Korte biografie en bibliografie van Robert Fludd, verdediger van de broederschap van het Rozenkruis

KORTE BIOGRAFIE VAN ROBERT FLUDD 

De Engelsman Robert Fludd of Robertus Fluctibus wordt in 1574 geboren als vierde zoon van Sir Thomas Fludd, die vele jaren in dienst van koningin Elizabeth I had gewerkt. Zijn geboortehuis Milgate House bevindt zich in Bearsted, op geringe afstand van Londen, in het graafschap Kent. Volgens de archieven van het Royal College of Physicians wordt hij op 20 september 1609 als arts in hun midden opgenomen. Zijn opname valt wat moeilijk, vanwege diens positieve verdediging van de nieuwe geneeskunst, die zich baseert op de ideeën van Paracelsus. Door zijn patiënten wordt hij vereerd, en de geneesmiddelen die ze nodig hebben bereidt hij zelf. Daarnaast is Robert Fludd een uitmuntend astroloog en toont hij met experimenten en chemische proeven aan dat de Hermetici tot in het stoffelijke gelijk hebben. Zijn hele werkzame leven is hij gesteund door Jacobus I, koning van Engeland. Hij leeft een tijd in Fenchurch Street en sterft – zijn leven lang overtuigd ongehuwd – op 8 september 1637 in zijn woonhuis aan de Coleman Street te Londen. Hij ligt begraven in de Bearsted Church, waar een gedenkteken staat dat door hemzelf werd ontworpen.

Fludd studeert te Oxford geneeskunde en scheikunde, ontwikkelt zich tot een bekwaam arts en vakkundig apotheker en probeert de hermetische wetenschappen empirisch te bewijzen. Zijn overtuigd christelijke hermetisme is vooral ontstaan op zijn reizen naar Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië tijdens de jaren 1598-1604.

Eén van zijn beste vrienden is Michael Maier. Beiden waren gepassioneerde beoefenaars van zowel de alchemie als de muziek. Net als Fludd was Maier geneesheer, (lijfarts van de habsburgse keizer Rudolf II) en beiden hadden een diepgaande kennis van Paracelsus.

Uit het bovenstaande blijkt wel dat het geen wonder is dat Fludd in zijn Apologia Compendiaria Fraternitatem de Rosea Cruce uit 1616 openlijk de Rozenkruisers verdedigde. Zijn boeken na 1616 waaronder Tractatus apologeticus, integritatem Societatis de Rosea Cruce defendes en Summum Bonum uit 1629 zijn opgedragen aan de Fraternitas Rosicrucis. Hij schreef nog talrijke andere boeken over dezelfde filosofische en hermetische onderwerpen (zie ook hoofdstuk vii). Een van zijn laatste boeken is Philosophia moysaica uit 1638. Zowel de werken van Fludd als Maier bevatten talrijke interpretaties omtrent Alchemie, Kabbala, getallenmystiek, muziek en Astrologie — echter altijd vanuit een oorspronkelijke Christelijke ziele-levenshouding. `Want‘, zo zegt hij, `de broeders (van het Rozenkruis) zoeken geen vulgair goud, maar munten uit in deugd, door sublimatie, door tranen, door het inademen van de verheven Adem Gods, daardoor wordt de ziel gereinigd, ze wordt ijl en subtiel, in staat om God te overdenken, omgevormd tot een gelijkenis met de engelen, en zo, schijnbaar dood, wordt een levenloze steen een levende en filosofische steen. Zo zijn de opvattingen en methoden van de Broeders, zodanig zijn hun alchemie en hun proces, waaraan ze in hun Confessio Fraternitatis refereren.’

KORTE BIBLIOGRAFIE VAN ROBERT FLUDD DOOR CARLOS GILLY

Robert Fludd, Apologia Compendiaria. Leiden, Govert Basson, 1616; Schutzschrift für die Aechtheit der Rosenkreutzergesellschaft. Leipzig, Adam Friedrich Boehme, 1782

In de Apologia Compendiaria verdedigt Fludd de Broederschap van het Rozenkruis tegen de aanval van Andreas Libavius in diens Analysis Confessionis Fraternitatis. Deze verdediging kan gezien worden als een voorloper van het uitgebreidere Tractatus Apologeticus, waarin de kortere Apologia als voorwoord is opgenomen. De Tractatus is later in het Duits vertaald als Schutzschrift. Fludd noemt Hermes Trismegistus als de voornaamste onder de oude filosofen die de goddelijke wijsheid openbaarden waaraan ook de rozenkruisers deelachtig zijn.

Robert Fludd, Tractatus theologo-philosophicus. Oppenheim, #H. Galler voor Johann Theodor de Bry, 1617

De Tractatus theologo-philosophicus, die is opgedragen aan de Broeders van het Rozenkruis, is Fludds eerste poging om de christelijke leer van de Drieeënheid, de schepping, de zondeval, de menswording, de opstanding en de wederkomst van Christus te verbinden met het Hermetisme. Fludd ontleende hiervoor bijna evenveel aan het Corpus Hermeticum als aan de Bijbel. Uit de rozenkruisersmanifesten neemt Fludd voornamelijk de chiliastische en profetische aspecten over (het teken van de komst van de Leeuw); hij beschouwt het lichaam van Christiaan Rozenkruis als het summum van de uitspraak `magnum miraculum est homo’ van Hermes Trismegistus (p. 120) en ziet in het bijzonder de `wonderbare Scientia van de Broederschap’ als ondubbelzinnig bewijs voor het feit dat de mens in staat is de wijsheid die Adam voor de zondeval bezat weer te verwerven.

Robert Fludd, Utriusque Cosmi Maioris et Minoris … historia. Oppenheim, H. Galler voor Johann Theodor de Bry, 1617-1624

Johann Kepler had gelijk: de overeenkomst tussen het hogere en het lagere is de leidraad voor deze immense hermetische encyclopedie. Inderdaad worden de werken van Hermes Trismegistus (Pimander, Asclepius, Liber XXIV philosophorum, Tabula Smaragdina), honderden keren aangehaald. Zij zijn de voornaamste pijlers en tegelijk de toetsstenen voor Fludds geheel nieuwe interpretatie van de ontwikkelingsgeschiedenis van microkosmos en macrokosmos. De menselijke religie, wetenschap, kunst en techniek worden aan deze maatstaf gemeten. God heeft net als aan Mozes aan Hermes de sleutel van de tweevoudige kennis, de natuurlijke en bovennatuurlijke, geopenbaard. Niet de aristotelische `materia’, `forma’ en `privatio’, noch de paracelsistische driedeling mercurius, zwavel en zout, maar de duisternis, het water en het licht worden door Fludd als eerste beginselen van de werkelijkheid gezien en verklaard. Fludd nam van Paracelsus de idee van de ongeschapen oermaterie of Mysterium Magnum over (`in mysterio magno creavit Deus coelum et Terram’), echter niet de leer van de mechanische geesten of onzichtbare krachten die in de zaden aanwezig zijn en het ordelijke verloop van het worden van de dingen sturen.

[Joachim Frizius, ps voor Robert Fludd], Summum bonum. z.p., z.n. [Frankfurt, William Fitzer], 1629

Van alle deelnemers aan de vroege rozenkruisersdebatten was Fludd een van diegenen die het minst af wisten van de kring waarbinnen de Manifesten waren ontstaan. Maar bijna niemand anders bleef de Broederschap zo lang trouw als deze Engelsman, want hij zag de rozenkruisersbeweging in het kader van een voortdurende hermetische traditie, die in de opeenvolgende perioden verschillende vormen had aangenomen. Bovendien plaatste hij de Fraternitas Rosea Crucis op een hoger metafysisch niveau en zag er een wetenschap in naast de magie (die hij net als in Arbatel verdeelt in theosofie en antroposofie), de Kabbala en de alchemie. Dit alles verdedigde hij in zijn Summum Bonum tegen de bezwaren geuit door de Franciscaan Marin Mersenne. Het boek verscheen onder het pseudoniem Joachim Frizius, waarvan Fludd later beweerde dat deze een goede vriend uit Schotland was, wiens manuscript hij slechts had gecorrigeerd, aangevuld en uitgegeven. De overeenkomsten tussen Summum Bonum en de overige werken van Fludd zijn echter zo frappant, dat men het bestaan van deze goede vriend uit Schotland rustig kan vergeten.

Robert Fludd, Clavis philosophiae et Alchemiae Fluddanae. Frankfurt, William Fitzer, 1633

Aan het einde van zijn Proscenium tegen Kepler uit 1621 had Fludd aangekondigd dat hij alle hem nog bekende geheimen zou openbaren in een boek getiteld Clavis Philosophiae et Pansophiae verae. Hij moest echter zijn plannen wijzigen vanwege de herhaalde aanvallen van Mersenne, Lanoi en Gassendi en goot zijn boek wederom in de vorm van een zeer nauwkeurig verdedigingsschrift ten behoeve van zichzelf en andere theosofen. Fludd verdedigt in dit werk onder meer de theosoof Heinrich Khunrath tegen de kritiek die hem in 1625 vanuit de Sorbonne ten deel viel. In de passage hier aangemerkt, antwoordt Fludd op de vraag, of God in de materie aanwezig is, dat hij inderdaad aanwezig is en wel als centrum van ieder ding, waarvan de omtrek nergens is (`ut cuius libet rei centrum, cuius circumferentia est nullibi’). Een duidelijke verwijzing naar het pseudo-hermetische Boek van de Vierentwintig Filosofen: `God is een oneindige bol, waarvan het centrum overal is, en de omtrek nergens.’ Fludd houdt eveneens een pleidooi voor grotere tolerantie tussen de verschillende religies en wel volgens het voorbeeld van de rozenkruisers, die zich uiterlijk kunnen blijven ophouden binnen katholieke, lutheraanse of calvinistische kaders, zonder echter onderling in vijandigheden verwikkeld te raken.

Robert Fludd, Philosophia Moysaica. Gouda, Pieter Rammazeyn, 1638

De uitdrukking `Philosophia moysaica’ gaat terug op Petrus Severinus, die zijn leermeester Paracelsus als een `Mosaicae philosophiae discipulus’ kenschetste. Het scheppingsverhaal van Mozes stond centraal voor al diegenen die de weg van het natuuronderzoek durfden te gaan, om zo tot kennis van God te komen. Zo werden aan Paracelsus meerdere verklaringen van de eerste hoofdstukken van Genesis toegeschreven (waaronder de radicale `De secretis creationis’), en ook Weigel en Arndt hadden dergelijke verklaringen geschreven. De meest indrukwekkende uitleg werd echter in 1575 door Egidius Gutman geformuleerd en bevat een natuurfilosofisch en alchemistisch commentaar op het eerste hoofdstuk van Genesis in 24 Boeken, samen bijna 1100 bladzijden! (Offenbarung Göttlicher Mayestat; 1e druk: Hanau 1619). Al vanaf 1597 circuleerden er kopieën van de uitgebreide inhoudsopgave, die ook in het Latijn en in het Engels werd vertaald. Fludd bezat niet alleen een nog tot op heden bewaarde Engelse inhoudsopgave van de Offenbarung, maar ook een afschrift van de gehele tekst, waaruit hij in zijn Philosophia Moysaica belangrijke passages heeft weergegeven met aanvullingen van eigen hand (fol. 60v-65v). Fludd presenteerde wederom de Egyptische Hermes als een van de eerste aanhangers van de mozaïsche filosofie: `ille insignis Mercurius Trismegistus per scripta sua divina arguere videtur se libros Moysis perlegisse’.

Bron: Fludd, Symposionreeks 9

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *