Arthur Edward Waite en The Fellowship of the Rosy Cross

De bovenstaande video toont een Engelstalig webinar dat dr. Marco Pasi verzorgde over Arthur Edward Waite (1857-1942, fakkeldrager van het Rozenkruis 15) in opdracht van de Bibliotheca Philosophica Hermetica. Hieronder volgt een tekst over deze bijzondere figuur die in het centrum staat van het occulte beweeg rond de wisseling van de 19e naar de 20ste eeuw uit het boek Geroepen door het wereldhart van Peter Huijs.

Tegenwoordig Waite met name bekend om de serie Tarotkaarten, die hij in 1910 liet tekenen door Pamela Colman Smith. Maar zijn belang ligt vooral elders. In 1891 sluit hij zich aan bij de dan nog onbesproken Hermetic Order of the Golden Dawn; in 1902 schrijft hij zich in als lid van de Societas Rosicruciana in Anglia. Wanneer hij enige tijd later grootmeester van deze beweging wordt, verandert hij de naam ervan in ‘The Holy order of the Golden Dawn’. Talrijke interne strubbelingen leiden ertoe dat Waite zich in 1914 terugtrekt.

Arthur Waite is een vruchtbare auteur, met een enorme kennis van gewijde en geheime teksten. Baanbrekend is ook zijn werk over de heilige graal, ‘The hidden church of the holy grail: Its legends and symbolism’ dat hij in 1909 te Londen publiceert. In zijn werk spreken een fenomenale kennis en begrip met betrekking tot de vrijmetselarij, zwarte en ceremoniële magie, kabbala en alchemie. 

Als jonge man publiceert hij reeds in 1887 – verreweg als eerste – een ‘Ware geschiedenis van het Rozenkruis’, ‘The Real History of the Rosicrucians’ en in 1924 een herziene editie ervan als ‘The Brotherhood of the Rosycross’; reden waarom hij wel bekend staat als ‘de biograaf van de rozekruisers broederschap’. 

In de uitgave van 1887 beschrijft hij de voorlopers van de broederschap, waarbij hij teruggaat tot de neoplatonici van de eerste eeuw na Christus. Steeds in samenhang met de symboliek van de rozenkruisers geeft hij een beeld van de levens en het denken van kabbalisten, alchemisten en mystici, als Tauler, Paracelsus (fakkeldrager van het Rozenkruis 1), Jakob Boehme (fakkeldrager van het Rozenkruis 7) en Raimundus Lullius. 

Hij onderzoekt hoe de ideeën van deze groepen over oorsprong en zin van het leven zich ontwikkelden, en wat de eigenschappen en de substantie van de ziel zijn. Het grootste deel van het boek beschrijft het wel en wee van de broederschap van het rozenkruis sinds hun ‘officiële’ intrede in de wereld.

En dan breekt het jaar 1915 aan, het tweede jaar van de afschuwelijke eerste wereldoorlog. Geheel in de lijn van het geestelijke plan dat we in dit boek beschrijven, volgt Arthur Edward Waite in 1915 een intuïtie, die hem ertoe aanzet te breken met alles wat zich op het neo-theosofische, neo-Egyptische, tantristische en occulte vlak aandient. 

Hij creëert een omgeving die helemaal vrij is van de chaotische verwarring waarmee de opkomende esoterie aan het begin van de twintigste eeuw de geesten omhult. In dat jaar sticht hij The Fellowship of the Rosy Cross, waarvan het hoofdkwartier hetzelfde adres is waar George Mead enige jaren later onderdak vindt voor zijn The Quest. 

In de statuten van The Fellowship zien we duidelijk dat Waite absoluut geen banden meer wil met alle andere ordes, die op dat moment welig tieren. Een regel in de statuten formuleert het aldus: ‘De Fellowship of the Rosy Cross houdt zich niet bezig met occult of psychisch onderzoek. Zij is een queeste naar genade, en geen zoektocht naar macht.’ en een andere clausule bevestigt dit: ‘Er zullen geen banden zijn met The Independent and Rectified Rite met haar afdelingen, als die er zijn en in zoverre die actief zijn, noch met de Stella Matutina Temple met haar afdelingen. Zij kunnen niet bezocht worden en men kan er geen lid van worden.’ De beweging verliest echter op een gegeven moment haar inspiratie en vaart en verdwijnt in de geschiedenis.

Arthur Waite is ook de eerste, die in zijn ‘Ware Geschiedenis’ de aandacht vestigt op Robert Fludd (fakkeldrager van het Rozenkruis 6), ‘de grandeur van een mysticus uit Kent’, zoals hij hem beschrijft. In Fludd, of Flood, ziet Waite de meest diepzinnige verdediger van de rozenkruisers broederschap van de zeventiende eeuw, en hij wijdt een indringend hoofdstuk aan deze Engelse schrijver van de Apologia, Summum Bonum en het uitgebreidere Tractatus Apologeticus, die allemaal verdedigende schriften zijn van de broederschap. Het is een hoofdstuk waarin zijn grote waardering sterk tot uitdrukking komt.

Waite heeft een zeer uitgebreide stijl van vertellen. Enige overdrijving is hem niet vreemd; maar de informatie en inspiratie waarover hij beschikt zijn bewonderenswaardig en de gedetailleerde weergave van de samenhang en de geestesgesteldheid waaruit de orde van het Rozenkruis werkt, zijn verbazingwekkend accuraat. Hij besluit met te zeggen:

 ‘De hele wereld heeft gehoord over de rozenkruisers – maar weinigen of niemand hebben zich de moeite getroost om te onderzoeken of de geweldige claims van deze filosofen zijn gebaseerd op een rots van waarheid, of slechts op drijfzand berusten. De auteur begon zijn onderzoek in een sfeer van absoluut ongeloof, maar terwijl hij vorderde verdwenen mist, indoctrinaties en vooroordelen uit zijn brein. Na een zeer aanzienlijke periode van achtentwintig jaar studie over de rozenkruisers kan de welwillende lezer zelf concluderen in welke gesteldheid de auteur zijn boek besluit.’

Bron: Geroepen door het wereldhart door Peter Huijs

BESTEL GEROEPEN DOOR HET WERELDHART