De vondst van gnostieke geschriften in Nag Hammadi in 1945 in Egypte en de daaruit voortvloeiende nieuwe inzichten over christendom en gnosis

 

Op 16 december 1945 zocht een Arabische boer in de Egyptische woestijn bij het plaatsje Nag Hammadi naar teelaarde en stootte daarbij op een kruik die meer dan vijftig zeer oude geschriften bleek te bevatten. Geschriften die alle in het Koptisch waren afgeschreven maar vertalingen bleken te zijn van oudere, in het Grieks opgetekende teksten.

Opvallend was dat er van sommige teksten doublures waren. Van het zogenaamde Geheime boek van Johannes werden er maar liefst drie exemplaren in de kruik gevonden. Tevens was het opmerkelijk dat de verzameling allesbehalve homogeen was. Ze bestond uit Grieks filosofische-getinte teksten, christelijke geschriften, maar ook uit joodse en hermetische traktaten. Sommige waren oorspronkelijk afgeschreven in de eerste eeuw, maar er waren ook teksten onder die pas in de vierde eeuw werden afgerond.

Toch is er een gemeenschappelijke noemer voor al deze uiteenlopende geschriften te vinden: gnosis. Niet dat alle geschriften nu duidelijk gnostisch zijn, maar ze kunnen alle wel in min of meer gnostische zin worden uitgelegd. Dat wordt wat gemakkelijker naarmate het begrip gnosis (het Griekse woord voor: kennis, inzicht) ruimer wordt genomen dan in de gangbare wetenschap gebruikelijk is.

In de ruimste zin is gnosis: het intuïtieve weten. Dat innerlijke weten is even oud als de mensheid en niet gebonden aan tijd en cultuur. Meer afgeperkt tot de oude term ‘gnosticisme’ houdt gnosis een filosofisch-religieus ‘systeem’ in dat vooral in de eerste eeuwen van onze jaartelling opbloeide.

Professor Roel van den Broek heeft in zijn boek ‘de taal van de gnosis’ aangetoond dat deze vorm van gnosis duidelijk joodse wortels heeft. Daarbij komen twee kernpunten naar voren: de ware God is niet gelijk aan de scheppergod van hemel en aarde, en in ieder mens is een vonk van de ware God aanwezig. Bewustwording van die godsvonk verlostde mens uit zijn illusoire wereld die hij in zijn onbewuste staat van zijn als de enige werkelijkheid ervaart.

Op soms prachtige en indringende wijze is deze gedachte verwoord in mythen die verhalen over de volheid van een lichtrijk, over de lichtzinnige Sophia (hoer en heilige), over chaos en kosmos, over een jaloerse scheppergod die met zijn zeven zonen Adam (dus de mens) in zijn psychische staat gevangen probeert te houden en over de hemelse roepstem van het ontwaken die de mens uit zijn onbewustheid terugvoert naar het huis van de Vader.

De vondst bij Nag Hammadi heeft een sterke beweging in gang gezet. Allereerst een beweging binnen de theologische wetenschap. Onderzoek van deze oude teksten werkte stimulerend voor bezinningsvragen aangaande de ‘historische Jezus’ en de authenticiteit van bijbelteksten. Buiten de wetenschap zijn veel mensen getroffen door de overeenkomsten van deze geschriften met hun eigen levensbeschouwing.

Het s opmerkelijk dat sommige uitspraken van initieerders van Nieuwe Tijds-bewegingen, zoals Helena Blavatsky, Alice Bailey en Rudolf Steiner, die gedaan werden voor de ontdekking van de kruik bij Nag Hammadi, bijna woordelijk in deze geschriften zijn terug te vinden. Tenslotte zijn er steeds meer mensen die zich geïnspireerd voelen door deze teksten en die aansluiting zoeken bij hun innerlijke ervaring. Voor deze mensen vormen de Nag-Hammadi-geschriften een feest van herkenning.

Willem Glaudemans gaat in deze publicatie in op het beeld dat velen koesteren v`n God. Hij schetst de God van het Oude Testament, die hij gelijkstelt met de demiurg in de Nag-Hammadi-geschriften. Hij poneert dat deze God een ego-god, een projectie van onszelf is. de ware God, Geest overstijgt het dualistische denken. Het is de innerlijke God die in ons en in heel de schepping werkzaam is. Daarbij stelt Glaudemans dat dit godsbeeld onlosmakelijk verbonden is met de idee van de gnostici dat de zichtbare wereld niet de ware wereld is maar de imperfecte schepping van de demiurg.

Dat ziet Roel van den Broek in zijn bijdrage nu juist als een gedachte die niet meer in deze tijd past. Het hermetisme is volgens hem met zijn holistische levensvisie aansprekender voor de mens van nu dan de antieke gnosis met haar onderwaardering van het stoffelijke en het lichamelijke. Dat leidde tot een strenge ascese. Een ascese waar wij vandaag de dag niet op zitten te wachten, volgens Van den Broek.

Overigens stelt hij dat dit beeld niet voor de totale gnosis geldt. Vooral de valentiniaanse gnosis is een ander pad ingeslagen. In het evangelie volgens Filippus wordt de lichamelijke eenwording van man en vrouw gezien als het aardse evenbeeld van de hemelse eenwording, het bruidsvertrek. Deze opvattingen lopen overigens parallel met het  hermetisme.

Van den Broek merkt ook op dat de niet-gnostische geschriften uit de kruik wellicht in de verzameling zijn opgenomen vanwege hun ascetische tendens. Dat lijkt overigens voor de hand liggend als de collectie voordat ze begraven werd, zoals veelal verondersteld, deel uitmaakte van een kloosterbibliotheek. Opvallend is dan wel weer dat  er ook vrijmoediger valentiniaanse en prikkelende hermetische geschriften tussen zaten.

Hoewel de oude gnostische visie op mens en wereld volgens Van den Broek de onze niet meer is, herkent hij wel een actuele waarde voor de andere visie op Christus die uit de Nag-Hammadi-geschriften naar voren komt. Christus is daarin de verlosser en niet de gekruisigde die met zijn bloed de zondaar rechtvaardigt voor God.

Hein Stufkens sluit in zijn bijdrage deels aan bij Glaudemans in diens uiteenzetting over de ego-god. Hij benadrukt de immanentie van God als ons diepste zelf. Alleen als dat zelf in ons de leiding neemt, is de mens in staat de grote crisissen, zowel die in zijn persoonlijk leven als de grote algemene crisissen , te boven te komen.

Vele therapieen die zijn toegesneden op het oplossen van die crisissen zijn gericht op het ‘ik‘ en niet op het zelf. Daarvoor, stelt Stufkens, moeten we bij de gnosis zijn. Dat hebben baanbrekende psychoanalytici als Jung en Assagioli zeer wel begrepen. Zij laten zien dat gnosis op deze wijze kan uitgroeien van een abstracte filosofie tot een levenshouding.

Piet Schelling ziet in zijn bijdrage de gnosis vooral van betekenis voor kerk en theologie door de benadrukking van de immanentie van God. In zijn persoonlijk getint verslag noemt hij nog vijf andere redenen om de Nag-Hammadi-geschriften serieus te nemen. Zo refereert hij aan de opvattingen in de gnosis over een pre-existente Christus die weliswaar in Jezus is neergedaald, maar daar toch ook weer boven uitstijgt. Dit in tegenstelling met de heersende christologie die Christus in hechte relatie stelt met Jezus van Nazareth, ondanks de tendens bij Paulus om Christus in bredere zin te zien. Tegelijkertijd ziet Schelling daarin echter ook een gevaar. Jezus wordt zo veelal uit zijn historisch-joods context gelicht, wat tot een degradatie van het Oude Testament kan leiden.

Jacob Slavenburg signaleert in zijn ‘winst- en verliesrekening’ dat de christelijke kerk weliswaar Jezus en Christus tot één persoon heeft verklaard, maar dat diezelfde kerk ook de herinnering aan het goddelijke zoonschap levend heeft gehouden, een dimensie die bij New Age veelal ontbreekt.

In zijn afsluitende bijdrage stelt hij dat de gnosis verre boven New Age uitstijgt, juist door die Christusdimensie en door de verbinding die gemaakt wordt tussen het transcendente en het immanente. Bewustwording daarvan maakt het koninkrijk accuut beleefbaar.      

Bron: Symposiumbundel ’50 jaar Nag Hammadi en nu?, Slavenburg/Stufkens/Glaudemans/Van den Broek/Schelling

       

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *