Zhuang Zi, de volledige geschriften – vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper

BESTEL ZHUANG ZI, DE VOLLEDIGE GESCHRIFTEN

De geschriften van Zhuang Zi behoren tot de meesterwerken uit de wereldliteratuur. Zhuang Zi (spreek uit: Dzwángdze) is een tijdgenoot van Aristoteles, maar zijn ideeën zijn totaal anders. In deze grootscheepse verzameling van fascinerende verhalen, diepzinnige beschouwingen en scherpe maatschappijkritiek gaat het in de eerste plaats om onze eigen vrijheid. Hij lacht om menselijke vooroordelen en taboes en heeft niets op met het zinneloos najagen van onhaalbare idealen. In plaats daarvan toont ons hoe wij, in eenvoud en stilte, door ons dagelijks werk en door meditatie, de Tao van de eenheid tussen mens en natuur kunnen volgen. 

Dit is een van de oerteksten van het taoïsme. Het heeft een zeer grote invloed uitgeoefend, niet alleen op de filosofie, maar ook op de kunst van het Verre Oosten. Kristofer Schipper geeft hier de eerste volledige Nederlandse vertaling en waar nodig toelichting. Hij vertaalde eveneens Het boek van de Tao en de innerlijke kracht van Lao Zi en De gesprekken van Confucius. Hieronder volgen het begin van de inleiding en de inhoudsopgave.

INLEIDING

Van alle literatuur uit de oudheid dit tot ons is gekomen, spreekt geen enkele ons zo aan als de Chinese. Sommige werken, zoals het Boek van Tao en zijn deugd (de Daodejing) van Lao Zi of De gesprekken van Confucius (de Analecta), worden overal ter wereld nog gretig gelezen. Ook de nu voor u liggende geschriften van Zhuang Zi (de Zhuangzi) behoren tot de oorspronkelijkste en invloedrijkste werken uit de wereldliteratuur. Toch werd het nog niet eerder direct uit de oorspronkelijke Chinese tekst in het Nederlands vertaald, en waarschijnlijk is dit boek daarom in Nederland tot op heden vrij onbekend gebleven.

Zhuang Zi’s geschriften behoren tot de oudste taoïstische teksten. Men neemt aan dat ze gedurende de vierde en derde eeuw voor onze jaartelling zijn geschreven. Meester Zhuang, wiens eigennaam ‘Zhou (‘de Volkomene’) was, moet omstreeks 360 tot 300 voor onze jaartelling geleefd hebben, hetgeen hem tot een tijdgenoot van Aristoteles maakt. Er is heel weinig over Zhuang Zhou bekend, en nog minder over de omstandigheden waaronder het boek dat zijn naam draagt tot stand is gekomen.

Om te beginnen moeten we ons realiseren dat Meester Zhuang onmogelijk de auteur kan zijn van álle geschriften die hier zijn verzameld. Alleen het oudste gedeelte, dat wil zeggen de Innerlijke geschiften (hoofdstuk 1 t/m 7), stamt uit de tijd dat Zhuang Zhou geleefd moet hebben. De twee andere gedeelten van het boek, de Uiterlijke geschriften (hoofdstuk 8 t/m 22) en de Gemengde geschriften (hoofdstuk 23 t/m 33), zijn van later datum. Wanneer ze precies zijn geschreven weten we niet, maar wel dat ze omstreeks 240 voor onze jaartelling al bestonden.

Niet het werk van één auteur dus, maar de traditie van een hele school over een periode van ongeveer honderd jaar ligt in deze geschriften besloten. Er bestaat desalniettemin een hecht verband tussen de verschillende delen. De later geschriften bouwen voort op de vroegere, en passen het gedachtegoed aan bij hun eigen tijdperk. Daarom zijn de geschriften ook collectief als ‘de Zhuangzi’ onder de aegis van ‘Meester Zhuang’, de grondlegger van de school, geplaatst. Het weinige dat over Zhuang Zi en over zijn school bekend is zal ik hieronder proberen uit te werken teneinde enkele aanknopingspunten te vinden.

Van alle taoïsten uit de oudheid,’ schreef Marcel Granet (1883-1945, een van de grootste sinologen), ‘lijkt alleen Zhuang Zi echt bestaan te hebben. Men weet echter niets van hem, behalve zijn naam […]. Hoe dan ook, hij was buitengewoon goed op de hoogte van alle ideeën die in zijn tijd opgang deden. Weinig Chinezen bezaten een vergelijkbare leergierigheid en openheid van geest. Niemand was vrijer en objectiever in zijn oordeel dan hij en hierin was hij een perfecte taoïst: van zijn leven is geen enkel spoor overgebleven behalve een boek, sprankelend van genie en fantasie.’ 

Mooi gezegd en als uitgangspunt zeker niet onredelijk, want alle voor en ook na Granet geschreven inleidingen op het werk van Meester Zhuang zijn over het algemeen wel langer van stof, maar niet veel rijker aan informatie. Ze beperken zich vrijwel altijd tot een uiteenzetting over de filosofische scholen die in de Chinese oudheid bestonden en wat hun respectieve kenmerken waren. Dat is misschien leerzaam, maar we hebben er niet veel aan, want, zoals we zullen zien, de geschriften die samen het collectieve werk van de Zhuangzi uitmaken lijken helemaal niet op die van de andere bekende scholen. 

De meeste filosofische scholen hadden een politieke rol, en hun boeken waren bedoeld als raadgevingen voor een vorst. In hun latere tijden hielden de koningen van de verschillende landen van de Chinese federatie er academies op na waar ze een aantal hun welgevallige filosofen onderhielden. Maar dit alles gaat niet op voor de Zhuangzi. Nergens in de geschriften vindt men aanwijzingen van politieke doeleinden of van een vorstelijk mecenaat, anders dan om er de gek mee te scheren. 

Ook in andere opzichten is de Zhuangzi uniek. Geen enkel Chinees boek is er wat betreft taal, stijl en inhoud mee te vergelijken. Het enige boek uit de oudheid dat tot dezelfde taoïstische traditie als de Zhuangzi behoort is het Boek van de Tao en zijn deugd (de Daodejing of Tao Teh King). Er bestaat een grote overenkomst in de gedachtewereld van beide boeken, en de aforismen van de ‘Oude Meester’ (Lao Zi), ook genoemd  ‘Oude Langoor’ (Lao Dan), worden in de Zhuang Zi veelvuldig aangehaald. Maar wat vorm en stijl betreft liggen de twee werken ver uit elkaar. 

De Daodejing is een korte tekst van niet veel meer dan vijfduizend karakters die de grondbeginselen van het taoïsme neerlegt in korte paradoxen. De geschriften van Meester Zhuang zijn daarentegen veel meer uitgewerkt, met allerlei korte verhalen, filosofische beschouwingen, toespraken, mystieke gedichten en wetenschappelijk observaties, alle doorspekt met wonderlijke en humoristische elementen. 

De opeenvolging van de verschillende passages werkt als een caleidoscoop: de stijl heeft vele schakeringen; soms ernstig en plechtig, nu eens ingetogen, dan weer vrolijk, oneerbiedig en zelfs niet zonder onomwonden provocatie en heiligschennis. De Daodejing is als een zang, de Zhuangzi is vergelijkbaar met een symfonie of zelfs met een heel concert. 

De invloed van de Zhuangzi op de Chinese en Japanse beschaving kan moeilijk overschat worden. Deze invloed is zonder meer grensoverschrijdend, want niet alleen taoïsten maar ook confucianisten en boeddhisten hebben voortdurend de Zhuangzi bestudeerd en zijn gedachtegoed eigen gemaakt, en ook veel dichters en schilders zijn erdoor geïnspireerd.

Daar komt bij dat men onder alle oude Chinese boeken alleen in de Zhuangzi verhalen vindt over het gewone volk, niet alleen over ambachtslieden, maar ook over handelaren en boeren. De Zhuang Zi is zeer anticonformistisch, en alleen de Zhuangzi paart een grote diepzinnigheid aan een duidelijk gevoel voor satire en humor. 

Dit alles veronderstelt een zeer vrije en ontwikkelde geest. Zoiets kan natuurlijk overal voorkomen, maar veelal kan een dergelijke geest zich slechts ontplooien en weerklank vinden in een eveneens vrije, vredelievende en kunstzinnige omgeving, en niet in een feodale en ritualistische samenleving. Toch wordt de tijd waarin de Zhuangzi tot stand kwam als zodanig gezien.

Er is vaak op gewezen dat het tijdperk waarin de Chinese filosofie zich ontplooide overeenkomt met der grote klassieke periode in Athene. Het probleem is echter dat niets wat over het algemeen over China in diezelfde tijd wordt geschreven hiermee overeenstemt. In China, zo luidt de officiële geschiedschrijving, was dit de tijd van de ‘Strijdende Staten’, een, zoals de benaming al uitdrukt, afschuwelijke periode van oorlogsgeweld die ruim tweeënenhalve eeuw, van omstreeks 500 tot 221 voor onze jaartelling, duurde. Dit is de laatste fase, de stuiptrekkingen mag men wel zeggen, van de oostelijke Zhou-dynastie (771-221).

Onder deze dynastie bestond China uit een soort federatie van feodale leenstaten die zich onder de rituele en religieuze autoriteit schaarden van de koning van Zhou (‘de Zoon des Hemels’), maar verder vrijwel onafhankelijk waren. In latere tijden brokkelde de autoriteit van de Zoon des Hemels steeds verder af. Menig hertog of graaf nam zelf de titel van koning aan en begon de strijd om de heerschappij over de andere staten te verwerven.

In de geschiedschrijving wordt deze tijd dan ook beschreven als gekenmerkt door voortdurende chaos en verschrikking, door nietaflatende, steeds heviger wordende oorlogen en de opkomst van ‘barbaarse’ samenlevingen; kortom een tijd van maatschappelijke en geestelijke ontreddering waarin de oude (lees ‘confucianistische’) waarheden van China geheel en al verloren gingen. De opkomst van de bovengenoemde filosofische scholen wordt dan ook consequent toegeschreven aan het radeloos zoeken van de grote geesten uit die tijd naar een uitweg uit de chaos en een terugkeer naar een maatschappij van orde en morele waarden. 

De geschiedschrijving die deze negatieve visie heeft verspreid dateert echter uit een later tijdperk, namelijk dat van het tweede keizerrijk, de Han-dynastie (202 voor onze jaartelling tot 220 erna). Niet alleen had deze dynastie er belang bij de aan haar voorafgaande periodes in een zo duister mogelijk daglicht te stellen, bovendien was toen het confucianisme de dominerende ideologie van het rijk geworden. 

Voor de confucianisten was de periode, die zij de naam van ‘Strijdende Staten’ gaven, een tijd waarin de klassieke leer van Confucius in verval was geraakt. Vandaar dat ze er geen goed woord voor overhadden, noch voor de cultuur, noch voor de samenleving, en nog in het minst voor het taoïsme dat in die tijd opgang deed. Het zijn immers juist de confucianistische zedenpreken over morele en maatschappelijke orde waar onze Zhuang Zi voortdurend de draak steekt!     

Stel dat het traditionele confucianistische beeld van de tijd waarin Zhuang Zi leefde niet juist of in ieder geval erg tendentieus en onvolledig is, hoe moeten we dan een beter beeld krijgen? Dat is niet makkelijk, want alle bewaard gebleven Chinese geschiedschrijving is bij uitstek confucianistisch – iets dat moderne onderzoekers maar al te vaak vergeten. Sinds hdet begin van de twintigste eeuw zijn er echter grote vorderingen gemaakt in de Chinese archeologie, en hierdoor krijgen we van de periode waarin Zhuang Zi geleefd moet hebben een heel ander beeld…

INHOUDSOPGAVE

  1. Zwerven, vrij en blij
  2. Verhandeling over de gelijkheid der dingen
  3. Richtlijnen om het leven te voeden 
  4. De wereld van de mensen
  5. Het teken van volkomen deugd
  6. De meester van de grote leer
  7. Koning in zijn overeenkomst met het opperwezen
  8. Tenen met vliezen
  9. Paardenhoeven
  10. Koffers openbreken
  11. De vrije loop
  12. Hemel en aarde
  13. De Tao van de hemel
  14. De kringloop van de hemel
  15. Vooroordelen
  16. De natuur verbeteren 
  17. Herfstvloed
  18. Het volmaakte geluk
  19. Het leven doorgronden
  20. De boom in de bergen
  21. Tian Zifang
  22. Kennis reisde naar eht noorden
  23. Gengsang Chu
  24. Xu Wugui
  25. Ziyang
  26. Uiterlijke dingen
  27. schuilwoorden
  28. Afstand doen van het koningsschap
  29. Rover Voetpad
  30. Over zwaarden
  31. De oude visser
  32. Lie Yukou
  33. Alles onder de hemel

Zoeklijst van onderwerpen

Bron: Zhuang Zi, de volledige geschriften – het grote klassieke boek van het taoïsme vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper.     

BESTEL ZHUANG ZI, DE VOLLEDIGE GESCHRIFTEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *