Woe wei, strofe 2 van de Daodejing en een commentaar

Daodejing.002

Allen onder de Hemel weten zo dat mooi ‘mooi’ is;
dan splijt het in lelijk.
Allen weten zo dat goed ‘goed’ is;
dan splijt het in slecht.

Daarom, Zijn en Niet-Zijn
produceren elkaar wederkerig.
Moeilijk en Gemakkelijk
brengen zich wederkerig voort.
Lang en Kort geven elkaar wederkerig verschil in vorm.
Hoog en Laag brengen elkaars ongelijkheid voort.
De Toon en de Stem harmoniëren wederkerig.
Het Vóór en het Ná volgen elkaar wederkerig op.

Daarom is het, dat de Wijze zijn zaak maakt
van Wu Wei (Niet Doen),
en hij begaat de leer zonder woorden.
Als het werk volbracht is, hecht hij er niet (meer) aan.
Juist omdat hij er zich niet aan hecht,
gaat het (Tao) niet van hem weg.

Bron: Mysteriën van Tao en de Daodejing

Lao Zi toont aan dat, daar in deze wereld alles onderworpen is aan de wet van de tegengestelden en dus aan de veranderlijkheid, het zinloos is zich aan dit voorbijgaande vast te klemmen. Toch tracht men in de wereld van dit fundamenteel-irreële, tegen alle wetmatigheid in, iets werkelijks te maken, hoewel men altijd weer ervaart dat alles tot zijn tegendeel verkeert.

Alle mensen hebben een zekere menig omtrent schoonheid. Doch de schoonheidsimpressies en de schoonheidswaarderingen lopen zeer uiteen. Ze zijn niet alleen onderhevig aan tijd, aan volk, aan ras, aan zeden, en gewoonten, aan opvoeding en cultuur, maar bovendien ook zeer persoonlijk. Voorts worden ze veelal beïnvloed door allerlei autoriteiten of door mensen die men daarvoor aanziet, zoals leraren, ouders, kunstenaars. Zo kunnen de mensen onder elkaar hevige twistgesprekken hebben als de een mooi vindt wat de ander afwijst. Doch of het werkelijk schoon is, weet niemand.

U bent geneigd de natuur schoon te vinden, zoals een bos om u heen. Doch bij nader onderzoek blijkt, zonder enige overdrijving, daarop heel wat af te dingen. U ziet een landschap en roept enthousiast: ‘Wat is dát mooi!’ Komt u er echter wat dichter bij en aanschouwt u het objectief en zonder het minst te overdrijven, dan komt zeer zeker ook het lelijke voor de dag, soms zelfs zo ontstellend dat u zich teleurgesteld afwendt.

De mens is doodarm aan schoonheid, aan werkelijke Schoonheid, en daarom bemint hij de schijn. En omdat hij zo ongelukkig is, liegt hij de lelijkheid weg. Maar dat lukt niet, want wie zijn leven bouwt op schijn, op het onwerkelijke, roept daardoor zeer sterke tegengestelde reacties op. Als u tot de ontdekking komt dat een situatie niet in orde is – een situatie die u tevoren en met overtuiging schoon hebt gevonden – dan wilt u die ontdekking eerst niet accepteren. Maar naarmate u verder gaat, overweldigt de werkelijkheid van het lelijke u. Dat betekent dan de dompeling in de verwording door de schijn. De schijn van mooi en de schijn van goed brengen beide het lelijke te voorschijn.

Als u als oprecht zoekend mens in de hoek zit waar de oude Chinese Bijbel u heeft gedreven, als u, door alle schijn en uiterlijk vertoon heen de grauwe ellende en uitzichtloosheid van deze natuurorde herkent en doorleeft, dan is er voor u maar één oplossing: u losmaken van deze dualistische natuurstaat, u volstrekt afwenden van deze wereld van de schijn en het pad gaan van de transfiguristische revolte.

Bron: hoofdstuk 2 van De Chinese Gnosis van J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *