2 van 5 – Leven in vrijheid – hoofdstuk 2 van module 37 Innerlijke Bron

GA NAAR HET WEBINAR OVER WAARHEID OP WOENSDAG 19 MEI 20.00 UUR

EENHEID – VRIJHEID – LIEFDE – WAARHEID – GERECHTIGHEID

Het tweede hoofdstuk van de cyclus Innerlijke Bron (module 37, Leven in eenheid, vrijheid, liefde) gaat over vrijheid. Eén van de grote vragen waar de mensheid door alle tijden heen mee geworsteld heeft, is: bestaat er vrijheid? Of is alles reeds bepaald? Wordt de mens door een lot voortgedreven? Is het zoals een Griekse stoïsche filosoof stelt: ‘Het lot leidt de willige, maar sleept de onwillige voort?’ Of zoals een Engelse dichter het formuleert: ‘Als het lot sommeert, moeten koningen gehoorzamen.’

Kortom, de vraag is: is alles al voor ons bepaald, voorbeschikt? Is er voor ons enige speelruimte: is er een vrije wil? Intuïtief zijn we geneigd te denken dat we inderdaad een vrije wil hebben. Zo kunt u nu besluiten om te stoppen met luisteren en iets anders te gaan doen. Vandaar dat het probleem van de vrije wil een klassiek probleem is. 

Het lot bepaalt 

Kijken we eerst eens naar opvattingen uit het verleden. Dat er zoiets bestaat als een lot, is in het oude volksgeloof diepgeworteld. Het geloof dat er hogere machten in het spel zijn, is zo oud als de historie. De epische dichter Hesiodus (rond 700 v. Chr.) was de eerste autoriteit die de schikgodinnen omschreef als drie oudere vrouwen, die iemands lot bij zijn geboorte bepalen door de levensdraad te spinnen. De een houdt de spinrokken vast en spint de draad. Een tweede meet de draad af en een derde knipt hem door met haar schaar om het moment van overlijden vast te stellen.

De Romeinen kenden het begrip lot ook en noemden het fatum. Het fatum is een onverbiddelijk gebod van de goden. En onze woorden fataal en fatalistisch komen van het woord fatum. Er is geen ontkomen aan, een que sera sera – mentaliteit. Menselijk streven heeft geen zin, want wat zal zijn, zal zijn. We kunnen net zo goed achteroverleunen en het laten gebeuren: Gods water over Gods akker laten stromen.

Omgaan met het lot

Het zwakke punt van zo’n benadering is dat niets doen, omdat ‘je toch aan de beurt komt’, een zeer plausibel alternatief negeert, namelijk dat als we ingrijpen en iets doen, we wel eens zou kunnen voorkomen dat we aan de beurt komen. Interessant en wat genuanceerder is de opvatting vanuit de stoïcijnse hoek. Epictetus (1e-2e eeuw v. Chr.) vatte de relatie van de mens met het lot, naar wat zij zou moeten zijn, namelijk een amor fati, wat letterlijk betekent ‘liefde voor het lot, voor God’, prachtig samen in het volgende citaat:

Onthoud dat je een acteur bent in een toneelstuk en dat de regisseur bepaalt voor welk bedrijf hij je aanneemt. Hij maakt uit of je lang of kort mag meespelen. En of hij je nu de rol van arme sloeber, een kreupele, een heerser of een gegoede burger geeft, je dient je rol met waardigheid te spelen! Want de rol die ons is toebedeeld goed te spelen, dat is onze taak. Het kiezen ervan is de taak van een ander.

LEES MEER OVER DE STOÏCIJNSE GIDS VOOR GELUK

BESTEL DE STOÏCIJNSE GIDS VOOR GELUK

Maar, beste mensen, wie is de regisseur? In de opvatting van de Stoa is dat de logos, de goddelijke rede, de voorzienigheid die het universum bestuurt. Datgene wat binnen de macht van de mens ligt, kan een mens zelf besturen. Datgene wat buiten zijn macht ligt, dient hij met opgeheven hoofd te accepteren, dus op zijn stoïcijns.

Een beschreven of onbeschreven blad?

Vanuit de religieuze hoek was er in de oudheid weinig ruimte voor een vrije wil. Als de schepper alwetend is, moet hij onze keuzes tevoren kennen en als hij almachtig is, moeten onze daden tegelijk met de rest van zijn schepping vooraf zijn bepaald. De kerkvader Augustinus (5e eeuw n. Chr.) zag erg weinig in een vrije wil en postuleerde de erfzonde. In de zestiende eeuw stelden, in navolging van Augustinus, zowel Luther als Calvijn dat God al onze keuzes van tevoren bepaald heeft, en dat daarom vooraf bepaald is ‘wie wordt behouden en wie veroordeeld’. De zogenoemde predestinatie of het voorbestemd zijn. 

Pelagius, een welbespraakte en door iedereen gerespecteerde Ierse monnik, stond lijnrecht tegenover zijn tijdgenoot Augustinus. Hij was van mening dat de mens wel een vrije wil heeft. Er bestaat bij hem niet zoiets als een erfzonde: kinderen zijn volgens hem bij hun geboorte even onschuldig als Adam in het paradijs. Als het ware een onbeschreven blad. Het komt er dan ook op aan om deugdzaam te leven: het goede zal uiteindelijk beloond worden en het kwade bestraft.

Als hulp heeft God in het Oude Testament de wet gesteld, met zijn strikte leefregels. In het Nieuwe Testament heeft hij het voorbeeld van Jezus Christus gegeven. Jezus zei immers: ‘Weest mijne navolgers!’ De oudtestamentische mens heeft de geboden en wetten nog nodig als richtsnoer en leeft daarmee onder de wet. De nieuwtestamentische mens, die Jezus navolgt, heeft de correcties van de wet niet meer nodig; hij is de wet ontstegen en is zichzelf tot een wet geworden.

Wat je zaait, zal je oogsten

Vanuit de oosterse religie, met name het hindoeïsme en boeddhisme, kennen we het concept van karma en reïncarnatie. Ook niet onbekend in het Westen. De Bijbel spreekt immers ook over: ‘Wat je zaait, zal je oogsten.’ Ook diverse spreekwoorden in onze taal drukken dit uit. ‘Wie goed doet, goed ontmoet’ bijvoorbeeld. En’: ‘Wie de bal kaatst, kan hem terugverwachten.’ Karma betekent handeling en gaat uit van de opeenvolging van oorzaak en gevolg. Elke oorzaak, elke daad heeft een gevolg, causaliteit. Op elke actie volgt een reactie. Het is dus niet God die straft, maar een natuurwet die zijn werk doet. 

Karma is op zich niet goed of slecht en werd daarom bij de Grieken, die haar Nemesis noemden, afgebeeld met een blinddoek en een weegschaal. Karma confronteert een mens op volledige objectieve wijze met situaties uit het verleden, vandaar de blinddoek van Nemesis. Het leven is geen straf maar biedt mogelijkheden om tot inzicht te komen. Het leven is een leerschool.

Samenvattend kunnen we zeggen dat zowel godsdienst als filosofie in de oudheid, uitzonderingen daargelaten, niet al te veel ruimte boden voor het idee van een vrije wil en voor de vrijheid in het maken van keuzes. Hoe denken we daar tegenwoordig over? 

Een ideale samenleving 

In de twintigste eeuw kwamen er allerlei ideologieën op, die een ideale samenleving beoogden te creëren. Allereerst zagen we het zogenaamde modernisme, daarna het postmodernisme en momenteel het hypermodernisme. Wat houden deze ‘ismen’ in?
Het modernisme stond voor de idee van het verbeteren van de samenleving door middel van politieke bewegingen. Men wilde de mensen bevrijden van hun beperkingen door een harmonische samenleving te creëren met gelijke kansen voor iedereen. Zo ontstonden bewegingen als het socialisme, het communisme en het humanisme. 

Maar helaas, de uitzichtloze loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, de massavernietiging in Auschwitz en in de goelagkampen tot en met het neerslaan van de Praagse Lente, zij alle tonen de schrijnende discrepantie tussen ideologie en werkelijkheid. 

Vrijheid en blijheid… 

In de tijd daarna, in het postmodernisme, was men uitgekeken op de oude ideologieën en op de daarmee vaak verbonden autoritaire regeringen. ‘Vrijheid en blijheid’ was in de jaren ‘60 en ‘70 het nieuwe motto. Men wilde loskomen van de bekrompen burgerlijke moraal, wat onder andere tot uiting kwam in studentoproeren en in de love, peace and understanding-mentaliteit van Woodstock. Ook de pil en de vrije seksuele moraal, de moderne kunst en de protesten tegen de Vietnamoorlog waren uitingen van een lossere levenswijze. De vrijheid van het individu, daar ging het om. Vrij zijn en loskomen van de burgerlijke moraal, die als verstikkend werd ervaren. ‘Burgerlijk’ werd min of meer een scheldwoord. 

Dit had ook tot gevolg dat het geloof afgewezen werd en dat men niet meer bij een kerk wilde horen. Een gigantische aardverschuiving was dat en feitelijk gaat deze ontkerkelijking nog steeds door. In Nederland vormen de kerkelijken momenteel minder dan een kwart van de bevolking. Er ontstond inderdaad meer individuele vrijheid, maar een nadeel was dat de sociale betrokkenheid steeds kleiner werd en men er als individu steeds meer alleen voor kwam te staan. Je hoorde nergens meer bij, je kende je buren niet eens en vereenzaming was (en is) echt een probleem geworden. 

Zijn we maakbaar? 

In de jaren ‘80 en daarna brak aan wat we nu ook wel hypermoderniteit noemen. Maakbaarheid is nu het toverwoord en de vrije markt speelt hierin een grote rol. Er is een nieuwe moraal ontstaan: als vrij individu moet je succesvol zijn. En daar worden best hoge normen aan verbonden.

Ook in onze vrije tijd willen we succesvol zijn en vooral ‘iets beleven’. We willen vermaakt worden en op avontuurlijke vakanties gaan. We bezoeken concerten en festivals, als welkome afleiding van ons drukke bestaan. Jongeren gaan naar pretparken en willen bungeejumpen, terwijl ouderen cruises maken naar exotische streken. We willen allemaal heel graag ‘leuke dingen doen’. En al deze bijzondere activiteiten willen we graag etaleren, delen op social media en hopen daarbij op zoveel mogelijk likes. 

Deze cultuur van leuke dingen doen gaat langzaamaan over naar een cultuur van ‘anders willen worden’. We willen onszelf graag updaten naar een 2.0 versie, een verbeterde versie van ons. En jawel, de hulptroepen om ons hierin te begeleiden, staan in lange rijen klaar: psychologen, therapeuten, coaches, zelfhulpboeken, websites en tv-programma’s helpen ons om een ‘beter zelf’ te worden. 

Deze behoefte om beter te willen zijn, kan zeker positief uitwerken. Want de basis ervan is dat we beseffen dat we onvolmaakt en beperkt zijn als mensen. Daarom zoeken we immers naar iets beters. We willen vooruit. Maar de grenzen van ons streven naar succesvol zijn, naar het vermaakt willen worden en naar een beter mens willen zijn, zijn genaderd. In een bepaald opzicht is dit zeker positief. Want ons streven kan een volstrekt nieuwe dimensie krijgen, als we onze zoektocht voortzetten op een meer speciaal niveau. Wat dat betreft leven we nu echt in een uitzonderlijke tijd. 

Het beste uit jezelf halen 

In het dagelijks leven, op het werk en in de vrije tijd, ervaren we momenteel een grote druk. Alles moet meer en beter. Aan de ene kant moet je meer genieten, maar aan de andere kant ook steeds beter presteren en sowieso het beste uit jezelf halen. Kortom, je moet excellent zijn, je droom verwerkelijken, je bucketlist afwerken en ga zo maar door! Je hebt immers maar één leven, en daar moet je alles uit halen. 

Maar zoals aan alles, hangt ook aan dit streven een prijskaartje. Het creëert namelijk een enorme psychische druk. Waar doen we goed aan, wat kunnen we beter laten? Wat moeten we kiezen om het beste te krijgen? Ouders staan voor de keuze welke school de beste is voor hun kinderen. Daarna is er een keuze welke studie je wilt volgen, welke loopbaan je kiest. Kortom: er dient zich keuzestress aan. En als je dan werkt, wordt er van je verwacht dat je ook dan op je allerbest presteert.

De zin van het leven wordt steeds meer afgemeten aan het succes dat je boekt en daar ben je helemaal zelf verantwoordelijk voor. Dat kan een enorme last worden. Dat blijkt ook uit het schrikbarend toenemend aantal burn-outklachten onder jongeren. 

Alles is een gevolg 

In het Westen heeft de wetenschap als instituut momenteel de macht van de kerk overgenomen. Maar net zoals de kerk is ook de wetenschap vrij pessimistisch over het bestaan van een vrije wil. In de wetenschap gaat men ervan uit dat elke gebeurtenis een voorafgaande oorzaak heeft, en dus door die oorzaak bepaald is, het determinisme. Alles is dus een gevolg van alles wat eraan vooraf is gegaan. Als in een eindeloze kettingreactie terug in de tijd. Als in een dominospel valt het ene blokje als gevolg van het vallen van een naastliggend blokje. Elke gevolg heeft een oorzaak en zo kom je uiteindelijk uit bij een allereerste oorzaak: the big bang?

Tot nadenken stemt een onderzoek waarbij ontdekt werd dat er al activiteit was in een
bepaald deel van de hersenen, voordat proefpersonen zich zelfs maar bewust waren van hun voornemen om iets te gaan doen. Hoe kan dat? Waar is onze vrije wil dan in dit proces? Hoe bewust zijn wij eigenlijk? Er wordt in de psychologie beweerd dat wij maar voor 5 procent bewust handelen en dat de rest onbewust gebeurt, oftewel reflexmatig. Klopt ook wel. Onze ogen kunnen 10 miljoen bits per seconde informatie verwerken, maar bijvoorbeeld bij lezen worden we ons maar van slechts 45 bits per seconde bewust! 

De wetenschap is bezig de levensverwachting van mensen te onderzoeken en verwacht de ‘houdbaarheidsdatum’ van de mens steeds verder op te kunnen rekken tot misschien wel 150 jaar. En het leven niet alleen te verlengen, maar het ook te verbeteren door ziekten te overwinnen. Achter dit alles schuilt de wens tot vervolmaking. Uitbannen van alle ziekten en streven naar onsterfelijkheid, dat is immers de grote droom. Het is de oude wens om de hemel op aarde te vestigen. Die drang zit ons kennelijk in het bloed. 

Vrijheid ligt als een zaad in ieder mens 

Wanneer we een balans opmaken van alle voorgaande overwegingen over de vraag of er wel een vrije wil is, dan lijkt het dat de marges om vrij te handelen tamelijk klein zijn. Kan er nog wel hoop zijn op vrijheid? Op welk vlak kan er eventueel nog sprake zijn van vrijheid? Waar komt dat intuïtieve weten vandaan, dat we wel de beschikking hebben over een vrije wil en waarom blijft de vraag: ‘Is er een vrije wil?’ in alle tijden zo’n klassiek probleem? Vrijheid ligt als een zaad in ieder mens, zo luidt de eerste regel van een rozenkruis-jeugdlied. Welke vrijheid wordt hier bedoeld? En hoe kunnen we deze vrijheid weer tot leven wekken? De heilige taal stelt dat werkelijke vrijheid, werkelijk innerlijk vrij zijn, alleen mogelijk is door het herstel van de binding met de geest, want ‘waar de geest des heren is, daar is vrijheid’. 

Maar hoe vindt deze binding met de geest plaats? In het zesde boek van Hermes Trismegistus treffen we de volgende overwegingen aan (uit De Egyptische Oergnosis deel 2): 

Al wat bewogen wordt, beweegt niet in iets dat zelf bewogen wordt, maar in iets dat onbeweeglijk is. De beweegkracht zelf is ook onbeweeglijk, omdat zij geen deel kan hebben aan de beweging die zij zelf teweegbrengt.’

Dan wordt in dit geschrift de vraag gesteld: 

Maar op welke wijze worden dan de dingen hier op aarde meebewogen met die welke hun beweging veroorzaken? Want gij hebt gezegd Hermes, dat de zondige sferen bewogen worden door de sfeer van de zondelozen.’

Het antwoord van Hermes luidt: 

Daarbij is geen sprake van een gemeenschappelijke beweging, maar van een tegengestelde beweging, niet van een meebewegen, maar van een tegenbewegen.’

Wat bedoelt Hermes Trismegistus hiermee? 

Stelt u zich het universum eens voor in een volkomen maagdelijke toestand, als ledig, zoals ook in de proloog van het Genesisverhaal. Op de oernatuur van het begin werken zeven stralen in, die van het onbeweeglijk koninkrijk uitgaan, zeven krachten van het universele geestveld, van God. Deze zijn elk zevenvoudig van aard. Deze zeven maal zeven stralen bepalen elkaar. Zij vertegenwoordigen het volstrekte leven, de volstrekte liefde, de volstrekte intelligentie, de volstrekte wijsheid, de volstrekte toewijding en de volstrekte bevrijdende daad (De Egyptische Oergnosis deel 4). 

BESTEL DE 4 DELEN VAN DE  EGYPTISCHE OERGNOSIS VAN € 90,- VOOR € 75,-

Meebewegen in het godsplan 

Zodra nu deze zeven stralen de oernatuur binnentreden, ontstaat er een beweging. Dit bewegen is altijd een volmaakt meebewegen. Door het meebewegen wordt het godsplan uitgedragen en in de ruimte van de natuur gemanifesteerd. Al het geschapene draagt het wezen van het goddelijke in zich. In al het geschapene ligt een goddelijk doel als een zaad besloten. Een doel dat slechts door meebewegen kan worden verwerkelijkt. 

In onze huidige situatie als dialectische mens staan we meer in een tegenbewegen. Als je tegenbeweegt, geeft dat onvermijdelijk wrijving, afremming en stagnatie. Je werkt tegen het in beweging zijnde plan in en kristallisatie is het gevolg, een soort van vastroesten zou je het kunnen noemen. 

Maar elke geboorte geeft steeds weer een nieuwe kans om over te gaan in een meebewegen. Elk doorleefd leven bouwt ervaring op en nieuw inzicht, net zo lang totdat er in de microkosmos wordt gereageerd op de roep om te gaan meebewegen en terug te keren naar een oorspronkelijke vorm van leven, naar een nieuwe vorm van menszijn. 

Het kernwezen van ‘het koninkrijk Gods in ons’ wordt met een zaad vergeleken dat nog ontkiemen en groeien moet. Wij hebben als natuurgeboren mens hierin een taak. Ware menswording gaat niet automatisch. Als dat zo was, dan zou de mens een automaat zijn, verstoken van een vrije wil. Het goddelijke zaad ontkiemt, de innerlijke bron gaat stromen, indien de mens daarnaar toeleeft. 

Iemand heeft ooit gezegd: ‘God maakt dingen die zichzelf maken’. En heeft er ter verduidelijking aan toegevoegd: God maakt geen dingen, maar hij maakt dat ze zichzelf maken. 

De wording van de ware mens is, zoals gezegd, geen automatisch proces, maar een bewust meewerken, een volledig meebewegen. God legt de kiem in ons als een energetische blauwdruk. Wij zelf, zoals we nu op dit moment zijn, moeten het plan realiseren. Niet in ons eentje, nee, we worden erbij geholpen! De vele fakkeldragers beschreven in het boek Mysteriën en fakkeldragers van het Rozenkruis, geschreven door André de Boer, zijn een bewijs van de rijkelijk geboden hulp. 

DOWNLOAD 88 VAN DE 432 PAGINA’S (PDF)

BESTEL MYSTERIËN EN FAKKELDRAGERS VAN HET ROZENKRUIS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *