De gesprekken, het meest fundamentele geschrift van Confucius, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper

BESTEL CONFUCIUS – DE GESPREKKEN

De beroemde Chinese filosoof Confucius geeft aan bestaande woorden een nieuwe inhoud. Zo is de koning als ‘zoon van de hemel’ voor hem niet zozeer de afstammeling van een goddelijke voorvader, maar wel een vertegenwoordiger van het hoogste morele gezag. Schiet de koning in deze rol tekort, dan verliest hij automatisch het mandaat om te regeren dat de hemel hem gegeven heeft. Onder die omstandigheden is een revolutie onvermijdelijk en zijn opstanden om dit teweeg te brengen volgens hem gerechtvaardigd.

De gesprekken van Kristofer Schipper is de eerste volledige en rechtstreeks uit het klassiek Chinees vertaalde Nederlandse uitgave van Confucius’ uitspraken en dialogen. Naast Lao Zi is hij de beroemdste filosoof van China: als grondlegger van het confucianisme heeft hij dit land en diens beschaving door de eeuwen heen gekenmerkt. De gesprekken (Lunyu) is de fundamentele en ook meest toegankelijke bron van zijn denken en humanistische levensbeschouwing. Confucianisme en taoïsme zijn tegengesteld maar vullen elkaar ook aan. Beide denkrichtingen zijn bepalend voor de Chinese cultuur. In de geschriften van Lao Zi en Zhuang Zi is er een voortdurende dialoog gaande met Confucius en zijn school. In De gesprekken komt het taoïsme ook ter sprake.

VOORWOORD

Confucius (551-479 v. Chr.) was de eerste filosoof die ver buiten zijn land, tot in andere werelddelen en culturen, beroemd werd. Als teken dat hij niet onderdeed voor grote denkers uit de Griekse en Romeinse oudheid werd in Europa in de zeventiende eeuw zijn naam gelatiniseerd. Zijn denken heeft de intellectuele en staatkundige tradities van Oost-Azië duurzaam beïnvloed. Alle andere denkrichtingen hebben ermee rekening moeten houden. De hevige kritiek waaraan Confucius in een recent verleden in China zelf heeft blootgestaan, bewijst a contrario hoe belangrijk hij wel is. Nu dit tijdperk voorbij is, wordt de waarde van zijn ethisch humanisme opnieuw erkend.

De gesprekken is het meest toegankelijke werk uit de omvangrijke confuciaanse literatuur. Het is het eerste Chinese boek dat het Westen leerde kennen. Toch bestond tot nu toe in onze taal nog geen volledige en op basis van de oorspronkelijke klassiek Chinese tekst gemaakte vertaling; een lacune die het huidige boek beoogt te vullen.

De gesprekken telt in de thans gangbare uitgave twintig hoofdstukken (eigenlijk: ‘schriftrollen’) die in totaal ongeveer vijfhonderd uitspraken van Confucius en zijn leerlingen bevatten. Soms maken die uitspraken deel uit van een korte dialoog, maar meestal gaat het om een of meer korte regels zonder verdere aanduiding van de omstandigheden waarin die zijn geuit. 

De stijl van de spreuken is direct en bondig, maar men moet rekening houden met de aanwezigheid van allerlei bijwoordelijke bepalingen die de inhoud relativeren en hem soms een ironisch of zelfs sarcastisch tintje geven. Over het geheel genomen kenmerkt de stijl van ‘De gesprekken’ zich door wat in het Chinees ‘kleine woorden van grote betekenis’ (weiyan dayȋ) wordt genoemd. Deze bevatten subtiele aanwijzingen die erop duiden dat niets zo eenvoudig is als het op het eerste gezicht wel zou lijken. Achter ieder woorden iedere benaming verschuilen zich andere, grotere en diepere, ideeën. 

Rond ‘De gesprekken’ heeft zich een zeer omvangrijk corpus van commentaren gevormd dat ons in principe zou moeten helpen om die diepere betekenissen te verhelderen. Helaas is dat maar zelden het geval. Deze commentaren zijn bijna altijd geschreven, niet om de oorspronkelijke tekst te verklaren, maar met het doel bepaalde filosofische of politieke ideeën van de auteur van het commentaar zelf te verspreiden door ze onder de aegis van de grote meester te plaatsen.

Omdat het confucianisme een dominerende positie in de Chinese staatsideologie had verworven, was er uiteindelijk geen politieke groepering die zich niet op de een of andere manier op Confucius en ‘De gesprekken’ ging beroepen teneinde de eigen standpunten kracht bij te zetten. Desalniettemin maken de tot dusver in het Westen gepubliceerde commentaren dikwijls impliciet of expliciet gebruik van dit soort exegese. Ik heb geprobeerd me daarvan los te maken en zoveel mogelijk een uitsluitend op de oorspronkelijke tekst berustende objectieve toelichting te geven. 

Mijn eigenlijke gebied is de andere grote levensbeschouwing van China: het taoïsme. Ook daar raakt men echter met Confucius en zijn school vertrouwd, al was het maar in hun rol van eeuwige tegenstanders. De controverse tussen de principes van maatschappelijke orde enerzijds en individuele vrijheid anderzijds woedt nu al tweeduizend jaar. Maar kan het één wel zonder de ander?

Men moet erkennen dat de twee grote tradities elkaar aanvullen. In ‘De volledige geschriften van Zhuang Zi’ komt Confucius zeer veelvuldig voor. Soms wordt hij gepresenteerd als een aanhanger van het taoïsme, dan weer als een tegenstander. In de gesprekken keert Confucius zich tegen iedere vorm van asociaal individualisme, maar hij spreekt zich wel positief uit over zekere taoïstische principes zoals het ‘niet handelen’ (wu wei). Bovendien schijnt Yan Hui, zijn meest geliefde leerling, de taoïstische mystiek te zijn toegedaan. Kortom: de twee tegengestelde denkwijzen zijn in wezen met elkaar verbonden. Zij kunnen niet zonder elkaar. 

In deze dialectische verhouding kiest het confucianisme voor een causaal en lineair historisch gezichtspunt, terwijl het taoïsme alles betrekt in de constante kringloop van yin en yang en daarom weinig opheeft met de geschiedenis per se. De nu onbekende auteur van ‘Het boek van de Tao en de innerlijke kracht’ (Daodejing) heeft dientengevolge als ‘de oude meester’ een ahistorische identiteit gekregen, terwijl er voor de eigenlijk niet minder mysterieuze Confucius zeer gedetailleerde levensbeschrijvingen bestaan. De vroegste en meest bekende daarvan is de biografie door Sima Qian (145 – 86 v.Chr.). Deze tekst is nauw met de gesprekken en met de traditionele figuur van Confucius verbonden, vandaar dat ik hier een volledige vertaling van deze biografie heb toegevoegd.

Deze taak heeft veel langer genomen dan ik aanvankelijk had geschat. De 492 dialogen en uitspraken riepen vrijwel stuk voor stuk vragen op die verdere studie vereisen. Steeds weer opnieuw moesten termen, zinnen en hele passages worden herzien en herschreven. Ik ben uitgeefster Tilly Hermans dankbaar voor haar geduldig vertrouwen, zonder hetwelk ik er niet in geslaagd zou zijn dit boek af te maken. 

Graag wil ik op deze plaats mijn oude vriend en pleegbroer Sam Segal en de leden van zijn wekelijks filosofenclubje Rob en Nel van Heuveln danken voor de waardevolle inzichten die zij bij het lezen van het manuscript met mij hebben willen delen. 

Ik dank Yuan Bingling voor haar hulp met de vertaling. Wij hadden lange discussies over de plaats van het confucianisme in de Chinese cultuur en de rol die het Westen heeft gespeeld in de manier waarop die plaats vandaag wordt gezien. Wat er over dit onderwerp in de inleiding wordt gezegd is een eerste aanloop die wij verder hopen uit te werken en eventueel te publiceren.

Alle onjuistheden of slordigheden die in dit gedeelte of elders in het boek mogelijk voorkomen, vallen natuurlijk onder mijn eigen verantwoordelijkheid. 

Amsterdam, december 2013

INLEIDING

Confucius (551-479bv.Chr.) is de grondlegger van de humanistische filosofie die de Chinese beschaving duurzaam heeft gekenmerkt. Alle andere inheemse levensbeschouwingen hebben zijn invloed ondergaan. Hiervoor wordt hij ‘de leermeester van tienduizend generaties’ genoemd.

Hedendaagse geleerden zien Confucius als ‘de meest invloedrijke denker in de menselijke geschiedenis’. Zij achten zijn invloed op de cultuur van het Verre Oosten even groot als de gezamenlijke invloed van Socrates en Jezus op die van het Westen. Zijn leer, en de invulling daarvan door zijn navolgers, geven sinds tweeduizend jaar vorm aan de intellectuele en staatkundige tradities van China en heel Oost-Azië,’ schrijft één van hen. 

Confucius was grensverleggend. Hij liet iedereen, ‘zonder aanzien des persoons’, toe tot zijn school. Hij onderwees niet alleen lezen en schrijven, maar ook de sociale, artistieke en sportieve bekwaamheden die in zijn tijd nog het domein van de aristocratie waren: boogschieten, paarden mennen, muziek en vooral hofetiquette. Daardoor wilde hij zijn pupillen tot ‘jonge edellieden’ (jungzi) maken, maar niet in die zin dat zij behoorden tot de feodale aristocratie. Hij eerde niet de adel van het bloed, maar de adel van het gemoed. Zijn leerlingen moesten een elite van nuttige en dienstbare mensen voor de samenleving worden. Junzi kreeg hierdoor de betekenis van ‘hoogstaand mens’.

Wat hij in zijn jeugd bij lieden uit het gewone volk had geleerd, vond Confucius waardevoller dan wat hij later bij vooraanstaande heren opstak. Hij was vredelievend en had weinig op met vechtkunst en strategie. Maar hij was wel realistisch, en omdat er in zijn tijd steeds meer gewapende conflicten kwamen, pleitte hij ervoor dat de bevolking zo veel mogelijk zou worden ontzien. Ze moest ook getraind worden om zichzelf te verdedigen. 

Het ging Confucius om de mens, niet om de goden. Hij was niet agnostisch, maar toen een leerlng hem eens ondervroeg over de godsdienst, zei hij: ‘Je bent nog niet eens in staat je medemensen te dienen. Hoe wil je dan de goden dienen?’ Toen diezelfde leerling daarop wilde weten wat het betekent om dood te gaan, was het antwoord: ‘Je weet nog niets van het leven. Hoe kun je dan begrijpen wat de dood is?’ 

Het menselijke bestaan was zeker voor verbetering vatbaar, maar dat hing niet af van de goddelijke genade of vergeving. Voor Confucius bestond er geen ‘erfzonde’ die maakte dat de levenden iets verschuldigd waren aan een opperwezen of een voorouder. Dat ging tegen de toenmalige godsdienstige opvattingen in. De vooroudercultus – één van de meest essentiële onderdelen van de Chinese religie – verplichtte de nabestaanden offers te brengen aan de doden omdat die anders in het hiernamaals gebrek zouden moeten lijden. Voor dit offer bestond een speciale term: xiao. Wanneer men de xiao veronachtzaamde, stelde men zich bloot aan de wrok van de gestorvenen, want zij waren in staat hun nageslacht te straffen en desnoods te ontnemen wat zij, de gestorvenen, vonden dat hún toekwam. 

Confucius brak met dit geloof door te verklaren dat het beter was ouders te verzorgen en gelukkig te maken zolang ze nog leefden. De ware betekenis van xiao, zei hij, was hen te koesteren terwijl ze nog leefden, inplaats van ermee te wachten tot ze dood waren. Dat betekende niet dat er geen offers aan de voorouders gebracht mochten worden. Hun eer betuigen en hen herdenken was natuurlijk uitstekend, mits het maar met mate was en uit het hart kwam. 

Om dezelfde reden was Confucius ook tegen kostbare rouwrituelen. Echt verdriet tonen vond hij waardevoller dan fraaie plechtigheden houden. De betekenis van xiao werd daarmee verlegd van ‘offers brengen aan de doden’ naar: ‘kinderlijke piëteit’. Dat kinderen respect en toewijding aan hun ouders verschuldigd zijn, blijft iets waaraan men ondanks alle omwentelingen van de moderne tijd in China blijft vasthouden.

Confucius was pragmatisch in zijn denken. Hij ging uit van de menselijke natuur en zag dat ouders over het algemeen van hun kinderen hielden en dat ouderliefde spontaan beantwoord werd met de bovengenoemde kinderlijke piëteit. Dit principe van reciprociteit paste hij toe op alle menselijke verhoudingen, en hij legde dit neer in het systeem van de Vijf Relaties (wulun):

  1. Meesters die rechtvaardig (yi) zijn ten opzichte van hun dienaren en hen met respect (jing). behandelen, maken dat deze loyaal (zhong) en betrouwbaar (xin) worden. 
  2. Wanneer ouders goed zijn voor hunkinderen, beantwoorden deze dat met liefde en gehoorzaamheid.
  3. Tussen echtgenoten gaat het niet alleen om intimiteit (qin), maar ook om wederzijds verdraagzaamheid (sui) en taakverdeling (bie).
  4. Tussen broers en andere, verdere, bloedverwanten moeten liefderijke zorgzaamheid (ai) en saamhorigheid (di) heersen.
  5. Tussen vrienden behoort vertrouwen (xin) te heersen.

Aan oude woorden gaf Confucius een nieuwe inhoud. Iets wat hierbij zeker een rol heeft gespeeld, is het feit dat het voor Confucius niet mogelijk was zijn inzichten vorm te geven door middel van leenwoorden in vreemde talen. In het Westen zijn we gewend dit te doen met behulp van het Grieks en Latijn, en zelfs met het Chinees (denk bijvoorbeeld aan ‘yin’ en ‘yang’), zodat we steeds nieuwe concepties aan onze woordenschat kunnen toevoegen. Voor het oude China bestond er geen alternatieve cultuur waaraan men concepten kon ontlenen. Ook leende het klassiek Chinees zich maar zeer matig tot het vormen van nieuwe termen. Het enige wat overbleef, was om aan oude woorden nieuwe betekenissen te geven. Eventueel kon men dan met een nieuw schrifteken (karakter) een sematische verschuiving van idee verduidelijken.

Teneinde een nieuwe ethische inhoud aan oude concepten te geven, bediende hij zich van een procédé dat hij ‘de benamingen rechtzetten’ (zhengming) noemde. Hij vroeg zijn medemensen na te denken over de eigenlijke betekenis van de woorden en termen die zij dagelijks in de mond namen. Wat hield het bijvoorbeeld in om een ‘man’, een ‘ouder’ of een ‘vorst’ te zijn? De volgende vraag was dan: hoe moet je je gedragen om de naam die je hebt eer aan de doen?

Alles was dus een kwestie van definitie: ‘Ben je een koning? Wees dan een koning!’ De eigenlijke betekenis van het concept ‘koning’ kon dan aanschouwelijk worden gemaakt door het karakter wwarmee het werd geschreven te ontleden. ‘Koning’ (wang) bestaat uit drie horizontale lijnen die verbonden zijn met een verticale lijn. Daaruit kan dan worden afgeleid dat hij de verticale verbinding moet zijn tussen de drie niveaus van hemel, aarde en mens. Als ‘zoon des hemels’ is hij een mens die op de aarde leeft. Een goede koning doet alles in zichzelf samenkomen. Kan hij dat, dan is hij een echte koning en heersen overal waar hij regeert vrede en harmonie. 

Belangrijk in deze context is de nieuwe inhoud die aan ‘hemel’ (Tian) wordt gegeven. Dit woord had aanvankelijk in het Chinees vrijwel dezelfde twee betekenissen als bij ons: in algemene zin die van de lucht die boven ons is, en in meer bijzondere zin die van ‘God’ of ‘het goddelijke’. In de religie van de Zhou-dynastie (1046-256 v.Chr) staat Tian voor het Opperwezen, de grote voorouder en daarom schrijven wij ‘Hemel’ met een hoofdletter. Zijn wil bepaalde het lot, dat in dit geval meestal wordt vertaald als ‘mandaat’ (ming), bijvoorbeeld: het Hemels mandaat  (tianming). Dit was natuurlijk een uitermate belangrijk politiek concept, aangezien de legitimatie van het vorstenhuis, en van alle dynastieën die daarna zijn gekomen, op deze volmacht berustte.

Voor Confucius was tian echter niet alleen een persoonlijke godheid en een koninklijke voorvader, maar ook een allesoverheersend ethisch principe. De koning als ‘Zoon des Hemels’ was daarom voor hem niet zozeer de afstammeling van Tian in zijn hoedanigheid van goddelijke voorvader, als wel een vertegenwoordiger van het hoogste morele gezag (Chinees: de). Schoot de koning in deze rol tekort, dan verloor hij automatisch het mandaat om te regeren dat de Hemel (Tian) hem gegeven had. Onder die omstandigheden was een revolutie (geming, letterlijk ‘verandering van het mandaat’) onvermijdelijk, en waren opstanden om dit teweeg te brengen gerechtvaardigd. Dit komt tot uiting in de uitspraak:

‘Wie regeert met moreel gezag (de), is als de poolster: hij blijft op zijn plaats terwijl alle andere sterren voor hem buigen.’

Tian, in de hoedanigheid van de koninklijke voorvader (shangdi), had zijn zetel in de poolster en die positie in de hemel kwam overeen met  die van de koning, zijn ‘zoon’, op aarde. Door hier de nadruk te leggen op het moreel gezag wilde Confucius aangeven dat dit hoogste gezag niet toekwam aan een door erfelijkheid of militaire kracht – de traditionele vorm van de – aan de macht gekomen potentaat, maar uitsluitend aan een persoon met grote menselijke kwaliteiten. Ieder gezag moest een ethische grondslag hebben. De geschiedenis van de vorige dynastieën had hem geleerd dat slechte en tirannieke heersers vroeg of laat hun mandaat om te regeren verloren. De macht hoorde hun daarom te worden ontnomen. 

In dit opzicht was Confucius wel degelijk een vernieuwer, ook al beriep hij zich op de lessen van de geschiedenis en verwierp hij het idee dat hijzelf iets zou hebben uitgevonden. Hij zei:

‘Ik geef door [wat ik geleerd heb] en verzin niets. In mijn trouw en gehechtheid aan de traditie durf ik me te vergelijken met Oude Peng.’ 

‘Oude Peng’ is Peng Zu, de Chinese Methusalem over wie in de oudheid allerlei leuke verhalen in omloop waren. Hij was het voorbeeld van iemand die in de goede oude tijd leefde, toen er nog wijze koningen waren en alom vrede heerste. Zo kon hij blij en gelukkig heel er oud worden. In die tijd was de mensheid er beter aan toe! Het projecteren van de ideale samenleving in een legendarisch verleden was voor Confucius een vorm van strategie om zijn revolutionaire ideeën ingang te doen vinden. Door aan te tonen dat die ideeën gegrondvest waren in de grote traditie van de wijze koningen van het verleden, wilde hij aannemelijk maken dat bijvoorbeeld de hierboven genoemde xiao eigenlijk altijd al ‘kinderlijke piëteit’ zou hebben betekend. Het was alleen te verwijten aan het verschrikkelijke morele verval van de mensheid dat deze oorspronkelijke deugd verloren was gegaan.

Wat betreft Confucius’ sterk geïdealiseerde kijk op het verleden: deze gaat niet terug op een feitelijke geschiedenis, maar op legenden van de goddelijke voorouders zoals die in zijn tijd gangbaar waren. In werkelijkheid was het vroege China natuurlijk verre van volmaakt. Yao en Shun, de vroegste ‘wijze koningen van weleer’ op wie Confucius zich beriep, zouden ca. 2356-2255 v.Chr. en ca. 2317-2208 v.Chr. hebben geleefd. Dat komt zo ongeveer overeen met de vroegste Bronstijd in China. Hoewel de eerste geschreven documenten pas honderden jaren later zullen verschijnen is deze periode nu goed genoeg bekend om te zien dat de universele ethische principes die Confucius wide doen herleven toentertijd geenszins aan de orde waren. Er heerste grootscheepse slavernij. De godsdienst ging gepaard met massale mensenoffers, Heldhaftige daden waren vaak verbonden met wraakzuchtige vetes. Wat gold was over hoeveel kracht (de) iemand kon beschikken. 

Confucius’ leven valt samen met de vroege IJzertijd. Er was toen al veel veranderd. Over de ‘koningen van weleer’ bestonden er alleen legenden, die tijdens de offerfeesten met zang en dans voor de altaren en tempels werden opgevoerd. De teksten en scenario’s hiervan zijn grotendeels verloren gegaan. Zoals overal het geval is, zeggen die legenden meer over de tijd waarin ze werden opgevoerd dan over die waarover ze geacht werden te gaan. Zoals we ze kennen – voor het merendeel opgeschreven door de school van Confucius zelf – beantwoorden ze aan zijn visie van de geschiedenis en zijn projectie daarvan op het verleden.

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord

Inleiding

De gesprekken
Jeugd
De school
De leerlingen
Het onderwijs
Dansen en legendes
Aanstellingen en reizen naar andere staten
De Vijf Klassieken
Laatste jaren en dood
De Weg van Confucius
Het ritueel
De ‘familie’
De splitsing van de Weg
De hereniging van ‘de Drie Leren’
Confucius en het Westen
De Weg terug

Confucius De gesprekken

Het leven van Confucius door Sima Qian

Appendix: De tekst en zijn authenticiteit

Bibliografie

Bron: Confucius – de gesprekken, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper

BESTEL CONFUCIUS – DE GESPREKKEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *