met lege handen te staan; met al die goedheid blijkt men zijn tijd te hebben verslapen en verdaan.

Hoe dan ook, u dient te beseffen dat de goedheid der natuur een vanzelfsprekende eigenschap is van de christen; dat deze goedheid een wetmatige en logische reflex is van een levenshouding die strevende is naar het licht. Zo zijn er vele eigenschappen die normaal voortvloeien uit het leven van een Godzoeker. Doch geen dezer eigenschappen op zichzelf genomen maakt zalig; geen dezer eigenschappen brengt de mens in een toestand van het hoogste geluk en het volstrekte bereiken.

De zaligspreking: ‘Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden’, bezit dan ook een andere inhoud dan men meent. Als een menswaarlijk christen is en he essentiële christendom beleeft, kunnen zijn ineigen goedheidsreflexen onmogelijk meer experimenteel zijn; zijn goedheid is dan een volstrekte uiting van een volstrekte toestand-van-zijn.

U mag als intelligent mens niet vragen: ‘Welke vorm van goedheid moet ik toepassen?’, doch: ‘Hoe kom ik tot een toestand-van-zijn waarin de ware goedheid als natuurwetmatig gevolg naar buiten straalt?’ U mag niet vragen: ‘Welk geloof en welke werken moet ik in mijn leven tillen? Ben ik voor de zienswijze van Paulus? Of voor die van Jacobus?’ Doch: ‘Hoe kom ik tot een toestand-van-zijn waarin geloof én werken in bevrijdende zin vanzelfsprekend worden?’

‘Zalig zijn de barmhartigen.’ Er is een barmhartigheid die niet zalig máákt, doch die het bewijs is van zaligheid. Het spreekwoord: ‘Wie goed doet, goed ontmoet’ is een overblijfsel van een overoude en verloren wetenschap, een wetenschap die de astronomie doorkruist. De astronomen menen namelijk dat de zon, na haar energie gedurende vele miljoenen jaren over het zonnestelsel te hebben uitgegoten, zal uitdoven en als zon zal ophouden te bestaan. Doch het oude weten maakt ons duidelijk dat de zonne-energie, door zich te offeren voor haar planeten, een andere energie, grootser, heerlijker en majesteitelijker, terugontvangt. Ook hier geldt de kosmische wet: ‘Wie zijn leven zal willen verliezen om mijnentwil, die zal het behouden.’

Wij vestigen uw aandacht op deze dingen om u duidelijk te maken dat, als er barmhartigheid is, als een stralend bewijs van zaligheid, deze offerande der zaligheid op gelijke wijze beantwoord móet worden. Barmhartigheid uitstralen brengt absoluut met zich: barmhartigheid ontvangen. Dat is een wet. In de kosmos wordt geen fractie energie vermorst. Wanneer energie wordt uitgezonden krachtens een idee, dan wordt zij omgezet in een zeker resultaat, en de uitwerking van dit resultaat keert tot de energiebron terug als dynamisch antwoord.

‘Zalig zijn de barmhartigen.’ Wat is dan barmhartigheid in de zin van de Bergrede? Om dit te begrijpen moeten wij ons wenden tot de Universele Leer. Barmhartigheid is – los van alle goedheidspraktijk – een vorm van magie. Het betreft hier de magie van de zielegestalte, die zich bewijst in een bepaalde toestand van het hartheiligdom. Het stralende vermogen van deze zielemagie wordt in de Bergrede aangeduid als barmhartigheid en wij willen nu nader onderzoeken op welke wijze deze zielemagie in de leerling tot ontwikkeling kan komen.

Er zijn drie vormen van christelijke magie: een van de lichaamsgestalte, een van de zielegestalte en een van de geestgestalte. Deze drie vormen van magie openbaren zich tenslotte als een eenheid: de volledige magie van de ware mens. De mens van nu is evenwel niet meer de ideale, oorspronkelijke mens, doch de gevallen mens; en op een wetmatig pad van regeneratie dient hij zich weer op te heffen, tot de Vader terug te keren, zijn oude glorie te herstellen.
Tot de leerlingen die op dit pad van regeneratie reeds een zekere fase van herstel bereikt hebben, richt de Christus zijn ‘Zalig zijn de barmhartigen’.

De zaligsprekingen zijn formules, sleutelgedachten, die voor de leerling diverse perspectieven openbaren. Wanneer de leerling de armoede van geest, de toestand van zijn gevallenheid, zoals wij die besproken hebben, doorgrondt, gaat hij er allereerst toe over het persoonlijkheidsstelsel aan een grondige revisie te onderwerpen. Deze revisie, deze wedergeboorte, heeft zeven aanzichten en zij wordt systematisch doorgevoerd en tot openbaring gebracht, opdat de magie der ware transmutatie zich te zijner tijd tot een volkomen hanteerbare kracht zal kunnen openbaren.

De magie van de persoonlijkheid heeft betrekking op het scheppende fiat, de vormopenbaring van de verlossende idee Gods, de idee die leeft in het hartebloed van Christus onze Heer. Maar alvorens deze magie zich kan bewijzen, moet de zielegestalte van de leerling belevendigd worden, als gevolg waarvan zielemagie tot ontwikkeling kan worden gebracht. Zielemagie is het middel met behulp waarvan de magie der nieuwe persoonlijkheidsopenbaring zich kan uiten. Zielemagie is de specie met behulp waarvan het bouwstuk hecht en sterk kan oprijzen, in onverbreekbare schoonheid.

Het wezen, het kenmerk dezer zielemagie als specie voor het bouwwerk, moet worden aangeduid als volstrekte, het al vervullende naastenliefde. Deze liefde neemt niet één mens of één groep van mensen, met wie een zeker bloedscontact bestaat, in haar wezen op, doch deze liefde omsluit allen en richt zich zonder onderscheid tot allen: zij is onpersoonlijk. Deze liefde is het die u God doet kennen, God doet zien in zijn volheid. ‘God is liefde’ getuigen de heilige boeken. God hééft geen liefde, als een zijner eigenschappen, maar God is liefde. Het is het wezenlijke van het goddelijke. Met die liefde wordt het al gedragen en onderhouden. Met die liefde wordt het scheppende fiat tot vormopenbaring gedragen. Al had en was de mens alles, al wist hij alles en hij had díé liefde niet, zo had en was hij niets (1 Korinthe 13).

‘God is liefde, en wie in die liefde blijft, die blijft in God.’ God deelt zich aan hem mede en spreekt uit hem. De goddelijke liefde in haar volheid, getransmuteerd tot een hanteerbare dynamische kracht – in de zich daarvoor geschikt gemaakt hebbende leerling – dát is zielemagie. De zielemagie kent eveneens zeven stadia van ontwikkeling. De biologische liefdeaard, de liefdegewoonten en goedheid van de gewone mens, staan tot deze zieleliefde als de liefde van de dierenmoeder voor haar jongen zich verhoudt tot de nobelste liefdedaden van de dialectische mens.

Er zijn in de wereldgeschiedenis vele verlichten geweest die de universele liefde van de ziel vergeleken hebben met een vuur, dat in handen van onbevoegden kan uitbreken en wonden als een hellebrand. De Uranuskracht heeft een sterk eruptief vermogen, dat, indien het niet door wijsheid en onzelfzuchtige dienstbaarheid wordt geleid, gemakkelijk aan leiding kan ontsnappen en groot onheil kan aanrichten. Wij zouden deze liefde der ziel ook kunnen vergelijken met kosmische elektriciteit. Gaat zij aan de hand Gods, dan is zij verlichtend; daarvan losgeslagen is zij verschroeiend.

Als de heilige verslagen over liefde gewagen en wij deze heilswaarde tot u overdragen, wil dan wel bedenken dat daarbij in geen enkel opzicht vergelijking mogelijk is met enige liefdevorm, liefdeopenbaring of goedheidsdrang van de biologische mens.

Zodra de leerling op het pad van regeneratie deel krijgt aan de universele kracht Gods, en hij toe is aan de zielemagie en aldus de specie tot bouw kan toebereiden, ontwikkelt hij vanuit zijn wezen een zeer invloedrijk en stralend vermogen. Het centrumorgaan van dit nieuwe, stralende vermogen is het hartheiligdom en daarin in het bijzonder de thymusklier. Dit orgaan is het edelgesteente dat als brandpunt van dit vermogen dienst doet. De stroom van kracht, die door dit kleine orgaan wordt verbijzonderd, wordt door middel van het sternum uitgestraald in de aurische sfeer van de leerling, die als zodanig leeft in het licht, gelijk God in het licht is.

Wij wijzen u erop dat het desbetreffende weten bij de mensheid verloren is gegaan, doch oorspronkelijk aanwezig is geweest. Ten bewijze daarvan diene het woord sternum, waarmee de wetenschap het borstbeen aanduidt. Sternum betekent uitstraler, verspreider; en op schilderijen van vele primitieve mystieke schilders zien wij de mens afgebeeld met ter hoogte van het hart een medaillon of een spiegeltje, als een heenwijzing naar dat oude weten.
Het zevenvoudige zielevermogen van het hart is verder met twee actieve principes toegerust: een zoekend of uitstralend principe en een aantrekkend principe.

Met het zoekende of uitstralende principe stelt de leerling die het zielevermogen bezit, zich in verbinding met allen, staat hij in onpersoonlijke binding met de gehele mensheid. In God gebonden door zijn staat-van-zijn, treedt hij buiten de grenzen van het ik.

Zodra de zoekende of uitstralende stroming een mens treft, ontvangt de uitzender van deze stroom van kracht een directe impressie van de toestand, de noden en behoeften van de getroffene. Hij behoeft geen nadere inlichtingen te ontvangen; hij doorlicht de ander volkomen, en met grote klaarte ziet hij diens gehele wezen zich voor hem openvouwen.

De impressies blijven vluchtig en onpersoonlijk tot het moment komt waarop een mens absoluut hulp van node heeft en in een regeneratieve crisis, als in wanhoop, een weg van uitkomst zoekt. Dan zal de zielemagie haar triomf beleven. In zulk een geval zal de zoekende en uitstralende stroming met haar liefdevuur de in nood zijnde mens overstelpen, om hem de balsem van Gilead, de balsem van hulp en troost, als uit Gods hand over te dragen. Door deze magie gegrepen ontvangt dan die mens een onwankelbaar vertrouwen, een versterkende vibratie, een geestelijke bloedsverlichting, die de remmingen van zijn bloedserfenis tot het mogelijke neutraliseert en hem in staat stelt zijn pad te zien en kracht te ontwikkelen om dat pad te gaan.

Dát is toegepaste, directe en positieve zielemagie. Dat is directe, toegepaste barmhartigheid. Dat is liefde-energie, die in de medemens wordt omgezet ten leven en die door haar resultaat duizendvoudig wordt terugontvangen. Dat is barmhartigheid, die barmhartigheid tot gevolg heeft. Dat is het geheim – zo wij hier van geheim kunnen spreken – van het Christuswoord op de berg: ‘Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.’

Dit heeft niets te maken met enige vorm van sociale of economische goedheid. Het is de vervulling van het woord: ‘God is liefde en wie in die liefde blijft, die blijft in God en God in hem.’ Het is christendom, praktisch christendom. Tot hen die in deze zielemajesteit wassende zijn, wordt gezegd: ‘Open uw ziel door uw brood des levens mee te delen aan de hongerende.’

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf

    1. Zalig zijn de armen van geest (1)
    2. Zalig zijn de armen van geest (2) 
    3. Zalig zijn die treuren (1)
    4. Zalig zijn die treuren (2)
    5. Zalig zijn die treuren (3)
    6. Zalig zijn de zachtmoedigen
    7. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid (1)
    8. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid (2)
    9. Zalig zijn de barmhartigen
    10. Zalig zijn de reinen van hart
    11. Zalig zijn de vreedzamen
    12. Zalig zijn die vervolgd

     

  1. Woordverklaring 

Bron: Het mysterie der zaligsprekingen van J. van Rijckenborgh

BESTEL HET MYSTERIE DER ZALIGSPREKINGEN

LEES OVER 5 BOEKEN VAN J. VAN RIJCKENBORGH OVER CHRISTELIJKE TEKSTEN UIT DE OUDHEID