Eerherstel van dogmavrij lichtdrager Coornhert na geschiedvervalsing

Woord vooraf 

’Geboren om tegen te spreken’

U kunt dit boek lezen als een laat maar oprecht eerherstel van een van de meest onderschatte denkers uit de geschiedenis van de geest van Nederland en West-Europa: Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590). In een tijd dat het leerstuk van de voorbestemming van de mens, de predestinatie, verdoemenis preekte, is Coornhert een lichtbaken voor de nieuwe mens die zichzelf door ‘wellevenskunst’ tot vervolmaking kan brengen.

In ieder mens werkt ‘het voncxken des Goddlijcken Lichts’ als enige ware richtsnoer op de menselijke heilsweg. Het vonkje is het onvervreemdbare bewijs van de hoge menselijke afkomst, aldus Coornhert. Daarom heeft de mens geen kerk, priester of overheid nodig om tot spirituele zelfverwerkelijking te komen. Zie hier in een notendop de niet aflatende inspiratie waarop het bewogen leven van de Amsterdammer Coornhert is gestoeld. In de zestiende eeuw werden deze mensen ‘spiritualisten’ en ‘geestdrijvers’ genoemd.

In een politiek-religieus uiterst roerige periode ontwikkelt hij zich tot een weerbarstig denker van bovennationaal formaat en groeit hij uit tot een robuust en tegelijk zachtmoedig pleitbezorger van de tolerantie. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van de Nederlanden is Coornhert een van degenen die de basis leggen voor de vrijheid van denken, van godsdienst en van drukpers.

Gedurende zijn uiterst arbeidzaam leven toont de autodidact Coornhert zich een vaardig toneelschrijver, theoloog, filosoof, jurist, musicus, grafisch kunstenaar en geestig tafelredenaar. Hij is een gedreven polemist en een getalenteerde maar eigenzinnige debater. Als politiek adviseur van Willem van Oranje heeft hij grote invloed op de onafhankelijkheidsstrijd van de Nederlanden.

Dit zijn zeker relevante biografische gegevens, maar in dit boek vormen zij slechts het decor waartegen de persoonlijkheid van Coornhert wordt geschetst.

Coornhert werd in zijn tijd weggezet als ‘geestdrijver’. In dit boek toont de auteur echter aan dat dit geen diskwalificatie meer is. Coornhert wijst op de unieke mogelijkheid die een zuiver denkende mens verwerft om zonder tussenkomst de verborgen wegen van de Al-Ene, God, te kennen. Wij zouden dat nu een gnosticus noemen. De auteur, Jan Peter Burger, maakt dit duidelijk door regelmatig te verwijzen naar de bronnen waar uit Coornhert met graagte put: het gnostische oerchristendom van Clemens van Alexandrië, Theodotus en Origenes uit de tweede eeuw. Daarnaast ging Coornhert verder in de traditie van de Rijnlandse mystiek en in die van de van oorsprong Noord-Nederlandse Moderne Devotie.

De auteur legt dwarsverbanden tussen Coornhert en de Nederlandse literatuur (Bredero: maekt my selveloos en stil), de snel opkomende wetenschap (Stevin en Drebbel) en het geleidelijk kristalliseren van de religieuze’ identiteit, als tegenwicht tegen het materialistische monopolie van een ontkiemende natie van ras-kooplieden.

En ten slotte, wie Coornhert begrijpt, begrijpt uiteindelijk vanwaar het vernieuwende denken van de broeders van het toenmalige Roosenkruys stamt. Lichtdrager Coornhert liet over veel zaken zijn licht schijnen – in dit boek is hij zelf het Licht. Een lichtdrager die niet meer weg te denken is uit de geschiedenis; die erom vraagt in de tegenwoordige tijd neergezet te worden. Het is lang vergeten, maar Coornhert is de mede-schepper van de Nederduytse taal; honderden woorden die behoren tot het hart van onze taal zijn door hem uitgevonden. De auteur laat ook dat licht weer schijnen door een unieke reeks ontwapenende citaten in Coornherts eigen zestiende-eeuwse taal. Lees bij voorbeeld hoe Coornhert verwoordt dat het koninkrijk Gods binnen ons is: ’om tot dit Rijcke Gods te comen en behoeft men niet verde te reysen, want het is in ons in d’inwendigheyt onser Zielen.’

‘Deze Coornhert lijkt wel geboren om tegen te spreken’, schrijft Arnoldus Buchelius, een van zijn tijdgenoten die vol respect is voor zijn niet aflatende strijdbaarheid. Met een dergelijke houding maak je niet alleen maar vrienden. Hij wordt in zijn tijd als te radicaal gezien om vertaald te kunnen worden. De man is een fervent tegenstander van de monarchie, van de adel en van het ontluikende kapitalisme, die hij ‘krachten van de duisternis’ noemt. Zijn rechtlijnige en onpartijdige standpunten nopen hem dan ook regelmatig de wijk te nemen naar vrijplaatsen aan de oostgrens: Kleef, Xanten, Keulen en vooral Emden.

In vaak krachtige bewoordingen ontdoet Burger zijn hoofdpersoon van het stoffige imago waaronder eeuwenlange uiterst eenzijdige en protestantse geschiedschrijving hem heeft weggezet. Er zijn veel prijzenswaardige studies en tekstedities die na het gedenkjaar van Coornherts 400ste sterfdag (1990) het licht hebben gezien, vooral in de Bibliotheca Dissidentium Neerlandicorum; niet alle herkennen de juiste bron van zijn denken volledig.

Spinoza is mogelijk de bekendste denker des vaderlands, maar het licht van zijn inspirator Coornhert geeft hem wellicht een nog grotere glans. Probeer hem niet te annexeren: Coornhert is geen katholiek, geen protestant, geen wederdoper of mennoniet; ook geen rozenkruiser, al zijn er auteurs die dat wel beweren, en al laat dit boek zijn vergaande invloed op hun denken zien.

Hij streek tegen de haren in van zowel tegen- als medestanders, door hartstochtelijk te betogen dat de mens een vrij wezen is, of dient te zijn, dat zijn eigen heil kan bewerkstelligen. De Rede, aldus Coornhert, die het polariserende verstand te boven komt, wordt direct geïnspireerd door de Logos. Die Rede is voor hem een universeel instrument op de geestelijke weg, waarmee ieder gezond mens de waarheid kan vinden. 

Dogma’s heeft hij nooit aanvaard. Ieder geestelijk waarheidscriterium voert hij terug op het menselijke individu zelf. Waarheid is voor hem pas legitiem als zij door ondervinding ’of eyghen bevindinghe’ is verkregen. Onvermoeibaar heeft hij deze boodschap tijdens zijn leven uitgedragen, weerbarstig, altijd tegensprekend, maar met een volmondig ja’ tegen de intense innerlijke kracht die hem bewoog. ‘Dwars maar recht’: zo een man was Dirck Volckertszoon Coornhert.

Deze tweede druk is op een aantal punten en passages verbeterd die in de eerste druk waren blijven steken. Ook zijn er twee hoofstukken toegevoegd; een over de unieke positie van Gouda in de zestiende eeuw, en een over twee bronnen die Coornhert na aan het hart lagen: het anonieme Theologia Deutsch en Boëtius’ Over de vertroosting van de filosofie.

Haarlem, september 2017, De uitgever.

Kaart van Haarlem 1646

Afgebeeld is de plattegrond van Haarlem, getekend door Petrus Wils met gedeelten van de vrijheid buiten de stadsmuren, waarbij de opstanden in scheefprojectie zijn weergegeven. Linksboven het wapen van Holland en rechtsboven het wapen van Haarlem. Het noorden is linksonder. Coornhert woonde in de Jansstraat.

DEEL I

Coornhert Lichtdrager

Om tot dit Rijcke Gods te comen en behoeft men niet verre te reysen, want het is in ons, in d’inwendigheyt onser Zielen.

Inleiding

Het raadsel van de Gouden Eeuw

Deze studie rekent af met de hardnekkige mythe dat de inwoners van Holland in de Gouden Eeuw massaal het calvinisme aanhingen.  Vanaf de negentiende eeuw struikelden stoffige liberale en gereformeerde burgerlijke historici over elkaar heen om deze calvinistische visie op onze geschiedenis met verbetenheid aan hun lezerspubliek op te dringen. Echter de massa’s calvinisten die de ’historicus’ Groen van Prinsterer en andere geschiedschrijvers aantroffen, zijn door de betrokkenen in de zestiende eeuw zelf nooit waargenomen. In de jaren tachtig van de zestiende eeuw voelde slechts één procent van de bevolking zich aangetrokken tot de leer van de reformator van Genève. En rond 1600 was de situatie al niet veel beter. Nog in het jaar 1629 klaagde de orthodoxe Amsterdamse predikant Smout in een preek tegenover de Amsterdamse burgemeesters dat zij niet naar hem wilden luisteren omdat er te weinig gereformeerden in Amsterdam waren.

Moderne historici hebben dit beeld wel bijgesteld door te wijzen op een grote groep onkerkelijke christenen. Zij beschouwden hen vooral als weifelaars, die geen keuze konden maken tussen het calvinisme en het katholicisme. Dat zich onder deze weifelaars een grote groep bevond die bewust anti-klerikaal en zelfs gnostisch was, konden geschiedkundigen in het kerkelijke Nederland van de negentiende en twintigste eeuw zich niet voorstellen. 

Kerkelijk was iedereen, zo meende de calvinistische historicus Van Deursen. En dat in Holland sprake was van een gnostische revolutie was de Nederlandse historicus tot op de dag van heden amper opgevallen. Een verklaring voor dit tekortschieten gaf Simon Schama, die van mening was dat Nederlandse geschiedschrijvers grossierden in een ’ironisch minimalisme’ en vrijwel niets relevants produceerden. Dit is dan ook een van de redenen dat baanbrekende werken over de Nederlandse geschiedenis in de afgelopen decennia vooral geschreven zijn door Britse historici zoals Simon Schama en Jonathan Israel.

Gereformeerden waren wel zeer luidruchtig en gewelddadig aanwezig in Holland, waardoor het leek alsof zij de dominante factor waren in de samenleving. Aanvankelijk hadden ze een martiale reputatie van terreur en moord, mede omdat de calvinisten het initiatief hadden genomen in de opstand tegen Spanje. Zij werden gesteund door een conservatieve factie binnen de regentenklasse, die zich zeer bedreigd voelde door het sociale gedachtegoed van doopsgezinde en spirituele groeperingen die naar een radicale hervorming streefden. 

Kenmerkend voor de calvinisten waren hun verbetenheid en fanatisme, zoals dat wel vaker wordt aangetroffen bij religieuze stromingen. In feite ging het om een gering aantal mensen dat dankzij een uitgekiende strategie in de periode tussen 1578 en 1630 de publieke opinie wist te beheersen. Het geweld van het calvinisme hing heel duidelijk samen met het oudtestamentische beeld van een jaloerse, wraakzuchtige god die Calvijn centraal in zijn theologie had geplaatst. Dit godsbeeld leek dan ook de woede te kanaliseren die als gevolg van de burgeroorlog (de opstand tegen Spanje) bij sommige groepen was ontstaan. Maar veel predikanten riepen met hun verbale agressie in de eerste helft van de Gouden Eeuw bij een aanzienlijk deel van de bevolking in Holland vooral grote ergernis op.

Complicerend voor de analyse van de religiositeit van de Hollanders was dat de leiders van spirituele groeperingen in Holland zoals David Jorisz., Hendrick Niclaes, Hiël en Dirck Volckertszoon Coornhert hun achterban adviseerden om gewoon lid te worden van een kerk – om hun vrijdenkers-gedachtegoed te maskeren. Het lidmaatschap van een kerk geeft dan ook een onjuist beeld van de religiositeit van de Hollander. Zo weten we uit een onderzoek naar de godsdienstigheid in Haarlem in 1620 dat vijftig procent van de bevolking zich nog steeds niet bij een kerk had aangesloten. We mogen aannemen dat zich onder deze kerkleden veel andersdenkenden bevonden.

Aan het calvinisme worden door veel Nederlandse historici wonderdaden toegeschreven. Zo zouden zij, de calvinisten, verantwoordelijk zijn voor de bloei tijdens de Gouden Eeuw. Het calvinistisch gedachtegoed is in de eerste zeventig jaar van haar bestaan (1560-1630) vooral te vergelijken met de opvattingen van de meest orthodoxe calvinistische stromingen in het moderne Nederland. En dat in een repressieve cultuur zoals die van de bible belt geen Gouden Eeuw kan ontstaan, is zonneklaar. Het calvinisme was in de Gouden Eeuw met zijn predestinatieleer, erfzondeleer en oudtestamentisch godsbeeld een buitengewoon onderdrukkend geloof.

Vooral in de negentiende eeuw beperkte de historicus zich tot het uitputtend beschrijven van de oorlogshandelingen. In deze eeuw bestond een sterke behoefte bij de calvinistische meerderheid van de bevolking om haar rol in de Gouden Eeuw uit te vergroten. Deze calvinistische geschiedschrijving legde toen dus nog de nadruk op de militaire geschiedenis. De Nederlandse Opstand werd tot in het kleinste detail bestudeerd. Wel kwam aan het einde van de negentiende eeuw bij Conrad Busken Huets Land van Rembrandt (1882-1884), K.O. Meinsma’s Spinoza en zijn kring (1896) en C.B Hylkema’s Reformateurs (1900) het andere, meer waarheidsgetrouwe beeld van de Gouden Eeuw aan bod. De hoofdpersoon van ons boek, Coornhert, zou zich over de Nederlandse geschiedschrijving niet hebben verbaasd. Hij zag calvinisten als ’slechte bomen die uitsluitend slechte vruchten voortbrachten’.

Maar ook het katholicisme had nooit een voedingsbodem voor de Gouden Eeuw kunnen zijn. Zo verweet Simon Stevin het katholicisme dat het tot ‘de lekentijd’ van de middeleeuwen had geleid. Hierbij doelde hij op de katholieke praktijk om de gewone gelovigen als onmondige leken weg te zetten. Hendrik Laurenszoon Spieghel, vriend en geestverwant van Coornhert, ging nog verder door te stellen dat er door het katholicisme in de middeleeuwen een verdierlijking van de mens had plaatsgevonden! De middeleeuwse mens was volgens hem tot een dier-mensch verworden. De Britse historicus Simon Schama verzuchtte dat de religiositeit van de Hollanders vooral ’een raadsel’ was.

De sleutel tot dit grote raadsel van de Gouden Eeuw moeten we zoeken bij Coornhert, die aan het einde van de zestiende eeuw aan de basis stond van een stille, intellectuele revolutie. Daarover vooral gaat dit boek. Het doet een poging om dit raadsel van de Gouden Eeuw te ontsluieren in relatie tot de unieke denker en schrijver Dirck Volckertszoon Coornhert. Die reikte niet alleen een kritisch, filosofisch fundament aan voor deze zich ontkiemende natie. Maar ook belichaamde hij het lichtende spoor vanuit traditionele, benauwende godsdienstconcepten naar een openbrekende filosofie en irenische levenshouding van zelfautoriteit en zelfverlossing. Om dit duidelijk te maken proberen wij in dit boek de figuur van Coornhert vanuit tal van invalshoeken in het licht te stellen.

Deel II biedt daarom een retrospectie op het oerchristendom, waaruit Coornhert zo graag putte, en het gaat in op het proces van verlichting als wedergeboorte. Deel III behandelt Coornhert in zijn tijd, met nadruk op de Broeders in Liefde Bloeyende in Amsterdam, zijn vriend Hendrik Laurenszoon Spieghel en Coornherts liefde voor de zich geleidelijk ontplooiende Nieuw-Nederlandse taal. In deel IV komen de toenmalige problemen van de Gereformeerde Kerk aan de orde en de door Coornhert gedeelde algemene aversie tegen het calvinisme. Uit de slotparagraaf van dit hoofdstuk blijkt dat dit calvinisme een uitstekende ideologie vormt in dienst van het opkomende kapitalisme. 

In hoofdstuk V komt de culturele bloei in en rond Amsterdam ter sprake:’deïsten’ als Hooft en Samuel Coster, de dichter Bredero als gnosticus en het ’anti-kapitalisme’ van de Broeders in Liefde Bloeyende. Deel VI besteedt aandacht aan het uitwaaieren van Coornherts filosofieën, en aan Amsterdam als een toenmalige Utopolis. Hoofdstuk VII brengt het vernieuwende revolutionaire denken van de Broeders van het Roosenkruys over het voetlicht, aangevuld met ’Amsterdamse’ reacties op en invloeden van de Fama Fraternitatis en de Confessio Fraternitatis. Hoofdstuk VIII ten slotte behandelt hoe en waarom de gnostici langzamerhand uit beeld verdwenen. Tevens gaat het uitvoerig in op Coornherts invloed op Spinoza en zijn doorwerking in de geschiedenis.

Dirck Volckertszoon Coornhert

Desiderius Erasmus (1466-1536) meende dat het christendom en de islam lood om oud ijzer waren, en dat de opmars van deislam in Europa christenen dwong om tot de essentie van het christendom terug te keren. Daarom was hij bijzonder gecharmeerd van de gnostische filosofie van de Alexandrijn Origenes uit de tweede eeuw, wiens werk hij in het Latijn vertaalde. Dirck Volckertsz. Coornhert bracht Erasmus’ voorliefde in de praktijk door het Alexandrijnse gnostische oerchristendom van Clemens van Alexandrië Theodotus en in mindere mate Origenes centraal in zijn filosofie te plaatsen.

Deze gnostici waren op hun beurt sterk beïnvloed door Philo van Alexandrië , die een tijdgenoot van Jezus was en volgens kerkvader Eusebius de eerste ooggetuige van het oerchristendom. Philo behoorde binnen het christendom tot een oudere traditie dan de evangeliën. Zijn opvattingen hadden een grote invloed op de gnostische beweging van Clemens en Origenes in de tweede eeuw.

Coornhert stond daarnaast in de rijke Nederlandse spirituele traditie van de Moderne Devotie van Thomas a Kempis en de Brabantse mystiek van Jan van Ruusbroec. Deze spirituele versie van het christendom genoot in de Lage Landen zo’n grote populariteit dat grote delen van de bevolking in de zestiende eeuw maar lauw reageerden op kerkhervormers Luther en Calvijn. Aanvankelijk kregen dezen geen voet aan de grond. De Hollanders hadden meer op met de spiritualiteit van bewegingen die tot de radicale reformatie behoorden zoals de doopsgezinden en de spiritualisten.

Zo stond Coornhert sympathiek tegenover het gedachtegoed van de gnostische ’aartsketter ’ David Jorisz, die God niet als een mannelijk maar als een androgyn wezen voorstelde en in wiens leer we de eerste tekenen zien van wat Max Weber Die Entzauberung der Welt noemde. Hel en hemel waren bijvoorbeeld volgens Jorisz gemoedstoestanden. Duivels waren mensen van vlees en bloed. Engelen reduceerde hij tot mentale processen. Rond 1600 was de aanhang van David Jorisz zelfs groter dan die van Johannes Calvijn. Jorisz werd tot laat in de zeventiende eeuw als de grootste ketter uit de moderne geschiedenis beschouwd.

Zowel het katholicisme als het calvinisme leidden volgens Coornhert tot dood en verderf. De Hollanders hadden als gevolg van de Nederlandse Opstand een grote weerzin gekregen tegen de kerken die verantwoordelijk waren voor de burgeroorlog en grootschalige massamoorden. Vandaar ook dat een meerderheid van de Hollanders zich aangetrokken voelde tot het aansprekende, antiklerikale gedachtegoed van Coornhert. 

In zijn analyse van de kerken stelt hij dat deze door het ontwikkelen van een eigen specifieke cultuur andere mensen buitensloten en daarmee verantwoordelijk waren voor de haat en oorlog in de wereld. Verder wees hij op het eigenaardige verschijnsel dat antichristelijke elementen zich vooral in deze kerken zelf bevonden. Zo wilden calvinisten volgens hem dolgraag christelijk genoemd worden – maar het in praktijk vooral niet zijn. Tevens keerde Coornhert zich tegen de antichristelijke dogma’s van de kerken zoals de verzoeningsleer, die volgens hem tot doel had om de ware leer van Jezus uit te schakelen.

BESTEL COORNHERT – LICHT IN EUROPA

Coornhert was bijzonder ontevreden over de kwaliteit van het werk van de kerkhervormers Luther en Calvijn. Calvijn had volgens hem het katholicisme niet gereformeerd maar gedeformeerd: ’dat’s niet verbetert maar verargert’. En om die reden leek hij terug te grijpen naar de oudere hervormingsbewegingen zoals die van de katharen uit de dertiende eeuw, die door een verbond van kerk, koning en adel waren vernietigd. Het gedachtegoed van de katharen was weliswaar vernietigd, maar leefde voort in de middeleeuwse mystieke en spirituele beweging van de Vrienden van God. In de zestiende eeuw genoten Johannes Tauler en het boekje Theologia Deutsch, die uit deze beweging voortkwamen, dan ook een grote populariteit.

Coornherts filosofie was ronduit opzienbarend. Hij legde de grondslagen van het deïsme in de Europese geschiedenis. Zijn godsbeeld zou pas tijdens de Verlichting gemeengoed worden. In de eerste helft van de zeventiende eeuw diende men deze voorstelling uit angst voor vervolging nog op een voorzichtige wijze uit te dragen. Coornhert ging uit van een onbekende, onpersoonlijke en ongepassioneerde God die met de geestelijke kracht van zijn Logos de natuur had vormgegeven. De Logos of Gods verstand vormde een samenhangend netwerk van geestelijke energieën, vormen en gedaanten, dat achter de zichtbare wereld schuilging en de materie met geestelijke kracht beïnvloedde. Later, in het midden van de zeventiende eeuw, zou men de ongelukkige vertaling van het begrip Logos als ’Woord’ vervangen door ’Rede’.

Coornhert zag God als het wezen waarin wij leefden. Verder beschouwde hij God op een existentialistische wijze als ’het zijn’ en de duivel als ’het niets’. En om tot ’het zijn’ te behoren diende de mens volgens Coornhert de Logos van God in alles te imiteren. Men moest net als Jezus een vriend of zoon van God worden. Met dit concept brak hij met de protestantse en katholieke visie die het vreesaanjagende godsbeeld uit het Oude Testament profileerde.

In tegenstelling tot de kerken plaatst Coornhert niet de biografische feiten maar de leer van Jezus centraal. Coornhert beschouwt het christendom als een genezing van de menselijke geest. Door middel van een geestelijke zuivering kan de mens volgens hem tot verlichting komen. De kennis die we door onze zintuigen verkrijgen is een valse kennis. Onze zintuiglijke waarneming houdt ons voor dat de wereld verdeeld is, terwijl deze in werkelijkheid een eenheid vormt. Bovendien wijst Coornhert op het illusionaire karakter van onze waarneming. Zo aanschouwen we een oude man maar we zien niet dat hij een zuigeling is geweest.

Onze valse zintuiglijke kennis dient volgens Coornhert te worden vervangen door kennis van de geestelijke vormen en gedaanten van de Logos, waarmee God de materie heeft vormgegeven tot de natuur waar we in leven. De Amsterdamse vrijdenkers – ik noem ze in mijn studie vaak ’gnostici’ – beschouwden de Logos als een contextueel systeem. Het menselijke verstand dient volgens Coornhert een spiegelbeeld te worden van Gods verstand, zoals hij de Logos ook noemt. En pas wanneer het menselijke bewustzijn een spiegel is geworden van de goddelijke Logos, kan de geestelijke zon van de Logos de menselijke geest verlichten. Spirituele verlichting is volgens hem het uiteindelijke doel van een christen.

BESTEL COORNHERT – LICHT IN EUROPA

Coornhert toont zich verbonden met die ’heidense’ culturen die net als het christendom van het innerlijk woord uitgingen. Zo legde hij de grondslagen voor de West-Europese waardering voor religies als het boeddhisme, het taoïsme en het hindoeïsme, die het begrip Logos ook kenden en haar Dharma, Tao en Brahman noemden.

Coornherts vriend Hendrik Spieghel noemde het geestelijke Woord van de Logos het Boek van de Natuur of ’het schepsel-boeck’. En hij betitelde de natuurstudie van de Logos in navolging van de gnosticus Valentinus als schepsels-letterkunde. Zonder het lezen van de schepsels-letterkunde van de Logos stelde onze kennis niets voor.

Coornhert had een originele visie op de zondeval. De erfzonde is volgens hem niet veroorzaakt door geslachtsverkeer – zoals Augustinus en de calvinisten beweerden – maar door imitatiegedrag. Waandenkbeelden werden volgens hem van generatie op generatie overgedragen. Om die reden wees Coornhert de bestaande cultuur af. Hij meende dat de cultuur waarin hij leefde vooral gecorrumpeerd was door een elite van edelen en rijke kooplieden, die de bestaande klerikale religies met geweld aan de volksmassa probeerden op te leggen. Juist zij waren volgens hem bijzonder ingenomen met de materialistische theologie van Johannes Calvijn. De radicale Samuel Coster verweet prins Maurits zelfs dat hij het volk door middel van de onderdrukkingsleer van het calvinisme onder controle probeerde te krijgen. Coster beschouwde het calvinisme niet als een religie maar als een onderdrukkingsideologie.

Knechten en huurlingen vormen de ’motor van onze leugenachtige geschiedenis’, beweerde Coornhert. Knechten waren mensen die zich uit angst conformeerden aan de bestaande cultuur. Huurlingen wilden een onderdeel vormen van het systeem, in de hoop een beloning te krijgen. Zij werden door schade en schande wijs. Verlichte of wedergeboren mensen namen volgens Coornhert geen deel aan de geschiedenis en behoorden tot de eeuwigheid. En in die zin streefden Coornhert en zijn gelijkgezinden dan ook naar het ’eind der tijden’, door een einde te maken aan onze leugenachtige geschiedenis.

Met deze opvattingen schaarde Coornhert zich bij belangrijke Europese maatschappijcritici. Hij beijverde zich voor de ontwikkeling van een burgerlijke cultuur die de leugenachtige schijncultuur van de adel en monarchie diende te vervangen. Hij omschreef de burgerlijke cultuur als ascetisch en wetenschappelijk. Met het begrip ’wetenschappelijk’ doelde hij op het hogere gnostische weten. Het was kennis van de werking van de Logos op de materie, maar ook op de menselijke geest. Coornhert en zijn volgelingen waren diep geschokt door het ontluikend kapitalisme in Amsterdam, dat de moraal en het sociale bewustzijn bij veel kooplieden tot nul reduceerde. Hij gruwde van deze kooplieden omdat zij een politieke voorkeur koesterden voor de materialistische leer van Calvijn. Hij beschuldigde de geldelite onder de regenten ervan dat zij het calvinisme met geweld aan de Hollanders wilden opleggen.

BESTEL COORNHERT – LICHT IN EUROPA

Coornhert was een groot voorstander van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. De geest van zowel mannen als vrouwen was een afdruk van de Logos. Ook speelde de opvoeding van de kinderen voor de gnosticus Coornhert een belangrijke rol. De ware opvoeding kon voorkomen dat de vloek van de erfzonde van generatie op generatie werd overgedragen. Een verkeerde vorming, waarin het kind onware ideeën leerde over God, de mens en de wereld, kon volgens Coornhert tot de dood van de ziel leiden. De ware kennis bracht een activering van de menselijke ziel teweeg en dit kon uiteindelijk uitmonden in verlichting. Coornhert legde de grondslagen voor het burgerlijke kerngezin, waarin niet de traditie maar kennis en wetenschap werden overgedragen.

Eerdere religieuze groeperingen die openlijk hun opvattingen verkondigden, zoals de Waldenzen en de katharen, hadden daarmee een dure en pijnlijke vergissing begaan. De Hollandse gnostische beweging had ervan geleerd. Zij droeg haar boodschap op een voorzichtige wijze en in het geheim uit. Het davidjorisme en andere spirituele bewegingen in Holland werden rond 1550 meedogenloos vervolgd. Ook Coornhert wees op het onvoorstelbare geweld waarmee de elite de in zijn ogen valse versies van het christendom aan het volk trachtte op te leggen. Zowel David Jorisz, Hendrick Niclaes, Hiël en Coornhert raadden hun volgelingen aan om niet openlijk ketters te zijn, omdat ze daarmee het risico liepen van vervolging. Hiermee legden zij de grondslag voor de dubbele moraal die veel Hollanders in de Gouden Eeuw hadden: de standpunten die zij in het openbaar uitten weken af van hun privé-opvattingen. Anders dan in het roerige en ketterse Holland van de zestiende eeuw kreeg deze gnostische beweging in het buitenland al snel het stempel van een geheim genootschap. 

Pas met de Synode van Dordrecht in 1619 – die één grote aanval was op Coornhert en zijn volgeling Jacob Arminius – zou Coornhert ook in de Republiek steeds meer als geheim filosoof worden benaderd. Verder ontwikkelden mensen als Simon Stevin een wetenschappelijke methode die behulpzaam kon zijn bij het verrichten van natuuronderzoek naar de Logos. En met deze methode probeerden Hollandse natuurfilosofen en ambachtslieden niet alleen de natuur te onderzoeken, maar ook waarheid van leugen te onderscheiden. De meest spectaculaire natuurwetenschappers waren Drebbel en Stevin. Drebbel bouwde een onderzeeboot en Stevin de voor die tijd razendsnelle zeilwagen die met 40 kilometer per uur over het strand van Scheveningen naar Petten kon rijden. De belangrijkste uitvinding was de industriële windmolen die in het productieproces kon worden toegepast.

De zeilwagen en de onderzeeboot werden de iconen van de wetenschappelijke revolutie in Holland. De industriële windmolen die in Waterland in het productieproces werd toegepast, leidde tot een pre-industriële revolutie in Amsterdam en Waterland. Daardoor was vooral Holland in staat om alle concurrentie in West-Europa uit te schakelen.Verder slaagde men erin om met watermolens de plassen en meren in Noord-Holland droog te malen.

De stille, wetenschappelijke revolutie die vanaf 1585 in Holland plaatsvond, werd vooral veroorzaakt door burgerlijke ambachtslieden die of tot de antiklerikale gnostici of tot de gnostische Waterlandse doopsgezinden behoorden. Ambachtslieden speelden volgens Dijksterhuis een cruciale rol in de wetenschappelijke revolutie rond 1600. Hun fenomenale prestaties leidden tot het ontstaan van een burgerlijk zelfbewustzijn en een volledige afwijzing van de aristocratie, die Coornhert en zijn volgelingen als een nutteloze parasitaire stand beschouwden. Een hoogtepunt van dit nieuwe zelfbewustzijn vormde de oprichting van een Nederlandstalig onderwijsinstituut in Amsterdam: de Nederduytsche Academie.

Coornhert was een van de grote architecten van het moderne Nederlands. Hij was sterk beïnvloed door Cicero, die van het Latijn een filosofische taal wilde maken. Hetzelfde streefde Coornhert voor het Nederlands na. Hij wenste een transparante Nederlandse taal waarbij de betekenis van het woord zo veel mogelijk met het object diende samen te vallen. Met zijn opvattingen inspireerde hij Simon Stevin die op de mogelijkheden wees van het samengestelde woord, dat de betekenis van het object beter weergaf. Vele duizenden woorden voegden Coornhert en zijn sympathisanten toe aan het toenmalige Nederlands.

Coornhert had niet alleen invloed op Spinoza, zoals we in dit boek uitvoerig zullen toelichten. Hij was ook de centrale figuur binnen een gigantisch netwerk, waartoe Hendrik Laurenszoon Spieghel, Roemer Pieterszoon Visscher, Justus Lipsius, Christoffel Plantijn, Hiël, Ortelius, Gerard Mercator, Simon Stevin, Cornelis Drebbel en Hans de Ries behoorden. Een sterke invloed van Coornhert ondergingen Joseph Scaliger, Jacob Arminius, Hugo de Groot, Daniël Heinsius en Gerardus Vossius. Sommigen onder hen zoals Stevin, Hiël, Hooft en Jacob Arminius sneden nieuwe thema’s aan. Na de toetreding van Coornhert tot de Amsterdamse rederijkerskamer D’Egelantier in1583 vormden dezen de Broeders in Liefde Bloeyende, het intellectuele, spirituele en culturele centrum van Holland. De volgende generatie schrijvers: Hooft, Samuel Coster, G.A. Bredero en Joost van den Vondel, werkten Coornherts filosofie uit in toneel- en poëzievorm. Voor de Amsterdamse gnostici waren de toneelvoorstellingen van D’Egelantier een’alternatief’ voor de kerkgang. Bredero was in mijn ogen de meest uitgesproken vrijdenker onder de Amsterdamse toneelschrijvers.

Aan het einde van de zestiende en de eerste decennia van de zeventiende eeuw vond er een strijd plaats tussen spiritualisten als Coornhert die van het innerlijk woord uitgingen en calvinisten die het uiterlijk woord van de Bijbel voorrang gaven. Het begrip Woord van God dat de kerkhervormers volgens Coornhert ten onrechte toepasten op de Bijbel diende naar zijn mening te worden vervangen door het Woord (Logos) waarmee God de wereld had geschapen.

BESTEL COORNHERT – LICHT IN EUROPA

Coornhert is er fel tegen dat de Bijbel als heilig boek binnen het christendom centraal staat. Hij meent dat het klakkeloos navolgen van Bijbelteksten zoals de calvinisten deden, tot ’waanweten’ leidt. De Bijbel straalt slechts het licht van een lantaarn uit; het levende woord van de Logos is vergelijkbaar met het daglicht, aldus Coornhert. Dit levende woord van God mogen we beslist niet verwarren met het ’tijdelijke woord’ van God, te weten de Bijbel. Het levende woord of de Logos ’was al in den beginne van eeuwigheydt’.

Coornherts filosofie werd op een unieke wijze verspreid. In de eerste plaats door de enorme Amsterdamse handelsvloot. Zeelieden vormden in de vroegmoderne tijd een belangrijke informatiebron. Vervolgens door de tienduizenden vluchtelingen die als gevolg van de Nederlandse Opstand naar het buitenland waren uitgeweken. Verder door Hollandse technici, die vanwege hun superieure technologie op Europese schaal werkzaam waren. En ten slotte door studenten die overal in Europa konden studeren. Een zeer speciale rol speelde Cornelis Drebbel, de meest spraakmakende natuurwetenschapper in de eerste twee decennia van de zeventiende eeuw, die zeer sterk door Coornhert beïnvloed was. Hij stond in contact met veel grote natuurwetenschappers van zijn tijd, zoals Francis Bacon en Johannes Kepler.

De aanvankelijke aversie in het buitenland tegen dit Hollandse radicale spiritualisme sloeg in het begin van de zeventiende eeuw als gevolg van de fenomenale opbloei van Holland om in een grote bewondering. Coornhert werd ook steeds meer beschouwd als Elias Artista, de wonderbaarlijke figuur wiens komst aan het einde van de zestiende eeuw door meerdere mystici en door Paracelsus werd voorspeld en die een nieuw tijdperk zou inluiden. Hierbij verwees men tevens naar de eerdere voorspellingen van de bekende Calabrische mysticus Joachim van Fiore.

Coornhert en Spinoza

Wat was de reden dat in de Gouden Eeuw een miljoen Hollanders – er waren natuurlijk ook Zeeuwen, Friezen, Groningers, enzovoort – tot zulke bijzondere prestaties kwamen ? Een van de antwoorden op die vraag denk ik te hebben gevonden tijdens een onderzoek naar de raadselachtige wortels van Spinoza’s filosofie. Spinoza werd in verband gebracht met het hindoeïsme en het boeddhisme. Arthur Schopenhauer zag in Die Welt als Wille und Vorstellung grote overeenkomsten tussen deze godsdiensten en Spinoza’s levensbeschouwing. Schopenhauer had veel compassie met Spinoza om het onrechtvaardige lot dat hem had getroffen, en zou hebben gewild dat hem een rustiger en beter leven beschoren was geweest aan de oevers van de Ganges waar hij met verwante zielen uit de Indische filosofie van gedachten had kunnen wisselen.

Ook de Franse filosoof Pierre Bayle bracht in zijn Dictionnaire Spinoza heel nadrukkelijk in verband met de ’atheïstische’ religies uit Azië. Hij noemde het confucianisme Foe Kiao. Spinoza- deskundige Jacob Freudenthal bracht Spinoza’s filosofie in verband met de Joods-Arabische wijsbegeerte. En verder werden invloeden van de kabbala en het hermetisme op Spinoza waargenomen. Hylkema zag een opmerkelijke verwantschap tussen Spinoza’s filosofie en de geschriften van de quakers. Hij legde tevens een verband tussen diens wijsbegeerte en het boeddhistische nirwanageloof.

Conrad Busken Huet wees op de analogie tussen Spinoza’s filosofie en de Imitatio Christi van Thomas a Kempis. Hij noemde Spinoza ’een metafyische Thomas’ en voegt eraan toe: ’soms wanen we niet een bladzijde uit de Ethica te lezen maar uit de Imitatio’. Heinrich Heine vergeleek Spinoza’s levenswandel met die van Jezus, en de verguizing droeg Spinoza volgens hem als een doornenkroon.’Überall wo ein grosser Geist seinen Gedanken ausspricht, ist Golgotha.’

Bij mijn zoektocht stuitte ik op de geschriften van Franciscus van den Enden, die door steeds meer Spinoza-deskundigen als de geestelijke vader van Spinoza wordt beschouwd. Het Spinoza-onderzoek heeft nieuwe impulsen gekregen sinds de ontdekking vanVan den Endens geschriften Kort Verhael van Nieuw Nederland (1662) en Vrije Politieke Stellingen (1665). Wim Klever en Marc Bedjai hebben deze werken in 1990 onafhankelijk van elkaar ontdekt. 

In het Kort Verhael van Nieuw Nederland staan veel gedichten van poëten uit de kring rond Jan Zoet. De herberg De Zoete Rust van Jan Zoet aan de Haarlemmerstraat was op loopafstand van de Latijnse School van Franciscus van den Enden gelegen. En onder deze dichters bevonden zich oud-leerlingen van die Latijnse School. Opvallend was dat deze dichtersschool Parnassus aan ’t Y vanaf 1660 reflecteerde op de deugdenleer van Dirck Volckertsz. Coornhert, zoals dat bijvoorbeeld te zien is in de openingsvoorstelling van de Nederduytsche Academie in 1617. In Apollo over de inwydinghe van de Neerlandtsche Academia de Byekorf van Suffridus Sixtinus wordt Amsterdam door Apollo de nieuwe Parnassus genoemd.

In dezelfde periode dat deze dichters refereerden aan Coornherts Zedekunst maakte Spinoza een begin met zijn eigen Ethica. Een van de weinige oudere historici die een verband legden tussen Coornhert en Spinoza was de onvolprezen cultuurhistoricus Conrad Busken Huet, die over Spinoza’s Ethica schreef dat het op veel terreinen Coornherts Zedekunst toelicht en aanvult. Dit zal in mijn onderzoek bevestigd worden. Opmerkelijk in dit verband is dat het begrip zoete stille ruste een belangrijke rol speelt in Coornherts gnostische leer. Het is het geestelijke genoegen dat een gnosticus smaakt wanneer hij de staat van verlichting heeft bereikt. Kan het zijn dat men hetzelfde genoegen hoopte te naderen in Jan Zoets’ herberg?

Na een grondige studie van Coornherts levensbeschouwing zag ik deze bijna één op één terug in Spinoza’s filosofie, die daarmee voor een belangrijk deel afgeleid lijkt te zijn van die van Coornhert. Ook zag ik dat de wijsbegeerte van laatstgenoemde tijdens de radicale verlichting die in Amsterdam tussen1650 en1670 plaatsvond, een cruciale rol speelde.

De Broeders in Liefde Bloeyende en de rozenkruisers

In de tweede helft van de zestiende eeuw voorspelden tal van auteurs de komst van de mysterieuze figuur Elias Artista. Hierbij baseerden zij zich op de geschriften van Joachim van Fiore en Hendrick Niclaes, die aan het vermeende einde der tijden de intrede voorzagen van een mysterieuze episode: de fase van de Heilige Geest. Hierin zou de beeldende zienswijze plaatsmaken voor het wezenlijke inzicht in de aard der dingen. In dit tijdvak zou het eeuwig evangelie (van de Logos) de plaats innemen van de letterlijk te nemen Bijbelse geschriften. Zoals we Openbaring14:6 zouden kunnen interpreteren.

In de periode voor het ontstaan van de rozenkruiserbeweging raakten velen in Europa geboeid door het progressieve gedachtegoed van de Broeders in Liefde Bloeyende van D’Egelantier. Dit bleek onder andere uit het Londense toneel in het eerste decennium van de zeventiende eeuw. George Chapman, John Marston, Thomas Middleton en Ben Jonson hekelden in hun toneelstukken Coornherts gedachtegoed. Wanneer Ben Jonson verwijst naar de Holy Brethren of Amsterdam, dan kan het niet anders of hij bedoelt de Amsterdamse Broeders in Liefde Bloeyende.

Een goed voorbeeld van de wijze waarop dit gedachtegoed werd verspreid vormde de correspondentie tussen Hooft en Giovanni Badovere, een voormalige student van Galileo Galileï . Uit deze briefwisseling bleek dat er transcripties van de belangrijkste passages uit het werk van Coornhert in Parijs werden gemaakt. In de zeventiende eeuw was het nog gebruik om zeer ketterse boeken via handgeschreven versies te verspreiden. Badovere bestelde bij Hooft zelfs een hele kist met boeken van deze Hollandse ’gnostici’: ’Scherp en merkwaardig en bijzonder is hun leer, naar wat men mij heeft uitgelegd.’

Ook in het werk van de Italiaanse filosoof Tommaso Campanella, sterk beïnvloed door Francesco Pucci die in Leiden bij Justus Lipsius had gestudeerd, treffen we sporen van Coornherts filosofie aan. Campanella schreef in 1602 over de Zonnestad met veel verwijzingen naar de opvattingen van Coornhert en naar de stad Amsterdam in het bijzonder.

Het denken van de Amsterdamse Broeders in Liefde Bloeyende stamt uit dezelfde grote pansofische inspiratiebron die ook de rozenkruisersgeschriften Fama Fraternitatis (1614) en Confessio Fraternitatis (1615) voort zou brengen. In de eerste decennia van de zeventiende eeuw veroorzaakten die manifesten grote opwinding in West-Europa en hadden ze veel invloed op fig ren als Francis Bacon, Jacob Boehme en René Descartes.

Aanvankelijk dacht ik dat met de beroemde Broederschap (Fama Fraternitatis) de Amsterdamse Broeders in Liefde Bloeyende werd bedoeld. Maar actueel onderzoek wees anders uit. De toneelschrijver Bredero was van mening dat de Fama de ’schrijfrijcke geesten’ van D’Egelantier bezong. Bovendien verwees het begrip rozenkruis naar het blazoen van D’Egelantier, waarop een afbeelding te zien is van Jezus gekruisigd aan een rozenkruis.

Ook de auteur van de rozenkruisergeschriften Johann Valentin Andreae was onder de indruk geraakt van de gnostische revolutie die in Holland was begonnen. In zijn werk Christianopolis zijn veel verwijzingen te herkennen naar de filosofie van Coornhert en de stad Amsterdam. We zullen daarop in dit boek nader terugkomen.

De rozenkruiserhistoricus Johann Salomo Semler meende dat deze beweging in 1591, een jaar na de dood van Coornhert, in Gouda in kringen rondom de Fransman Nicolas Barnaud was ontstaan. Snoek (317-318) signaleert dat Barnaud ’voor zover bekend’ in1600 in Gouda vertoefde en niet in 1591. Barnaud zou de Hamburgse spiritualist Henricus Khunrath beïnvloed hebben, en die op zijn beurt een groep spiritualisten in Tübingen. Daartoe behoorden de ’vader van het Duitse spiritualisme’ Johan Arndt en een van de belangrijkste rozenkruiserauteurs, Johann Valentin Andreae.

Een probleem bij het rozenkruiseronderzoek is dat er verwezen wordt naar een bestaande broederschap, die wordt aangeduid met het begrip rozenkruisers. Tegelijkertijd worden de sympathisanten van deze rozenkruisers verwarrend genoeg ook rozenkruisers genoemd. Dus zowel de broederschap zelf als haar sympathisanten werden onder de noemer rozenkruisers gevangen.

Naast de inhoudelijke overeenkomsten tussen Coornhert en de filosofen die door de rozenkruiserfilosofie waren beïnvloed, durfden twee auteurs op verhullende wijze de locatie van de rozenkruisers bekend te maken. Robert Fludd en Michael Maier suggereerden dat Amsterdam de plaats was waar zij bijeenkwamen. Maier verwees zelfs naar de openingsvoorstelling van de Nederduytse Academie.

Bovendien waren de rozenkruisers gnostici, net als de Amsterdamse Broeders in Liefde Bloeyende. Het werk van Francis Bacon, René Descartes en Spinoza volgde in hoofdlijnen Coornherts wijsbegeerte. Genoemde auteurs gebruikten ook dezelfde terminologie.

De fascinatie voor de Hollandse gnostische filosofie rond 1600 werd gevoed door astrologische en chiliastische voorspellingen. Het jaar 1600 is in dit opzicht ook voor veel moderne wetenschapshistorici als Alexandre Koyré , Herbert Butterfield, E.J. Dijksterhuis en Stephen Toulmin uiterst belangrijk. Het is volgens hen het begin van de wetenschappelijke revolutie die Europa zou veranderen.

Deze wetenschappelijke omwenteling rond 1600 had veel raakvlakken met het denken van de rozenkruiserbeweging. Ook daarbinnen werd de opvatting gehuldigd dat God niet alleen door middel van de Bijbel maar eveneens door natuuronderzoek beter gekend kon worden. Men bestudeerde de geestelijke kracht waar God de wereld mee had geschapen.Vooraanstaande natuurfilosofen als Galileï en Kepler stonden sterk onder de invloed van de Hollandse natuurfilosofie. 

Ook bij hen ziet men de hoofdlijnen van Coornherts filosofie terug, zoals de opvatting over de inadequate menselijke zintuiglijke waarneming. Dit menselijke tekort werd gecompenseerd door de ontdekking van de microscoop en de telescoop, die geheel nieuwe werelden onthulden welke met het blote oog niet zichtbaar waren. Naast de Bijbel, die zij belangrijk bleven vinden, plaatsten zij het Boek van de Natuur. Er werd gedebatteerd over de vraag op welke wijze en door welke kracht de materie werd beïnvloed. Net als Drebbel beschouwden Galileï en Descartes het universum dat zij door microscoop en telescoop waarnamen als een nieuwe wereld.

Oorspronkelijk christendom

Het christendom moest volgens Coornhert geen geloof in irrationele kerkelijke dogma’s zijn, maar een heldere, logische visie op de samenhang tussen God en mens – die van het oorspronkelijke christendom. Ook de natuurwetenschappers Galileï en Brahe waren door hun Hollandse studenten goed op de hoogte van deze Hollandse filosofie. Kepler stond in contact met Drebbel. Een ander toepasselijk voorbeeld is de al genoemde correspondentie van Giovanni Badovere, die een hele kist boeken met werken van de Hollandse filosofen bestelde.

Tijdens het eerste Stadhouderloze Tijdperk besloten spirituele kringen in Amsterdam om de aan het denken van Coornhert verwante filosofie – die tot dan toe zeer schetsmatig was weergegeven – naar buiten te brengen. Verschillende filosofen hadden die intentie, met name Comenius, Descartes en Spinoza. Maar Descartes schrok terug vanwege de affaire Galileï en Comenius raakte in diskrediet nadat hij geprezen was door een sociniaan, Daniel Zwicker. Spinoza durfde het wel aan en liet in1670 de Tractatus theologico-politicus publiceren.

Coornhert zie ik in menig opzicht als de vader van het moderne denken en de moderne wereld. De kiemen van actuele opvattingen zijn in zijn werk terug te vinden: de psychoanalyse, het marxisme, het existentialisme, de natuurfilosofie en de pedagogie. Ik hoop dat althans in dit boek aanneembaar te maken.

Vader van de moderne filosofie

Aan het einde van mijn onderzoek realiseerde ik me dat Coornhert niet alleen misschien wel de meest vooraanstaande denker des vaderlands is geweest, maar ook een van de invloedrijkste filosofen uit de Europese geschiedenis. Je zou hem de vader kunnen noemen van de moderne filosofie. Hij was een inspirator voor de natuurfilosofie van Stevin, Drebbel, Galileo Galileï, Brahe en Kepler.

Dit moderne denken is geworteld in het Alexandrijnse oerchristendom van Philo van Alexandrië , Clemens van Alexandrië en Origenes, die in de mystieke traditie vooral voortleefden in de Rijnlandse en Brabantse mystiek en in de van oorsprong Noord-Nederlandse beweging van de Moderne Devotie. Dit oerchristendom zou als gevolg van de macht van het constantiniaanse christendom in seculiere vorm voortbestaan in de Europese cultuur. In mijn optiek staan Freud, Marx, Heidegger en Einstein dichter bij het oerchristendom dan de kerken van Rome, Luther en Calvijn. Ook hierop kom ik in deze publicatie uitvoerig terug.

Spinoza was geen hindoeïst of boeddhist, maar een aanhanger van het oerchristendom van de Alexandrijnse gnostici Theodotus, Clemens van Alexandrië en Origenes. En in de zeventiende eeuw was het kerkelijke christendom zo ver van dit oerchristendom verwijderd dat het deze leer als het toppunt van atheïsme beschouwde. Mede om die reden verweet Coornhert de kerken dat zij antichristelijk waren. En daarom ook pleitte hij voor een christendom zonder kerk.

Coornhert en Amsterdam

Dit onderzoek richt zich vooral op Amsterdam en in mindere mate op heel Noord-Holland, waar de eerdergenoemde, stille gnostische revolutie plaatsvond. Het schiereiland Noord-Holland werd een toevluchtsoord voor aanhangers van de radicale reformatie. Maar liefst tweederde van de bevolking behoorde in belangrijke delen van deze regio rond 1620 tot doopsgezinde, gnostische en spirituele groeperingen, terwijl deze beweging verder in heel Europa was uitgeroeid. Alleen gebieden die zich niet leenden voor het uitoefenen van feodale macht, zoals de berggebieden van de Alpen en de Apennijnen en het Noord-Hollandse Waterland, konden uitgroeien tot bastions van de radicale reformatie. Beschermd door geografische omstandigheden waren de Noord-Hollanders en vooral de Amsterdammers in staat om zich vrij te uiten. Met enige fantasie kan men stellen dat Amsterdam door de vele meren en plassen rondom de stad nagenoeg op een eiland lag.

Het graafschap Holland vormde een unie van stadsstaten die op stedelijk niveau met betrekking tot religie een redelijk autonome politiek konden voeren. Zo vormde het coornhertisme een factor van betekenis in de steden Amsterdam, Haarlem en Gouda en in het Noord-Hollandse Waterland. De steden Delft en Leiden waren van oorsprong centra van het radicale david-jorisme. Leiden profiteerde van de val van Antwerpen (1585) en voerde een uitgekiende migratiepolitiek ten aanzien van hoogopgeleide calvinistische ambachtslieden uit de Zuidelijke Nederlanden. De stad groeide uit tot een bastion van het calvinisme. Amsterdam, Haarlem en Waterland werden bol- werken van het anabaptisme.

Een algemeen beeld van de religiositeit in Holland is moeilijk te geven. De geografische omstandigheden speelden een zeer belangrijke rol. Zo kon een rivier de scheidslijn vormen tussen een katholieke en een calvinistische regio.

De positie van Amsterdam was bijzonder. De stad kende bijvoorbeeld al een rudimentaire vorm van democratische electie en werd efficiënt bestuurd door een college van vier burgemeesters. Amsterdam was bovendien de laatste stadsstaat in Europa waar een nieuw, revolutionair mensbeeld werd ontwikkeld. In Florence leidde de herontdekking van Plato en de hermetische gnosis tot de cultuur van de renaissance. En in Amsterdam mondde de herleving van de christelijke oergnosis uit in een gnostische, burgerlijke, wetenschappelijke revolutie, die de Europese geschiedenis twee eeuwen lang diepgravend zou beïnvloeden. In dit boek zal ik argumenten aandragen voor deze bewering. Amsterdam groeide rond 1600 als het ware uit tot een sociaal laboratorium, waarin met nieuwe levensvormen werd geëxperimenteerd. Begrippen als koning, edelman, burger, man, vrouw en kind werden door de Amsterdamse gnostici opnieuw gedefinieerd.

Het begrip Gouden Eeuw verdient herijking. De Gouden Eeuw kreeg vooral gestalte in Holland. De landprovincies in de Noord-Nederlandse Republiek bleven tot 1630 het strijdtoneel tussen de Hollandse en Spaanse legers, terwijl Holland zich na de terugtrekking van de Spaanse armee in1574 vrij kon ontwikkelen. In de Gouden Eeuw vormde het noorden van Holland het economische, culturele en industriële centrum van de Republiek. De meeste steden in dit gebied maakten deel uit van het economische systeem van Amsterdam. Verder vond er in de landprovincies een massale emigratie plaats van ketters en fortuinzoekers naar het gewest Holland.

De Gouden Eeuw kan men grofweg situeren in de periode tussen 1583 en 1672, waarna een zogenaamde Zilveren Eeuw volgde van 1672 tot 1788. In het jaar1583 sloot Coornhert zich aan bij de Amsterdamse Broeders in Liefde Bloeyende. En tot 1630 was er slechts sprake van een Gouden Eeuw in het district Holland. In dat gewest woonden één miljoen mensen, meer dan de helft van de bewoners van de Noord-Nederlandse Republiek. In veel Europese landen werd de Republiek in de beeldvorming vooral met Holland geassocieerd. 

In Engeland, Rusland, Italië en Duitsland was het begrip Holland een synoniem voor de hele Republiek. De Polen met wie de handelscontacten in de Gouden Eeuw bijzonder intensief waren, kenden de aanduiding Nederlanden zelfs niet en noemden de Republiek Hollandia. De burgerlijke historici uit de negentiende eeuw bagatelliseerden de betekenis van Holland omwille van het typisch burgerlijk-nationalistische concept van de Nederlandse eenheidsstaat. De Gouden Eeuw was niettemin in alle opzichten Hollands, met het vooruitstrevende Amsterdam als magisch centrum. Met financiële steun van Holland en vooral Amsterdam lukte het om de landprovincies te heroveren op de Spanjaarden.

Een van de grote problemen van het Coornhertonderzoek is dat zijn werk in het buitenland vooral middels intellectuele kringen mondeling en door transcripties is overgeleverd. De coornhertisten beschikten over uitstekende netwerken.Verder werd hun gedachtegoed via vluchtelingenstromen van Hollanders naar Engeland en Duitsland verspreid. Coornhert was aanvankelijk nauw verbonden met de beweging van het Huis der Liefde, die eveneens over aanzienlijke netwerken beschikte. Later distantieerde hij zich van Hendrick Niclaes, de stichter van het Huis der Liefde. 

Overal in Europa bevonden zich familistische geheime genootschappen waarin de ideeënleer van de familisten werd bestudeerd. Door de netwerken van de uitgever Christoffel Plantijn en de intellectuelen Lipsius, Ortelius, Mercator, Scaliger, Hugo de Groot, Jan van der Noot, Simon Stevin, Cornelis Drebbel, Samuel Coster en P.C.Hooft kreeg Coornherts werk ook bekendheid.

Coornhert voelde zich sterk verbonden met de zeer vrijzinnige Waterlandse doopsgezinden van Hans de Ries in het huidige Noord-Holland, een dominante religieuze stroming in het begin van de zeventiende eeuw. Deze Waterlandse doopsgezinden waren gnostici die zich op religieuze wijze verbonden hadden. Zij vormden samen met de antiklerikale gnostici het elitecorps van de Nederlandse zeevaarders en bouwden zo een wereldomspannend netwerk, dat eveneens voor een unieke verspreiding van Coornherts filosofie zorgde. Vanuit Amsterdam waren veel rivier- en havensteden relatief snel bereikbaar. De Waterlandse doopsgezinde kerk was overigens de enige kerk waar Coornhert een beetje sympathie voor kon opbrengen.

Het coornhertisme is een opmerkelijk bijkomend ’exportproduct’ geweest van de gigantische Hollandse handelsvloot. Zeelieden vormden in de vroegmoderne tijd een belangrijke informatiebron. Tekenend was dat een zeeman uit Genua in Campanella’s Citta’ del Sole een hospitaalridder informeerde over een zonnestad die – zoals uit deze studie zal blijken – grote overeenkomsten had met het gnostische Amsterdam.

Elites vormden in zijn ogen de krachten van de duisternis. Als neo-machiavellist was Coornhert van mening dat die groeperingen niet alleen verantwoordelijk waren voor de godsdienstoorlogen, maar ook voor de manipulatie van het christendom. Bovendien verweet hij hen dat zij het christendom omgevormd hadden tot een ideologie van sociale en geestelijke onderdrukking. Hij wees hierbij op het benadrukken door de kerken van hun exclusiviteit, die tot uitsluiting van andersdenkenden leidde. Om die reden was Coornhert een voorstander van een christendom zonder kerk.

Als gevolg van zijn antiklerikalisme en uitgesproken maatschappijkritiek kreeg Coornherts filosofie eerst in het buitenland en vervolgens in de Republiek na de Synode van Dordrecht de status van een geheime doctrine. Dit gebeurde vooral omdat door tegenstanders van Coornhert een verband werd gelegd tussen zijn denken en dat van eerdere ketterse bewegingen vanaf de dertiende eeuw. Men had rond het midden van de zestiende eeuw gezien hoe repressief de overheid reageerde op anabaptistische bewegingen. Het geheime karakter van de groepering bemoeilijkte mijn studie naar de invloeden van het coornhertisme op andere stromingen.

Over de netwerken en de inhoud van contacten is jammer genoeg vrijwel niets bekend. Het was gebruikelijk in de vroegmoderne tijd om denkbeelden zonder bronvermelding over te nemen. Op deze wijze trachtten de vrijdenkende auteurs hun inquisiteurs geen aanwijzingen te geven. Voorzichtigheid was het motto. Zo waren de inquisiteurs wel op de hoogte van de namen van ketters maar niet van hun gedachtegoed. Giovanni Badovere bijvoorbeeld noemde in zijn correspondentie met Hooft Coornhert niet bij naam, maar omschreef hem als ’de Dialogist’.

Inhoudelijke vergelijkingen met andere denkers staan in dit onderzoek op de voorgrond. Vooral in het oeuvre van rozenkruisers als Francis Bacon, Jacob Böhme en René Descartes alsook William Shakespeare treffen we bijna letterlijke citaten uit Coornherts werk aan. Ook in de belangrijkste rozenkruisergeschriften herkennen we denkbeelden van Coornhert en van zijn vriend Hendrik Laurenszoon Spieghel.

Het maken van inhoudelijke vergelijkingen is een vaak toegepaste methode in de geschiedschrijving van de zestiende en zeventiende eeuw. Op die manier ontdekten historici overeenkomsten tussen het werk van Shakespeare en Francis Bacon;en verder tussen Citta’ del Sole van Campanella en Christianopolis van Johann Valentin Andreae. Daarnaast zijn er grote parallellen tussen Giordano Bruno en Baruch Spinoza.

Francis Bacon werd op grond van de publicatie van The Advancement of Learning door nogal wat wetenschapshistorici als de architect van de wetenschappelijke revolutie gezien. Uit dit onderzoek zal blijken dat Coornhert en zijn vrienden hem al twintig jaar voor waren. Daarbij durfden Bacon en later Descartes niet zo ver te gaan als Coornhert.

Overigens dient vermeld te worden dat er volgens de latere Alkmaarse onderzoeker, uitvinder en alchemist Cornelis Drebbel ook andere manieren waren om God te leren kennen dan slechts door de Bijbel. Een daarvan was het natuuronderzoek. Hiermee stemde hij overeen met de fervente filosoof Adriaan Koerbagh, die de natuurkunde daarom de enige ware godgeleerdheid noemde.

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf

DEEL I

Coornhert Lichtdrager

Inleiding 

Het raadsel van de Gouden Eeuw

Noten deel I 

DEEL II

Coornherts gnostieke filosofie

1. Terug naar het oerchristendom

2. God en de duivel

3. Zuivering van het bewustzijn

4. Eengnostiekge|«nspireerdenatuurfilosofie

5. Het proces van verlichting als wedergeboorte

6. Het valse bewustzijn van de elite

7. Naar een op waarheid gebaseerde burgerlijke cultuur

8. Pleidooi voor een antiklerikaal christendom

9. Coornherts universele godsbeeld

10. Twee teksten die Coornhert altijd vergezelden

Noten deel II

DEEL III

De revolutie van de broeders in liefde bloeyende

1. Coornhert en de ’Broeders in Liefde Bloeyende’ 

2. De ontwikkeling van een Nieuwnederlandse taal

3. Het nastreven van een wetenschappelijke aanpak

4. Het Hollandse de|« sme en de onttovering van de wereld

5. De duizendkunstenaar Simon Stevin

6. Cornelis Drebbel, de renaissance-magiër

7. Andere belangrijke vernieuwingen

8. De economische revolutie in Amsterdam en Waterland

9. De Amsterdamse gnostici en de breuk in de geschiedenis

Noten deel III

De neergang van de kerk in Amsterdam

DEEL IV

1. Het onkerkelijke Amsterdam

2. De gereformeerde kerk als probleem

3. De aversie tegen de calvinisten

4. Jacob Arminius en het failliete calvinisme

5. Het calvinisme als ideologie van het kapitalisme

Noten deel IV

DEEL V 

De gnostische broeders in liefde Bloeyende

  1. De Broeders in Liefde Bloeyende en het theater  
  2. Pieter Cornelisz. Hooft: een republikeins deïst 
  3. De radicale gnostische deïst Samuel Coster
  4. De dichter Gerbrand Adriaensz. Bredero, gezien in het licht van de gnosis
  5. Bredero’s gnostische leer
  6. Deze wereld is de hel
  7. Het antikapitalisme van de Broeders in Liefde Bloeyende
  8. De eerste volksuniversiteit: de Nederduytsche Academie 

Noten deel V

Deel VI 

Een nieuw tijdperk kondigt zich aan

1. De komst van Elias Artista 

2. Verspreiding van Coornherts filosofie

3. De fascinatie van een Venetiaan

4. Aanvallen op de Amsterdamse gnostici

5. Amsterdam als Utopolis

6. Ondergang van de Italiaanse renaissance

7. Francesco Pucci en Giordano Bruno terechtgesteld

Noten deel VI

DEEL VII

Rozenkruisers in Gouda en Amsterdam

  1. Voorlopers van de rozekruiserbeweging in Gouda 
  2. Het ontstaan van de Duitse rozenkruiserbeweging
  3. Het rozenkruisermanifest ’Fama Fraternitatis’ (1614)
  4. Amsterdamse reacties op de Fama Fraternitatis
  5. De onthulling van de verblijfplaats van de rozenkruisers
  6. De rozenkruisers en het blazoen van D’Egelantier
  7. Belangrijke Amsterdamse centra van de rozenkruisers
  8. Amsterdamse invloeden op de Confessio Fraternitatis
  9. Amsterdam als het utopische Christianopolis

10. Robert Fludd over de nieuwe psychologische alchemie

11. De rozenkruisers en de wetenschappelijke revolutie

Noten deel VII

DEEL VIII

De opening van het graf van Christiaan Rozenkruis

  1. De aanval op de gnostici
  2. Vrijdenkers worden onzichtbaar
  3. René Descartes
  4. Het deïsme in de achttiende eeuw
  5. Spinoza en de rijke erfenis van Christiaan Rozenkruis 

Noten deel VIII

Deel IX

Coornherts doorwerking in de geschiedenis

Draagwijdte

Noten deel IX

Dirck Volckertsz. Coornhert

Biografie

Enige verklaringen van namen en begrippen

Geraadpleegde literatuur

Namenregister

’Want de valsche kennisse wert nu blint in henluyden – ja als een verdwijnende Nevel uytgedreven – door de Sonne der Waarheyt, die nu in de Ziele helder schijnt, in het Licht het oordeel voert ende het gene dat quaat is quaat, ende ’t gene dat goet is goed oordeelt’

D.V. Coornhert

Bron: Coornhert – Licht in Europa

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *