Wim van de Laar over de Upanishads en zijn nieuwe vertaling van 18 Upanishaden

boeken Upanishads Wim van de Laar

BESTEL DE UPANISHADS

Mijn allereerste kennismaking met de Upanishads was toen ik, begin twintig en zoekend, het boek Beginselen van de Esoterische Filosofie van de theosoof Gottfried de Purucker in handen kreeg. Daarin komt een passage voor uit het zesde deel van de Chāndogya Upanishad.

Een jongeman, Shvetaketu, wordt door zijn vader onderricht over het werkelijke in de dingen. Hoewel hem al het een en ander helder is, vraagt de zoon almaar door, als een kind dat steeds een nieuwe waarom-vraag opwerpt. Waarom weet een mens niet wie hij is? Waarom vergeet hij zichzelf? Hoe kan de veelheid der dingen voortkomen uit iets wat één en ondeelbaar is?

Als Shvetaketu zijn vader vraagt naar de oorsprong van alles en waarom deze uit zicht blijft, draagt die hem op een vrucht te halen van de vijgenboom en deze open te breken. De zoon doet als gezegd en de vader vraagt hem wat hij ziet. ‘Pitten,’ zegt de zoon. Vervolgens vraagt de vader zijn zoon een van de pitten open te breken en te vertellen wat hij ziet.

De zoon doet opnieuw als gezegd, maar kan nu niets waarnemen. Dat wat zich aan het oog onttrekt, onderwijst zijn vader hem dan, is waaruit deze hele boom tevoorschijn kwam. ‘Je ziet het niet, maar het is er wel degelijk. Dat, die subtiele essentie, is het Zelf van deze wereld. Dat is het Werkelijke. Dat is het Zelf in jou, Shvetaketu. Dat ben jij.’

Die paar woorden en de eenvoud waarmee ze werden gebracht, overdonderden me destijds. De werkelijkheid, of wat ik daarvoor hield, stond plotseling in een ander licht, alsof er een dimensie aan was toegevoegd. Gek genoeg voelde het niet als iets ‘nieuws’. Het was meer alsof ik aan iets herinnerd werd, iets wat ik altijd al geweten had. De volle betekenis van het onzichtbare Dat wist ik nog steeds niet te vatten. Het ontglipte me zo gauw ik het in woorden wilde vangen. Maar het was er, bijna ondraaglijk levendig, onmiddellijk en dichtbij, in mezelf en in alles wat ik zag. Het ‘niets’ van mijn kinderjaren leek opeens ingebed in een ‘iets’. Met die ontdekking was mijn liefde voor de Upanishads geboren.

Mijn liefde werd een speurtocht. Ik las eerst Nederlandse vertalingen van de Upanishads. Algauw stapte ik over op Engelstalige versies. Enerzijds omdat in de Nederlandse lang niet alle teksten waren opgenomen, anderzijds omdat de taal me vaak niet aansprak. Ik verdiepte me in de Indiase filosofie, raakte vertrouwd met begrippen als ‘het Zelf’, ‘illusie’ en ‘non-dualiteit’, en ontdekte grote leraren als Nisargadatta Maharaj en Ramana Maharishi.

Ik was gretig, maar tegelijkertijd had ik twijfels over wat dit allemaal voor mij persoonlijk betekenen moest. Vanuit mijn bastion van zelfopgedane kennis en behept met een kritische blik, voelde ik ook weerstand.

Gelukkig won de liefde het van mijn verzet. De Upanishads voedden mijn nieuwsgierige geest, veel meer dan de andere filosofische teksten uit het Oosten die ik had gelezen. In al hun raadselachtigheid lokten ze me. Ik ging een geheimzinnige wereld binnen van moeilijk te doorgronden, maar krachtig onderricht. Ik las over vreemde rituele gebruiken met offervuren en lofprijzingen aan mij onbekende goden.

Hoe ontoegankelijk veel passages in het begin ook waren, de taal trof me als aards en dichtbij. Zo geeft verwerving van de hoogste kennis niet alleen zoiets begerenswaardigs als onsterfelijkheid – vrijheid van beperking – maar ook roem, nageslacht en vee. Wie een leraar benadert, maakt meteen en zonder omwegen kenbaar waarvoor hij komt.

De uiteindelijke werkelijkheid, zo voorbij alles en toch hier, is voelbaar, want ze bevindt zich in je eigen adem en in je eigen hart. Ze is het zelf van vreugde en van kennen, van liefhebben en van zijn. Ze is in de aarde en in voedsel, in het zonlicht en in de wind in de bomen.

Het is verbazingwekkend hoe lang het heeft geduurd voor er in Europa een vertaling van de Upanishads verscheen. Het contact tussen India en Europa is, buiten wat uitwisseling ten tijde van Alexander de Grote, pas rond 1500 op gang gekomen. De eerst beschikbare vertaling van de Upanishads, Oupnek’hat, is van 1801. Het is de Latijnse versie van een Perzische vertaling, Sirr-i-Akbar (‘Groot Geheim’), die stamt uit 1657.

Na lezing hiervan bestempelde de filosoof Arthur Schopenhauer de Upanishads als de mogelijk meest lonende geschriften ter wereld. ‘Ze waren mij een troost gedurende mijn leven en ze zullen mij tot troost zijn als ik sterf,’ zei deze man, wiens eigen filosofie zo weinig bemoedigend was.

Later in de negentiende eeuw verschijnen er meerdere vertalingen, onder andere van Paul Deussen, een leerling van Schopenhauer, en van Max Müller. De belangstelling voor het oriëntaalse gedachtegoed is binnen Europese filosofische kringen heel beperkt geweest. Soms was er verheerlijking, soms neerbuigende kritiek. In het begin van de Romantiek, rond 1800, adoreerden vooral sommige Duitse filosofen bijna alles wat uit India kwam. Vanuit hun hang naar onschuld en oorspronkelijkheid zagen zij in de Veda’s de bakermat van alle beschaving, ook die van het christendom.

Hegel daarentegen hekelde het ‘stilstaande’ karakter van de brahmaanse opvattingen en de totale ontkenning van individualisme en zelfbeschikking. De Indiase wijze leeft in het verleden, meende hij, en zijn overtuigingen zijn een hindernis voor de onstuitbare vooruitgang waarvan de wereld zwanger is.

Eind negentiende, begin twintigste eeuw komen er vertalingen vooral van Britse en Indiase hand, soms gekleurd door de christelijke, hindoeïstische of theosofische achtergrond van de vertaler. De oudste Nederlandse vertaling dateert van 1840 en is van de hand van P.P. Roorda van Eysinga. In prachtig oud-Nederlands – en met een christelijke verantwoording! – zijn daarin voor het eerst de Mundaka, Kena, Katha en Īsha ‘Opoenishoed’ te lezen.

Daarna volgen nog enkele andere Nederlandse vertalingen, veelal beperkt tot enkele Upanishads of tot fragmenten daaruit. Van langere teksten als de Brihad-āranyaka en Chāndogya Upanishad geeft alleen Ali Beth in Vier Upanisaden een volledige en tekstgetrouwe weergave. Deze vertaling dateert alweer van eind jaren veertig van de vorige eeuw, maar werd pas gepubliceerd in 1977. De taal echter vind ik ver weg en afstandelijk. Ze stijgt eerder naar mijn hoofd dan dat ze mijn hart raakt.

In de loop van de tijd groeide mijn frustratie over de bestaande Nederlandse vertalingen. Vanuit die onvrede ontstond in 2007 het verlangen zelf een vertaling te gaan maken. Tot mijn grote vreugde vond ik daarin al snel de ondersteuning van Philip Renard, in mijn ogen iemand die zicht heeft op de kern van de Indiase filosofie. Zijn ondersteuning bij de vertaling is onmisbaar geweest. Ik zou moedeloos zijn gestrand in de wirwar van dubbele bodems en filosofische implicaties die de Upanishads rijk zijn. Er zijn soms meerdere manieren om de teksten te begrijpen en veel daarvan ligt tussen de regels verscholen.

De huidige vertaling bevat achttien Upanishads. De zogenoemde twaalf Klassieke Upanishads heb ik gecompleteerd met een dertiende, de Maitrī Upanishad, die wonderlijk genoeg nooit eerder in ons taalgebied verscheen. Als toevoeging aan de Māndūkya Upanishad vertaalde ik de tekst die door de latere traditie eraan gekoppeld is geraakt, het eerste deel van Gaudapada’s K-arik-a (‘leerstellige verzen’). Tot slot nam ik nog vijf niet-klassieke Upanishads in deze vertaling op. Ze zijn relatief jong – waarschijnlijk van rond het begin van onze jaartelling – maar van wezenlijke betekenis voor de filosofische stroming van vedānta, vooral voor de non-dualistische variant daarvan, advaita vedānta.

De vertaling is voornamelijk gebaseerd op de ‘gezaghebbende’ Engelse vertalingen en op de belangrijke commentaren, zoals die van Shankara. Ook studies van een aantal westerse wetenschappers zijn van groot belang geweest. Waar het cruciale passages betrof, of waar vertalingen onderling afweken, heb ik de oorspronkelijke Sanskriettekst erop nageslagen.

Hoe kun je doordringen tot een tekst van zo lang geleden, uit een cultuur zo anders dan de onze? Mijn ervaring is dat dat het beste lukt door de teksten voor zichzelf te laten spreken. Het kan heel vruchtbaar zijn ze niet alleen in stilte maar ook hardop te lezen, zoals je een gedicht leest. De kracht van een heilige tekst schuilt niet alleen in de inhoud of de klaarheid van het onderricht. De tekst is zo gecomponeerd dat hij zijn werking krijgt door de woorden in het hier en nu te laten klinken. De resonantie in de ruimte en je lichaam kan het ‘tijdloze weten’ naar boven brengen, zo is de gedachte.

De auteur hechtte daarom niet alleen aan woordbetekenis en woordschikking, maar ook aan klankkleur en intonatie. Spraak en taal golden als een belangrijke opening naar bevrijding. Elke vertaling ontbeert die oorspronkelijke kracht van het Sanskriet. Daardoor gaat onherroepelijk veel verloren. Wie zich waagt aan een vertaling, moet de intentie van de brontekst in de doeltaal trouw zien te blijven. Ook in het Nederlands moet de tekst ‘klinken’. Daarmee werd deze vertaling onvermijdelijk ook een ‘omtaling’.

Het is mijn ervaring dat er – door herhaald en hardop lezen – openingen kunnen ontstaan waardoor je aanvankelijk onbegrijpelijke passages steeds meer gaat doorgronden. Stel je open, zou ik willen zeggen, en laat de teksten zelf spreken. Vooringenomenheid of ‘willen weten’ staan inzicht in de weg. De Upanishads spelen een spel van openbaring en verhulling. Regelmatig zetten ze je op een verkeerd of onwennig been. Via een kwinkslag kunnen ze je ineens even verlossen van oude, nauwe denkkaders. De paradoxale beweringen en het ‘mysterie’ waar de Upanishads zo rijk mee gevuld zijn, lijken mede bedoeld je innerlijke ruimte op te schonen.

Bron: De Upanishads van Wim van de Laar

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *