Reis naar Christianopolis – een esoterisch geschrift van Johann Valentin Andreae vermomd als staatkundig ontwerp

BESTEL REIS NAAR CHRISTIANOPOLIS

Een kleine eeuw nadat Paracelsus (1493-1541, fakkeldrager van het Rozenkruis 1) met zijn teksten de grote lijnen uitzette voor een christelijk geïnspireerde samenleving, geeft Johann Valentin Andreae (1586-1654, fakkeldrager van het Rozenkruis 8) soortgelijke ideeën vorm in zijn utopie Christianopolis. De oorspronklijke tekst verscheen in 1619 in Straatsburg in het Latijn met de titel ‘Reipublicae Christianopolitanae Descriptio’.

Elke Bußler van uitgeverij De Woudezel maakte een Nederlandse vertaling van het volledige geschrift die in 2005 werd gepubliceerd: Reis naar Christianopolis. De weg naar de hogere werkelijkheid hierin beschreven als de ontdekking van de stad met de naam Christianopolis, de stad van Christus. De pelgrim die er binnenkomt zal alles achter zich moeten laten wat daar niet hoort. Pas dan zal hij de thuiskomst ervaren in een vibrerend levensveld van hogere orde.

Jan van Rijckenborgh (fakkeldrager van het Rozenkruis 21) wijdde in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog meerdere tempeldiensten aan de eerste zeven hoofdstukken van Christianopolis, die veel later zijn uitgegeven door Rozekruis Pers onder de titel Christianopolis – Verklaring van zeven hoofdstukken van Reipublica Christianopolitanae Descriptio. Daarin beschrijft hij hoe deze rozenkruisers-tekst uit 1619 (vertaald in hedendaags Nederlands) de korte weg wijst tot het hart van het hemelse Jeruzalem.

Tijdens het leven Johann Valentin Andreae is de reformatie onherroepelijk, maar nog wel een fel omvochten feit. Ook Andreae lijkt bij verschijnen van dit boek – 33 jaar oud, van beroep predikant te Vaihingen – vast gesetteld in het orthodoxe lutheranisme. Toch wil het de universele geleerde, stichtelijke dichter en op tucht en discipline gestelde geestelijke maar niet lukken de spirituele onderstroom tot zwijgen te brengen, die hem in een geweldige uitbarsting op jeugde leeftijd ertoe noopte een werk als De Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis uit zijn pen te laten borrelen en mede aan de wieg te staan van de toen in zwang komende beweging van de rozenkruisers – waarvan hij zich later steeds zou blijven distantiëren.

Zo is ook Christianopolis een esoterisch geschrift, een reis in de binnenwereld, vermomd als een doordacht staatkundig ontwerp dat blijk geeft van brede eruditie, uiterst moderne pedagogische inzichten en een constant streven naar praktische omzetting. Christianopolis moest een kiem vormen van het Nieuwe Jeruzalem.

Na de onderstaande inhoudsopgave met honderd hoofdstukken volgt de integrale tekst van 28 geselecteerde hoofdstukken uit het begin, het midden en het einde. 

INHOUD

Wees gegroet, christen die dit leest!

  1. Aanleiding tot de reis; de schipbreuk
  2. Stranding op het eiland Kafarsalama
  3. De oorsprong van Christianopolis
  4. Eerste ondervraging van de vreemdeling, over zijn uiterlijke belijdenis en levenswandel
  5. Tweede ondervraging, over zijnlihcamelijke constitutie
  6. Derde ondervraging, over zijn persoonlijke ontwikkeling
  7. Beschrijving van de stad
  8. Akkerbouw en veeteelt
  9. De molens en bakkerijen 
  10. Het slachthuis annex voorraadhuis
  11. Metalen en mineralen
  12. De woonhuizen
  13. De handelswerklieden
  14. Het gemeenschappelijke gebed
  15. Het eten
  16. Het werk
  17. De vrije tijd
  18. De beloningen
  19. De straffen
  20. De adel
  21. De stadbestuurders
  22. Het werk voor de gemeenschap
  23. De woningen
  24. De huisraad 
  25. Het nachtelijk licht
  26. Het collegium
  27. Het triumviraat
  28. De godsdienst
  29. De leefregels van de stad
  30. De theoloog
  31. Het geweten
  32. De diaken
  33. De rechter
  34. De rede
  35. De maat
  36. De geleerde
  37. De waarheid
  38. De tong
  39. De bibliotheek
  40. Het wapendepot
  41. De annalen
  42. De drukkerij
  43. De schatkamer
  44. Het laboratorium
  45. De apotheek
  46. De anatomie
  47. De natuurhistorische collectie
  48. De schilderkunst
  49. De wiskundige instrumenten
  50. De wiskundige expositie
  51. De lesruimtes
  52. De leraren
  53. De leerlingen
  54. De aard van het onderwijs
  55. De eerste lesruimte: Spraakkunst
  56. Redekunst
  57. Verschillende talen
  58. De tweede lesruimte: Dialectiek
  59. Metafysica
  60. Theosofie
  61. De derde lesruimte: Rekenkunst
  62. Meetkunde
  63. De geheime getallen
  64. De vierde lesruimte: Muziek
  65. De muziekinstrumenten
  66. Het koor
  67. De vijfde lesruimte: Astronomie
  68. Astrologie
  69. De hemel van de christenen
  70. De zesde lesruimte: Natuurkunde
  71. Geschiedenis
  72. Kerkgeschiedenis
  73. Ethiek
  74. Politiek
  75. Christelijke armoede
  76. De achtste lesruimte: Theologie
  77. Praktische theologie
  78. De voorspellingen
  79. De geneeskunst
  80. De rechtsgeleerdheid 
  81. De kamers van de jongeren
  82. De kerk
  83. De roeping
  84. de preken
  85. De heilige psalmgezangen
  86. De sacramenten
  87. Absolutie en excommunicatie
  88. Het huwelijk
  89. De vrouwen
  90. De bevalling
  91. Het weduwschap
  92. De raadzaal
  93. De raadslieden
  94. De tuinen
  95. Het water
  96. De bejaarden
  97. De vreemdelingen en armen
  98. De zieken
  99. De dood
  100. De begrafenis

[Slotwoord]

1. Aanleiding tot de reis; de schipbreuk

Gedurende de tijd dat ik als vreemdeling in deze streken ronddoolde, doorstond ik standvastig de heerschappij van tirannie, sofisterij en huichelarij, zonder degene te kunnen vinden, die ik zo angstig zocht. Zo vatte ik het besluit me nog eenmaal de Academische Zee op te wagen, hoewel ik al vele keren had ondervonden hoe bedreigend deze kan zijn. Dus besteeg ik het schip van de fantasie en liet ik, samen met vele anderen, de bekende havens achter me, waarbij ik lijf en leven aan duizenderlei gevaren blootstelde, die het streven naar kennis met zich meebrengt.

De weersomstandigheden waren korte tijd gunstig voor ons; maar later begonnen de stormen van nijd en laster de Ethiopische Zee zo heftig tegen ons op te zwepen dat we iedere hoop op rustig weer geheel lieten varen. Kapitein en roeiers deden weliswaar hun uiterste best, we vochten hardnekkig voor ons leven en het schip zelf verzette zich tegen de klippen. Maar de woeste zee kreeg altijd weer de overhand, en uiteindelijk moesten we alle pogingen staken. We maakten ons, eerder noodgedwongen dan uit dapperheid, gereed om te sterven en aanvaardden onze ondergang. Het schip sloeg lek en we zonken.

Sommigen werden door de golven verzwolgen, anderen over geweldige afstanden meegesleurd, weer anderen, die enigszins konden zwemmen of die een plank te pakken konden krijgen, kwamen op verschillende, hier en daar verstrooid in de zee liggende eilanden terecht; slechts een klein aantal van ons wist voorlopig aan de dood te ontsnappen. Ik althans werd uiteindelijk in mijn eentje op een soort minuscuul grasveldje aangespoeld.

2. Stranding op het eiland Kafarsalama

Alles beviel me hier – alleen met mezelf was ik minder ingenomen. Hoe klein het eiland ook leek, alles was er in overvloed aanwezig, en er was geen voetbreed onbebouwd of onbenut land te zien. De ligging van dit eiland, die ik weinig later heb bepaald, wil ik de lezer niet onthouden. Het ligt op het zuidelijk halfrond, op 10° zuiderbreedte en 20° van het equinoctium, ongeveer onder het twaalfde punt van de Stier. Exactere aanwijzingen zal ik hieromtrent nooit geven.

De vorm van het eiland is driehoekig, en het heeft een omtrek van 30.000 pas. Het is een vruchtbaar eiland met akker- en weilanden, doorstroomd en besproeid door beken en bronnen, getooid met wouden en wijngaarden, en het wemelt er van dieren; de essentie van de hele wereld lijkt hier aanwezig te zijn. Je zou menen dat hier hemel en aarde met elkaar getrouwd waren en voor altijd in vrede samenwoonden.

Toen ik hier in de herrezen zon, om het zo maar te noemen, mijn onderhemd droogde, het enige kledingstuk dat ik nog had, verraste me een van de ingezetenen, die het eiland bewaakte. Deze hoorde me vriendelijk uit over mijn lotgevallen en toonde een hartelijk medeleven toen hij hoorde wat me allemaal was overkomen. Hij stak me een hart onder de riem en beval me met hem mee te gaan naar de stad. Daar zou men me opknappen met de welwillendheid die men hier tegenover vreemdelingen en ballingen gewoonlijk aan de dag legt. Waar hij nog aan toevoegde:

“Hoe gruwelijk de schipbreuk ook was, die u hebt meegemaakt, u mag zich gelukkig prijzen dat het u te beurt is gevallen hier te zijn aangespoeld.” Waarop ik geen ander antwoord had dan: “God zij dank. God zij dank.”

3. De oorsprong van Christianopolis

Intussen raakte ik bij het naderen van de stad in grote verbazing over haar wonderbaarlijk en prachtig uiterlijk, waarmee geen land in de hele wereld zich kan vergelijken. Dus wendde ik me tot mijn begeleider en vroeg ik hem: “Welke gelukzaligheid houdt hier haar verblijf?” Waarop hij antwoordde: “Juist die gelukzaligheid die gewoonlijk niet gelukkig is in deze wereld. Want toen de wereld onbarmhartig tegen rechtschapen mensen tekeerging en hen uit haar grenzen verdreef, heeft de verbannen godsdienst zijn trouwste vrienden om zich heen verzameld en is met hen de zee overgestoken. 

Na wat speurtochten heeft hij uiteindelijk dit land gekozen, waar hij zijn aanhangers aan wal zette, vervolgens de stad gebouwd, die wij Christianopolis noemen, en bepaald dat hier de waarheid en de goedheid hun woning en, zo u wilt, een veilig toevluchtsoord zouden hebben. De vrijgevigheid van onze gemeenschap, die alle behoeftigen ten deel valt, zult u zelf ondervinden. Maar als u nu ook de stad wilt bekijken, doe dat dan met ingetogen blik, een beheerste tong en vlekkeloos gedrag; dan zal u niet alleen niets worden belet, maar zal de stad zich deel voor deel voor u openen.”

Waarop ik antwoordde: “O, gelukkig uur waarin ik iets zal mogen aanschouwen, dat werkelijk beschaafd en harmonisch is, nadat ik onder angst en moeite van zoveel narigheid getuige ben geweest. Ik zal me aan geen wassing, aan scheermes noch borstel onttrekken, om gewassen, geschoren en gelouterd tot de heldere zetel van het ware en het goede te worden toegelaten. Want hoe ongelukkig ik tot nu toe in mijn dwalingen en zwerftochten ben geweest, is de meesten allang bekend. Als ik toch eenmaal iets mocht zien, dat waarachtiger, beter, zekerder en duurzamer is; met één woord, het soort dingen die de wereld weliswaar belooft, maar nooit en nergens laat zien!”

4. Eerste ondervraging van de vreemdeling, over zijn uiterlijke belijdenis en levenswandel

We waren al bij de oostelijke poort aangekomen, en mijn begeleider bleef staan bij de dienstdoende commandant van de wacht. Die ontving me vriendelijk en vroeg me wat ik wenste. “Heel veel”, antwoordde ik, “want u ziet hier iemand voor zich, die door land en zee is uitgestoten. En nu ik hier als het ware God zelf heb aangetroffen, waarom zou ik niet om al datgene in ruime mate verzoeken, waaraan ik mijn leven lang gebrek heb gehad?”

De wachter keek me glimlachend aan en zei dat ik hopelijk niet een van hen zou blijken te zijn, die de burgers van dit eiland, dat geen aanstotelijk gedrag tolereert, niet in hun midden kunnen verdragen, maar terugsturen naar hun kornuiten, zoals bedelaars, marktschreeuwers, toneelspelers die behagen scheppen in het nietsdoen, bemoeizieken die over de vreemdste dingen piekeren, fanatici die geen ware vroomheid koesteren, asblazers die de chemie bezoedelen, bedriegers die zich voordoen als broeders van het Rozenkruis, en andere soortgelijke gezwellen van de geleerdheid en de beschaving, die door het bekijken van deze stad nooit beter zouden worden.

Nadat ik me door de getuigenis van mijn diepste geweten had gerechtvaardigd en met veel woorden had beloofd aan de waarheid vast te houden en me goed te gedragen, vervolgde hij:

“Dan is er dus niets dat belet dat u niet alleen geniet van wat we hebben, wat het minste is, maar ook van wat we zijn.” Met deze woorden nam hij me bij de hand en leidde hij me naar het dichtstbijzijnde wachthuis, waar hij ervoor zorgde dat ik door een smakelijke maaltijd weer op krachten kwam.

5. Tweede ondervraging, over zijn lichamelijke constitutie

Nadat ik daar van nieuwe kleding was voorzien, die niet luxe was, maar eenvoudig en daarbij heel praktisch, droeg hij me over aan enkele helpers, die me naar een tweede ondervrager moesten vergezellen. Deze was er blijkbaar voor in de wieg gelegd om de diepste geheimen van een mens te doorgronden. Hij beantwoordde mijn groet met de grootste beleefdheid en eiste daarna al mijn aandacht op voor een reeks vriendelijke vragen, terwijl hij met vorsende blik naar mijn lichaamsvormen en gelaatstrekken keek. Naar mijn vaderland, leeftijd en levenswijze vroeg hij maar terloops, waarbij zijn strenge blik plaats maakte voor een glimlach.

Nadat we nog enkele beleefdheden hadden uitgewisseld, hernam hij: “Zonder twijfel, vreemdeling, bent u onder Gods geleide hier gekomen om de ervaring te kunnen maken dat slechte daden en barbaarse gebruiken niet altijd een noodzakelijk kwaad zijn. Dat zullen we u vandaag nog laten zien, want dat zijn we alle oprechte mensen schuldig. En we doen dat met des te meer plezier, aangezien noch de natuur noch het lot u vijandig is gezind, maar u dankzij beider genegenheid een woning bezit, die een vrije mens waardig is. Want als u zich ook door God laat leiden, waardoor u als het ware gevrijwaard bent van de wetten waaraan de menselijke natuur is onderworpen, twijfelen we er niet aan dat u nu al een van de onzen bent en dat voor altijd zult blijven.”

Onder het praten meende ik op te merken dat hij naging hoe het met mijn gemoedsrust was gesteld, de eerbied van mijn gezicht probeerde af te lezen en op mijn terughoudendheid bij het spreken, de vastheid van mijn blik en de meegaandheid van mijn lichaam lette. Hij deed dat zo handig dat ik moest geloven dat hij mijn gedachten kon lezen, met zoveel vriendelijkheid dat ik hem niets kon verzwijgen, en op een dermate ontzagwekkende manier dat ik moest erkennen hem tot alles verplicht te zijn.

Nadat aldus de verste uithoeken van mijn karakter waren doorgelicht, kwam hij uiteindelijk nog op de wetenschap te spreken: “U zult me verontschuldigen, vriend, dat ik op deze onwetenschappelijke manier met u gesproken heb; maar heb goede moed, want u zult bij ons ook geen gebrek hebben aan mensen die in geleerdheid uitblinken.”

En dadelijk gaf hij een helper de opdracht me naar een derde ondervrager te geleiden. Met een handdruk nam hij afscheid, en hij zei dat ik vertrouwen moest hebben. Maar ik dacht bij mezelf: o wee, als dit niet geleerd is, wat zal me dan nog te wachten staan?

6. Derde ondervraging, over zijn persoonlijke ontwikkeling

Toen we bij de derde ondervrager waren aangekomen, werd ik niet minder vriendelijk ontvangen dan de andere keren; want voor hooghartigheid en arrogantie, dat wil ik toch eens en voor altijd duidelijk hebben gemaakt, is hier geen plaats. Maar nooit heb ik me meer geschaamd dan op het moment dat ik naar deze man luisterde. Hier voelde ik de behoefte om net als Socrates, maar dan in een geheel andere zin, niets te weten. Wat had ik er toch spijt van me als geleerde te hebben voorgedaan!

Hij wilde van me weten – maar vroeg dat in de innemendste bewoordingen – in hoeverre ik geleerd had me zelf te beheersen, mijn broeder te dienen, weerstand te bieden aan de wereld, de dood te aanvaarden en me te laten leiden door de geest; verder, wat ik door de beschouwing van hemel en aarde, het onderzoek van de natuur, het handwerksgereedschap, de taalkunde en de harmonie van alle dingen te weten was gekomen; en ook hoe ik omging met de christelijke gemeente, de Heilige Schrift, ons hemels vaderland, de school van de geest, de broederschap Christi en de gemeenschap van Gods kinderen.

Ik stond versteld toen ik luisterde en besefte hoe weinig ik me eigen had gemaakt van zo veel dingen die de mens vrij ter beschikking staan. Zo deed ik dus het enige wat ik kon doen: ik legde een eerlijke bekentenis af. “Eerwaarde heer”, zei ik, “van al deze dingen weet ik niets af noch heb ik er ooit een leermeester in gehad; maar één ding wil ik u heilig verzekeren: dat ik me er innerlijk zeer vaak mee heb beziggehouden, ernaar heb verlangd en er mijn zinnen op heb gezet deze zaken aan te vatten.”

Hierop antwoordde hij, bijna uitgelaten: “U bent de onze! U brengt immers de schoonste lei mee, net door de zee zelf schoongewassen. Rest ons alleen nog tot God te bidden dat Hij met zijn heilige griffel die dingen in uw hart moge schrijven, die volgens zijn wijsheid en goedheid heilzaam voor u zijn. En dan zult u nu onze stad deel voor deel gaan bekijken. Als u weer terug bent, zullen we met een bereidwillig en dienstvaardig hart van u horen wat u verder van ons vraagt.”

En toen gaf hij me drie begeleiders mee, Bechorat, Eran en Nearja, mensen wier goedheid op hun gezichten stond te lezen. Zij zouden me overal rondleiden.

7. Beschrijving van de stad

Het zal wel niet verkeerd zijn u om te beginnen een algemene beschrijving van het stadsbeeld te geven. De vorm van de stad is vierkant, met zijkanten van zevenhonderd voet, die precies naar de vier windstreken georiënteerd zijn. De wal en vier bolwerken bieden voldoende bescherming. Tot de verdediging dienen verder acht hogere, uitermate goed bevestigde gebouwen op verschillende plaatsen in de stad, bovendien zestien kleinere torens, die echter ook niet te veronachtzamen zijn, en in het midden de bijna onneembare burcht.

Er zijn twee rijen woningen, of in totaal vier rijen huizen, als je de regeringsgebouwen en de opslaghuizen meetelt; één enkele brede, openbare straat, en slechts één plein, dat wel heel prachtig is. Als men de gebouwen uitmeet, zal blijken dat vanaf de straat, die tussen de twee dubbele huizenrijen ligt en twintig voet breed is, de maten naar het midden toe steeds met vijf voet toenemen tot aan het centrum, waar een ronde tempel staat met een doorsnee van honderd voet. Maar ga je vanaf de huizen richting stadsmuur, dan meten het buitenste huizenblok, de tussenruimte en de opslaghuizen telkens twintig voet, de wal vijfentwintig voet. Alle gebouwen hebben drie verdiepingen, die via gemeenschappelijke balkons te bereiken zijn. Maar dat zal allemaal makkelijker uit de schets blijken.

Alle gebouwen zijn uit baksteen opgetrokken en door muren zodanig van elkaar gescheiden dat in geval van brand geen zware schade kan ontstaan. Zowel bronnen als stromend water zijn in grote hoeveelheid aanwezig, door natuur en kunst geschapen. Overal heb je min of meer hetzelfde gezicht, noch luxueus noch armoedig, en alom frisse lucht. Hier leven ongeveer vierhonderd burgers in diepe godsverbondenheid en volmaakte vrede; ik zal over bijna iedereen nog iets te vertellen hebben.

Buiten de muren bevindt zich een vijftig voet brede gracht. Deze bevat vissen, zodat ze ook in vredestijd een functie vervult. In de open ruimte bezijden de stadsmuren worden wilde dieren gehouden, niet voor het vermaak, maar voor praktische doeleinden. In de hele stad zijn drie functies te onderscheiden, namelijk voedselvoorziening, bedrijvigheid en beschouwing. De rest dient voor de landbouw en verschillende ambachten. Dat heb ik zo goed ik kon in de schets opgetekend. Maar laten we nu eens een wandeling door de stad maken.

8. Akkerbouw en veeteelt

De oostelijke flank van de stad is voor de opslag van de landbouwproducten bestemd. Ze is in twee helften verdeeld, zodanig dat aan de ene kant de vruchten van de akkerbouw zijn ondergebracht, aan de andere kant de dierlijke productie. Want alles wat de gemeenschap aan koren, peulvruchten en groente uit het eiland kan verkrijgen, en al wat men aan last-, trek- en kleinvee nodig heeft, wordt hier in veertien gebouwen in bewaring gehouden. Deze zijn zo handig geconstrueerd dat ze de dingen en tegelijkertijd de daarvoor nodige mensen kunnen herbergen. Want aangezien de gebouwen, zoals ik al zei, drie verdiepingen hoog zijn, is er meer ruimte dan je zou denken. Wanneer hier een bepaalde hoeveelheid mest is verzameld, wordt deze via poorten die bij de hoektorens zijn uitgespaard, buiten de stad gebracht en bij de voet van de wal opgezet tot hij verteerd is en over de akkers en velden kan worden uitgereden.

Dwars op de rij gebouwen die voor de landbouwproductie zijn bestemd, bevindt zich op een oppervlakte van dertig bij vijfenveertig voet een bovenbouw, die deze huizen met de tegenoverliggende burgerhuizen verbindt en zodoende de ertussen liggende strook grond overspant. Onder deze overkapping opent zich een brede, gewelfde toegang tot de stad. Van hieruit kan men ook via smallere deuren de huizen betreden. Deze doorgang kan aan weerskanten door poorten worden versperd, waardoor de stad wordt afgesloten, want in de muren van de huizen bevindt zich geen uitgang.

Hierboven is over de hele breedte van de overkapping een zaal ingericht, met ramen naar alle kanten, waar zo vaak de wet het eist, de bewoners van deze zijde van de stad bij elkaar komen om godsdienstoefeningen te houden en bestuurlijke aangelegenheden te bespreken. Bovenin woont Uriël, die bijzonder bekwaam is in de landbouw, de verzorging van de aarde en de veehouderij. Twee torenwachters, Kabseël en Sima, assisteren hem en verlichten het werk wanneer dat nodig is. Hier is geen spoor van lompheid te bekennen. De beschaving van de aartsvaders lijkt wel teruggekeerd, en het geluk is des te groter naarmate God dichterbij is en men meer op eenvoud is bedacht.

9. De molens en bakkerijen

Aan beide uiteinden van de rij gemeenschappelijke opslaghuizen, van de twee genoemde typen, sluiten zich weer andere gebouwen aan, namelijk aan de zuidzijde zeven molens en evenveel bakkerijen, aan de noordelijke kant zeven slachthuizen en evenveel voorraadhuizen. Ook deze twee zijden worden, zoals boven beschreven, door hogere gebouwen in tweeën gedeeld en op de hoekpunten afgesloten door kleinere torens, die ook al genoemd zijn.

De molens malen niet alleen het koren, dat op de bovenverdieping wordt bewaard, maar hier wordt alles gedaan, wat met behulp van het raderwerk gebeurt en waar geen vuur voor nodig is, want de vindingrijkheid heeft hier tot vermaak en verwondering van de kijker velerlei toepassingen ervoor bedacht. Hier wordt onder meer papier vervaardigd, hout gezaagd en worden wapens gepolijst. In de bakkerijen wordt al het brood gebakken, dat op het eiland gegeten wordt, en al het meel opgeslagen.

Ertussenin bevinden zich ook wijnperserijen, en onder de gebouwen zijn kelders uitgegraven om de wijn op te bergen. Hier tref je hofmeesters en toezichthouders van uitgelezen smaak aan. Ze staan onder de leiding van Neria, die in het grote gebouw in het midden woont. Hij wordt bijgestaan door twee opzichters, Sima en Gaddiël, die aan weerskanten in de kleinere torens gehuisvest zijn. Het personeel is zodanig ingedeeld dat voor telkens twee viermanschappen een opzichter ter beschikking staat.

Je raakt er niet op uitgekeken hoe hier, dankzij een sobere levenswijze, van alles steeds genoeg is, ook al zijn de hoeveelheden op zich niet zo groot. Want hoewel er op het hele eiland niemand rijk is, is er, omdat men drankzucht en roes niet kent, door Gods zegen of door de vrijgevigheid van de natuur altijd eten en drinken in overvloed voorhanden.

Over de distributie van de levensmiddelen zal ik het straks hebben; nu moet ik nog één ding zeggen, namelijk dat alles op een keurige manier en in eerbied voor Gods gaven gebeurt. Degenen die het fysieke werk doen, zijn niet onbeschaafd, maar tonen de beste manieren, en aan het hoofd van de wacht staan geen gulzige stinkerds, maar uiterst sobere en schone mensen. En alles wordt zodanig tot tevredenheid van iedereen geregeld dat de bevolking op een fatsoenlijke manier volop geniet.

55. De eerste lesruimte: spraakkunst

We zullen nu de scholen van de kunsten in ogenschouw nemen, die telkens uit drie afdelingen bestaan, overeenkomstig de verschillende leeftijdsgroepen. De eerste hiervan dient de spraakkunst. Wanneer hier wijding, gebed en gezang tot hun recht zijn gekomen en tot een goede levenswandel aanmoedigende, heilige spreuken en andere wijze gezegdes zijn voorgedragen, bestaat het werk van de kinderen erin velerlei voorwerpen en handelingen in de drie talen: Hebreeuws, Grieks en Latijn te benoemen. Vervolgens nemen ze de geslachten en vergrotende trappen door, behandelen ze de naamvallen en de tijden, doorlopen hierbij de verschillende persoonsvormen in enkelvoud en meervoud, verbinden ten slotte de woorden tot zinnen en voorzien ze van bijvoegingen.

Hierbij wordt erop toegezien dat de leerlingen dat wat ze leren, ook begrijpen, en dat wat ze niet begrijpen, in hun moedertaal vertalen. Want is het niet onverantwoord een kleine jongen met veel omhaal onderricht te geven in het Latijn, terwijl hij niet weet wat je wilt of wat hij moet doen, en je met dezelfde moeite en evenveel succes zijn geheugen met een andere vreemde taal zou kunnen plagen? Getuigt het niet van onnadenkendheid een kind iets uit zijn moedertaal in het Latijn te laten vertalen, voordat hij weet wat Latijn eigenlijk is?

Ze zorgen er ook voor dat de tere en breekbare geesten niet door een te grote verscheidenheid of hoeveelheid van lessen worden overstelpt, aangezien het overduidelijk is dat een voortijdige scherpte van het verstand heel makkelijk tot een zodanige afstomping kan leiden dat men voor de rest van zijn leven krankzinnig wordt. Het zijn ongeschikte opvoeders die aan een weelderige verstandsontwikkeling in de kinderjaren hooggespannen verwachtingen verbinden en deze maar blijven koesteren, terwijl zoiets meestal in stompzinnigheid eindigt. De Christianopolitanen streven naar sterke karakters, en die krijgen ze door de kinderen voldoende ontspanning te gunnen. Daardoor wordt hun geheugen gesterkt, hun oordeelskracht gestimuleerd en een openhartige houding bevorderd. Geleidelijk aan, naarmate hun krachten groeien, wordt het werk hieraan aangepast.

56. Redekunst

Voor de iets ouderen wordt in dezelfde lesruimte retorica gegeven. Zij leren hier de verschillende soorten van redevoeringen volgens de regels van de kunst te ontwarren en met bloemrijke uitdrukkingen te verfraaien. Het meest huldigt men hier de natuur, in mindere mate de kunst; daarom is de beste raadgever diegene die in staat is de natuur tot haar recht te laten komen. Zonder deze blijft kunst wezenloos en straalt ze meer angstvalligheid uit dan levensgeest. Daarom zijn retorisch geschoolde sprekers meestal slechte redenaars, omdat ze bij gebrek aan talent woordrijk willen zijn. Als de spraak de aard van de geest weerspiegelt, is al gauw duidelijk waarom de woorden soms niet willen vloeien. Maar er zijn ook mensen die zich door imitatie van anderen een betere positie proberen te verschaffen; bijzonder laffe figuren, want aangezien ze zichzelf verliezen, maar anderen niet bereiken, blijft hun vertoning gebrekkig, lomp en verwrongen.

Hier moet men zijn verstand gebruiken en de eigen talenten ontwikkelen, die God een ieder heeft geschonken. Want er bestaat geen volkomener meester der welsprekendheid dan Hij die de taal geschapen heeft, die ons als bewonderenswaardig voorbeeld de Heilige Schrift heeft gegeven en die niet alleen de oren van de mensen met geluid omgeeft, maar het hart zelf doordringt. Hier is de overdrijving of uitweiding naar heidens gebruik helemaal niet nodig; als je waarachtig, bescheiden en verstandig spreekt, heb je Cicero overtroffen. 

Kortom, wat de geest ademt, brengt beweging teweeg; wat naar de wereld riekt, is lamlendig. Wiens taal naar God smaakt, die is ver gevorderd, want wat de pedanten als onnozel beschouwen, is pure wijsheid. Zodra de redenaars van de wereld uitgesproken zijn, is met de elegante opbouw van hun betoog ook al hun inhoudsloze geluid verdwenen, en de ziel blijft onbevredigd; maar als de goddelijke waarheid ons aanroept, gloeit het hart, wordt de geest actief en komt alles in beweging.

Dat moeten die mensen zich in de oren knopen, die al te zeer met zichzelf zijn ingenomen, iedere keer dat ze zonder God, ja, zelfs ‘met de goden’ spreken zoals zij zelf beweren; zij die Christus dermate geringachten dat ze in hun redevoering liever gewag maken van welke afgod of duivel dan ook dan van de hoogheilige mysteries van het christendom. Ondertussen maken zij aanspraak op de grootste welsprekendheid en zijn ze zeker praatziek genoeg als de wereld erom vraagt; maar het is te vrezen dat ze voor de rechterstoel Christi sprakeloos zullen staan.

57. Verschillende talen

De leerlingen die nog iets ouder zijn, houden zich hier ook met verschillende talen bezig, niet om hun kennis te verbreden, maar om met meer inwoners van de wereld te kunnen omgaan, en dan niet eens zo zeer met de levenden als met de doden; en ook om niet van de verhalen van de eerste de beste Grieks sprekende praatjesmaker afhankelijk te zijn. Deze talenstudie, waarmee anderen langs ik weet niet welke geestelijke omwegen aan het tobben zijn, absolveren de Christianopolitanen op hun sloffen. Want als zij een taal niet binnen een jaar zodanig beheersen dat ze ermee uit de voeten kunnen, vinden ze dat ze er niets aan gedaan hebben; terwijl men elders al te zuinig meent te zijn als men er geen tien jaar voor uittrekt. 

Volgens hen bestaat het werk hoofdzakelijk uit het aanleren van de woordenschat; de grammatica is makkelijk erbij te leren. Ze beginnen met het lezen van makkelijke teksten, die ze met andere verwante en al bekende teksten vergelijken. Het is haast onvoorstelbaar hoezeer men van de verwantschap van de woorden in de verschillende talen kan profiteren. De rest doen het geheugen en een frequent gebruik.

Het deed me pijn toen ik eraan terug moest denken met wat een hardheid ik vroeger op school in het nauw gedreven werd tot ik me helemaal geen raad meer wist. Hier heb ik spelenderwijs geleerd wat ik, om jaloezie te voorkomen, liever niet op wil noemen. Een ding mag ik echter niet verzwijgen: ik heb ook geleerd dat net als alle overige wetenschappen, zo ook in het bijzonder de talenstudie van zeer geringe betekenis is; niet om deze te verwerpen, maar om haar niet boven verdienste te verheffen.

Niet degene die deze of gene taal spreekt, bezit een grotere wijsheid, maar degene die met God is. Waar vroomheid en eerlijkheid spreken, maakt het weinig uit welke taal gebezigd wordt; maar waar die ontbreken, is het niets beter om in het Grieks dan wel in het Latijn het spoor bijster te raken. Zij die menen dat de Latijnse taal tegenover het Duits van een superieure smaak getuigt, zijn maar al te lichtgelovig. Desalniettemin dient men het Latijn wel te handhaven, enerzijds vanwege de diverse voordelen die het biedt, anderzijds vanwege zijn bijtend karakter, dat niet de minste tegenstrijdigheid duldt. Wat mij betreft, heeft deze taal wel redenen om me verwijten te maken, want ik heb de grootste moeite om haar onder de knie te krijgen, ben te ongeduldig om haar te beoefenen, te nors om haar schoonheid te bewonderen of, wat ze ons altijd weer voorhoudt, gewoon te barbaars.

58. De tweede lesruimte: dialectiek

De tweede lesruimte draagt de naam van de dialectiek, de voornaamste kunst die er beoefend wordt. Hier leren de kinderen die al iets gevorderd zijn, op diverse zaken waar een mens mee te maken krijgt, het gereedschap van een methode toe te passen, dingen die hun worden voorgelegd, in categorieën te rangschikken en op basis daarvan een redenering op te bouwen. Daardoor kunnen zij zien wat met zekerheid waar is, wat mogelijk waar is en waar onder de valse schijn een vooroordeel verborgen ligt. Want hier heeft de waarheid haar toetssteen, die door sommige dikdoeners echter als een al te ruwe proefsteen voor de goddelijke wijsheid zelf roekeloos is misbruikt. Dit is dan de beroemde Helena, door wie Griekenland in oproer is geraakt en de Trojanen te gronde zijn gegaan; ongetwijfeld een schoonheid, die zich echter te schaamteloos boven alles verheft en haar even verdienstelijke zusters met voeten treedt.

Hier heb ik zin om al diegenen uit te lachen, die menen dat ze niets mankeren alleen omdat ze over dit gereedschap beschikken, terwijl ze toch van alles missen; maar ja, zij hebben horens, dus zij stoten! Geen kunstenaar praalt alleen met zijn tekendriehoek of met zijn waterpas zonder iets van zijn werk te kunnen laten zien. Maar als deze lieden hebben bewezen dat de mens zich kenmerkt door te kunnen lachen, dat de zon in het duister is gehuld of dat de som van de hoeken van een driehoek gelijk is aan twee rechte hoeken, roepen zij hoera! als hadden ze hun zaak heel goed gedaan, en voeren ze vervolgens niets meer uit.

Heel anders gaan de Christianopolitanen te werk, die zich met verschillende vaardigheden uitrusten, deze graag netjes en logisch ordenen en wanneer het nodig is, elk daarvan uit haar vakje te voorschijn halen. Hierin ligt voor hen het nut van de dialectiek, niet in de verleiding alle dingen, laat staan God, er ondergeschikt aan te maken. Hier doen zij een beroep op de scherpzinnigheid van de leerlingen, zodat ze erkennen wat hun aan inzicht gegeven is, en hun oordeelsvermogen aan de dingen zelf beproeven zonder de noodzaak alles in de buitenwereld te zoeken en te beredeneren. Want de mens bergt in zichzelf een gigantische schat aan onderscheidingsvermogen, als hij hem maar wil uitgraven en hem niet liever laat bedelven onder de massa zwaarwichtige leerstellingen. Doch dit is de rede boven alle rede: deemoedig naar God te luisteren, die van elke valse schijn net zo ver verwijderd is als Hij altijd ten nauwste verbonden is met de waarheid. Laten we het ware in de ware beminnen; laten we geen redenering verlangen van Hem die boven alle rede staat.

59. Metafysica

Anderen krijgen hier les in metafysica, de wetenschap die al het stoffelijke achter zich laat en zich verheft tot het oorspronkelijk zijnde en die bij uitstek bij de mens past, die er aanleg voor heeft zich aan het aardse te onttrekken. Hier beschouwen zij het schone, het goede, het ware, het ene, de orde en dergelijke, wat des te meer vrucht oplevert omdat zij daarbij ook over het goddelijk licht beschikken. Waar de filosofen in het duister hebben getast, mogen wij de goddelijke lichtbron raadplegen en tot de bekende God opstijgen, die voor de heidenen de onbekende was.

Het is toch verbazingwekkend dat een mens die zo verre geestelijke zwerftochten onderneemt dat hij de van de dingen gescheiden wezenheden waarneemt, zo smadelijk weer tot zijn lichaam terugkeert en zich daarmee in allerlei onreinheden wentelt; of dat iemand die de ware idee van het goede en mooie naspeurt, zich zo makkelijk door het onware, slechte en misvormde laat inpalmen of bedriegen. Maar hieruit blijkt dat alles als bedrieglijk wordt ervaren, wat de mens buiten zichzelf opzoekt, totdat hij ten slotte wankelend neervalt.

Daarom zal slechts degene die de stoffelijkheid heeft afgelegd en Hem met een zuivere geest tegemoettreedt, zijn vaste plaats vinden bij de ene, ware en goede God. Hier zal hij onbeschrijflijke dingen horen; hij zal schouwen hoe de wereld in haar binnenste middelpunt gegrondvest is, niet onder een wazige of verkleurde, maar onder een kristalheldere hemel. Zo ontdekt hij tot zijn grootste vreugde en de niet geringe verwondering van anderen de eerste lijnen van de kunsten, de eerste tippen van de dingen. Deze echte schoonheid, die velen helemaal niet kennen, wekt bij degene die haar waarneemt, afkeer tegen deze wereld op en laat hem zien hoe weinig het stoffelijke in al zijn lelijkheid en onder de zware wereldse lasten de moeite waard is. Daarom frequenteren de Christianopolitanen aandachtig deze school, om te leren zichzelf los te laten en van het aardse af te zien, waarvoor zij telkens weer ruimschoots gecompenseerd worden door veel edelere dingen.

60. Theosofie

Dezelfde lesruimte dient ook voor nog verhevener bespiegelingen, namelijk de theosofie. Deze erkent geen menselijke uitvindingen of nasporingen, maar heeft alles aan God te danken. Zij begint waar de natuur eindigt. Door de hoogste godheid onderwezen, bewaart zij nauwlettend haar geheimen. Deze studie is maar voor weinig mensen weggelegd, en niet iedereen, zelfs niet iedereen met een toegewijd hart, dient ernaar te streven, want het is aan de enige God of Hij iemand door het licht dan wel door het kruis zijn weldaden wil bewijzen. God openbaart zich voor een moment, doch lang hult Hij zich in zijn binnenste heiligdom; altijd is Hij de beste, maar zelden is Hij zichtbaar. Toch is ons oneindig veel door Hem geopenbaard, waarmee elke ware christen blij mag zijn.

Wat zijn we toch onverstandig dat we Aristoteles, een zwak mens net als wij, boven onszelf stellen, in plaats van dat we de bewonderenswaardige daden Gods aanvaarden, waarbij hij in het niet valt. Het scheppende Woord Gods, de dienst van de engelen, de aura van het vuur, de dichtheid van het water, de druk van de lucht, de verheffing van de aarde, de onbegrensdheid van de mens, de taal van een dier, het stilstaan van de zon, de eindigheid van de wereld zijn dingen die hij niet kon of wilde geloven, terwijl het voor ons zekerheden zijn. 

Als wij naar God luisteren, zijn bij Hem nog veel indrukwekkendere dingen mogelijk dan deze. En waarom zouden we niet naar Hem luisteren, van wie een enkele, ook de kleinste daad het geloof van ons allen verdient en ons overtuigt? En als we één wonder geloven, moeten we in alles geloven, wat Hij ons laat zien; want hoe zouden we onderscheid kunnen maken tussen de werken van zijn almacht?

Daarom is deze school er een van nederigheid en gehoorzaamheid, waar jonge mensen leren voor de woorden Gods te zwichten en ten aanzien van zijn geheimen liever een bescheiden stilte in acht te nemen dan nieuwsgierigheid te tonen. De filosofie mag piekeren, de theosofie is gerust; de filosofie mag tegenwerpingen maken, de theosofie betuigt haar dank; de filosofie mag aarzelen, de theosofie legt zich onbezorgd neer bij de voeten Christi. Gelukkig is de mens die bij de eerste roep van Gods stem opstaat! Nog gelukkiger degene die Hem volgt! Doch het allergelukkigst is degene die nooit omkijkt, maar altijd verdergaat! Maar dit is slechts de wens en het verlangen van een vroom mens; als God zijn toestemming geeft, is het goed; maar als Hij ons soms de vergankelijkheid van het stoffelijke en onze kleinheid wil laten ervaren, dan geschiede de wil des Heren.

61. De derde lesruimte: rekenkunst

De derde lesruimte dankt haar naam aan de rekenkunst, penningmeesteres van alle scherpzinnigheid. Hij die één en drie is, heeft oneindige rijkdommen aan haar toevertrouwd. Als je naar het nut van de rekenkunst voor de mensen kijkt, is er niet één tak van de wetenschappen waarvoor zij niet een belangrijke ondersteunende functie vervult; kijk je naar de waagstukken van het verstand, dan gebeurt het alleen in de rekenkunst dat de mens bijna de strijd aanbindt met de oneindigheid en dieper binnendringt in de geheimen van de getallenreeksen. Ik mag wel zeggen, wie de rekenkunst niet machtig is, weet niets. Daarom tonen de Christianopolitanen de grootste ijver en verering voor deze kunst, waarin zij iedere dag nog iets ontdekken dat ze moeten bewonderen, dat hen stimuleert of dat hun werkzaamheden verlicht.

In de algebra zijn zij niet te evenaren, aangezien deze alle snaren van de mens spant, op een speciale manier met de stoffelijke dingen omgaat en met een ongelooflijke scherpzinnigheid alles ontwart wat in de knoop zit. Maar vooral doet ze de Christianopolitanen eraan denken hoeveel inspanning het kost om de verwardheden van de duivel op te lossen, als menselijke kunsten al zo ingewikkeld kunnen zijn; hoeveel berekeningen ervoor nodig zijn om de raadsels van de wereld op te lossen en hoeveel inspiratie om de verwikkelingen van de stof te ontrafelen, als het al zoveel moeite kost de vooronderstellingen en kenmerken van een kunst te onderzoeken.

Ook diegenen onder hen die helemaal geen hogere ambities hebben, zijn toch van mening dat mensen niet te tolereren zijn, die in dwaze onverschilligheid zichzelf beroven van het gemak en van de diverse voordelen in hun zaken, die de rekenkunst hun biedt. Als zij zouden horen dat er zulke mensen op aarde bestaan en dat die dan toch prat gaan op hun geleerdheid, weet ik niet of ze zich van beledigingen zouden onthouden. Bij hen is het ondenkbaar dat iemand die van de meeste kunsten verstoken is, zich desondanks in ambtstenue mag vertonen. Wanneer ook dit soort mensen voor deze wetenschap zullen warmlopen en haar toepassen op hun werkzaamheden, denk ik dat bij velen de geestdrift niet zal ontbreken en het succes niet zal uitblijven. Ondertussen zullen we hen als goedhartige mensen behandelen, die de kunsten weliswaar niet bevorderen, maar ze ook niet met uiterste haat vervolgen.

62. Meetkunde

Vervolgens wordt hier de meetkunde bestudeerd, de zuster van de rekenkunst, die analoog aan haar datgene in lijnen weergeeft, wat de aritmetica in getallen uitdrukt. Dat maakt haar beter geschikt voor menselijke doeleinden. Bij de dingen voegt zij met haar bewonderenswaardige ijver de meest diepzinnige stellingen en theorema’s. Want de geometrie meet niet alleen wat voor de hand ligt, wat boven en wat onder is, en niet alleen regelmatige figuren, maar ook alle andere vormen, die zij doordringt, verandert, weegt, verplaatst en verheft; en waar mensen zwoegen, dartelt zij heel sierlijk rond. 

Voor wie graag nadenkt, is niets scherpzinniger dan zij; voor wie meer praktisch ingesteld is, niets makkelijker en vlotter. Bij haar is je verstand in goede handen; zij maakt het kwiek en tegen alle situaties opgewassen. Daarom staat zij bij de Christianopolitanen in hoog aanzien, want zij zien dat er geen kunst is, die niet door haar vergemakkelijkt wordt, en dat zij de mens in de beoefening van alle kunsten meer handigheid verleent.

En toch is de meetkunde in de ogen van de dwazen even waardeloos als alle overige wiskunde. Welke straf ze hiervoor ondergaan, is voor iedereen duidelijk: ze moeten zich meer uitsloven in hun werk of de tijdwinst van anderen met lede ogen aanzien. Maar is het vreemd dat de meetkunde verwaarloosd wordt, wanneer de eerzucht, hebzucht, gulzigheid, begeerte en woede van die mensen, maar ook hun domheid en roekeloosheid geen maat kennen noch dulden?

Daarom doen de Christianopolitanen hun best om, wanneer ze een en ander uitmeten, vooral eerst zichzelf te meten en te wegen en vandaar de goddelijke genade naar waarde te schatten. 

Want zoveel helpt het ook niet de omvang van onze stukjes grond te kennen, als we niet beseffen hoe krachteloos ons kleine lichaam, hoe benauwd ons graf en hoe verachtelijk de hele aardbol is. Als we dat doen, komen we gauw terug van onze enorme heethoofdigheid en opgeblazen gevoelens en leren we onszelf gering te schatten, voor een ander verdraagzaam te zijn, God hoog te achten en de dood en de toekomst in gedachten te houden. Dan zullen we liever uit niets iets willen worden dan door een toornige God uit deze kleinheid van ons tot een niets gereduceerd te worden.

63. De geheime getallen

Maar de oudere leerlingen bereiken nog hogere sferen. Want God heeft zijn getallen en maten, en het past de mens die te beschouwen. De opperste bouwmeester heeft dit geweldige bouwwerk waarlijk niet blindelings geschapen, maar in grote wijsheid op basis van maten, getallen en proporties voltooid en daar de tijd aan toegevoegd, die in een bewonderenswaardige harmonie is ingedeeld. Maar vooral heeft Hij zijn geheimen in zijn werkplaatsen en karakteristieke bouwwerken voor ons neergelegd, opdat we met behulp van de Davidische sleutel lengte, breedte en diepte van de godheid blootleggen, de in alle dingen geopenbaarde Messias opmerken, ontdekken hoe Hij alles in een onuitsprekelijke harmonie verbindt en met macht en wijsheid beweegt, en ons verheugen in het aanbidden van de naam van Jezus.

Deze dingen worden echter door geen kunst begrepen, maar berusten op openbaring en worden door de gelovigen aan elkaar meegedeeld. Daarom begeven al diegenen zich in labyrinten, die meetlatten en passers aan de menselijke filosofie ontlenen om het nieuwe Jeruzalem op te meten en de kalender en de heilige tijdrekening daarvan op te maken of het tegen vijanden te beveiligen. Laat het voor ons genoeg zijn dat Christus ons allen al die dingen heeft uitgelegd, die ertoe bijdragen het leven beter en draaglijk te maken; we moeten niet allemaal doordringen tot de lichtbronnen zelf wanneer het licht Christi ons niet voorgaat en ons tot de diepste geheimen ontbiedt.

Door hier te roekeloos mee om te gaan, hebben sommige van de grootste mannen zich laten misleiden. Daar hadden ze des te minder op gerekend omdat zij zelf meenden niet zonder geest te spreken. Men moet met deze kabbalah voorzichtig zijn en gissingen achterwege laten, want we hebben het al moeilijk genoeg met de huidige gebeurtenissen, het verleden is duister voor ons, en de toekomst heeft God alleen aan zichzelf voorbehouden, om ze slechts aan weinig mensen, en met de grootste tussenpauzen, te openbaren. Maar laten we Gods openbare geheimen liefhebben en niet, zoals de massa, alles verwerpen wat boven ons verstand gaat, of goddelijke dingen gelijkstellen met menselijke aangelegenheden; want God is goed in alle dingen, maar in de zijne ook wonderbaarlijk.

64. De vierde lesruimte: muziek

De vierde lesruimte wordt de muziekzaal genoemd, en deze mag men pas betreden nadat men de rekenkunde en de meetkunde doorlopen heeft, gezien de mate waarin muziek steunt op getal en maat. Ook op dit gebied levert de mens weer een bewijs van zijn bijzonderheid, doordat hij drie tonen op oneindig veel verschillende manieren vermenigvuldigt en niet alleen de dieren in hun taal, maar ook de vogels in hun gezang overtreft; hij streeft immers de hemel na, waar een voortdurend gezang te horen is. Het laat zich nooit helemaal becijferen hoe de mens de kleinste dingen gebruikt om er het grootste van te maken. Met maar heel weinig letters spreekt hij tienduizenden woorden; met zo weinig tonen brengt hij oneindig veel harmonieën voort.

Toch heeft de wereld, gedreven door de duivel, zich er niet van laten weerhouden misbruik te maken van dit hemelse genoegen en het aan de zinnelijke geneugten prijs te geven. Het gevolg zijn dwaze dansen, lichtzinnige liederen en goddeloze muzikanten; allemaal dingen die uit deze staat allang zijn verbannen en die nu niet meer te horen zijn. De Christianopolitanen houden van het soort profetische muziek waarbij de geest de toon aangeeft, klinkende zielen instemmen en de hemel weergalmt. Deze muziek is gebaseerd op de vreugde- en klaagzangen, lofprijzingen en smeekbeden die Gods heiligen op muziek hebben gezet; en ze wordt nog dagelijks verrijkt door ingevingen van de Geest. Hier reikt de heilige dichtkunst haar hand, niet de poëterij die altijd de mond vol heeft van Venus en Bacchus.

De zangers worden nauwkeurig gegroepeerd volgens leeftijd en geslacht, zodat zij wanneer ze in het openbaar bij elkaar komen, door het harmonische gezang van allen een innemend lied kunnen laten klinken. Niets laat zich met de verhevenheid van deze muziek vergelijken. Want waar de genade van de Heilige Geest, een kunstige compositie, gevoelvolle woorden en een krachtige weerklank samenkomen, daar zal altijd de grootste aantrekkelijkheid van uitgaan. Met het aangename verbinden de Christianopolitanen het nuttige doordat ze de hoofdpunten van de christelijke leer, voorbeelden van een rechtschapen leven en ook de denkwaardige daden Gods in hun liederen verwerken en ze op deze innemende wijze de mensen in het hart prenten; waarmee ze zich verstandiger tonen dan die wereldse lieden die pas wanneer ze lang genoeg onder de woeste dans van het vlees hun ongepaste en obscene liederen hebben opgedreund, uiteindelijk door de steken des doods en hun berekenend geweten gedwongen, een rouwgezang aanheffen.

65. De muziekinstrumenten

In de wiskundige tentoonstelling hebben ze eveneens een plaats, maar ook hier worden allerlei verschillende soorten muziekinstrumenten gebruikt. Want het valt helemaal niet mee hier iemand te vinden, die daar niet enige vaardigheid in heeft. Iedereen mag het instrument kiezen dat hem of haar bevalt, hetzij de luit, de viool, de harp of een blaasinstrument, of het orgel, dat alle andere omvat en dat het enige instrument is, dat de Christianopolitanen veel meer dan de vele andere als uiterst kostbaar beschouwen.

Waar zij bij de leerlingen gewoonlijk het meest op letten, is dat hun handen precies gehoorzamen; daardoor willen ze hen tot een dienstvaardige houding tegenover de gemeenschap aanzetten, maar vooral bereiken dat ze hun hele lichaam lenig houden om God ermee te dienen. Want dat prenten ze hun steeds maar weer in: dat zij zelf nu eens voor de schepper, dan weer voor hun naaste, zoiets zijn als voor de musicus zijn handen, die hij volgens een innerlijke drang of aanwijzingen van buiten beweegt, verheft of laat zakken.

Dat mogen ook zij zich in de oren knopen, die zich weliswaar aan alle voorschriften en vereisten van hun beroep onderwerpen, maar evenwel hoogst ontstemd raken als iemand hun zegt dat God hen tot zijn instrumenten vormt en hun zogezegd de tabulatuur van de aan Hem verschuldigde dienstbaarheid voorhoudt. Dat is de reden voor het gebrek aan harmonie tussen de verschillende standen, voor het geschreeuw dat bij allerlei handelingen en plechtigheden ontstaat, en voor het feit dat de goddelijke wet niet meer te bespeuren is. Zoiets zal voor God nooit een aangenaam geluid, maar altijd storend zijn. De dienstbaarheid die zulke mensen ten opzichte van de wereld zo makkelijk aan de dag leggen, hoewel dat de hardste inspanningen van hen vergt, zouden ze veeleer ten opzichte van God moeten tonen, die geenszins hard of onvriendelijk is, maar wiens zorg om zijn instrumenten goed te onderhouden, hoe breekbaar die ook mogen zijn, groter is dan de willekeur waarmee de wereld zelfs haar sterkste werktuigen weet te breken en weg te gooien.

66. Het koor

Om naar hun beste vermogen bij te dragen aan de gemeenschappelijke godsdienst, brengen de leerlingen ook plechtige muziek ten uitvoer. Dit gebeurt door middel van het koor, dat een keer per week, afgezien van de feestdagen, door de stad wordt geleid. Hier lopen zij twee aan twee, iedereen die op school zit, hier de jongens, daar de meisjes. In een welgevormde stoet trekken ze door de wandelgangen rond om de stad en zingen ze met hun heldere stem en begeleid door verscheidene instrumenten God een lied. Ze zijn daarbij in verschillende leeftijdsgroepen ingedeeld, zodanig dat de stemmen juist verdeeld zijn en de beter geoefenden de minder geoefenden ondersteunen.

Toen ik er was, werd Psalm 127 gezongen en daarin de zorg voor de stad aan God toevertrouwd. Nooit heb ik mooiere of harmonischer klanken gehoord dan in hun gezang, terwijl ze met langzame schreden onder de gewelfde zuilengangen liepen. Ondertussen heerste er een grote stilte in de stad omdat iedereen vreugde schepte in de godsdienstoefening. Mijn ogen en oren waren verblijd, en ik wenste altijd aanwezig te kunnen zijn bij het heilige psalmgezang. Zij doen dit in navolging van het koor der engelen, van wiens gejuich God zelf getuige is. En omdat ze aan de ondersteuning, bescherming, vermaningen en onderricht door de engelen grote waarde hechten en proberen hen zo dicht mogelijk bij zich te hebben, hopen ze ook, wat niet zo gek is, dat deze in hun wijs zullen instemmen.

Wie zou nu nog niet geloven dat deze reine zielen meer vreugde hebben aan deze gemeenschappelijke, maar geestelijke vrolijkheid dan aan het rumoer van een woelige stad, dat in de wereld heerst? Of wie zou eraan twijfelen dat de Christianopolitanen de in reine vreugde tot God verheven zielen veel meer te bieden hebben dan de wereld de trieste en neerslachtige mensen die geplaagd zijn door de ijdelheid? Daarom zeggen zij, en ik geloofde het meteen, dat zij nooit anders van het koor weggaan dan geestelijk gesterkt, diep onder de indruk van een laat ik maar zeggen goddelijke uitstraling; en dat zij de aanwezigheid van de wakende engelen nooit beter kunnen vernemen dan wanneer hun hart in een volkomen vreugde in God opgaat, als God geprezen, de ziel opgewekt, de zinnelijkheid uitgedoofd, de wereld gemeden en de duivel verjaagd wordt.

Maar wat doet de wereld? Terwijl men de tijd verdrijft, vast slaapt en snurkt, terwijl men de olie verspilt, is de hemelse bruidegom al naar binnen gegaan en heeft de deuren achter zich gesloten.

67. De vijfde lesruimte: astronomie

De vijfde lesruimte is aan de astronomie gewijd, aan wie de mensheid niet minder te danken heeft dan aan welke andere kunst ook. Zij tekent immers met een ongelooflijke zorgvuldigheid de bewegingen en langzame draaiing van de hemelen, de banen van de sterren en al wat met hen gebeurt, en de ligging, indeling en onderscheiding van de sterrenbeelden voor ons op, evenals het aantal en de grootte van de zichtbare sterren en hun onderlinge verhoudingen. Zij verschaft ons al bijna toegang tot de hemel zelf en maakt ons deze hier op aarde als het ware schatplichtig. Daarom is deze wetenschap het zeker waard dat de koningen van de wereld haar beoefenen, want het lijkt of zij de hemel heeft bedwongen.

De Christianopolitanen hechten aan de bestudering van de astronomie grote waarde, en ze zijn ook niet bang door de beweging van de aarde weggeslingerd of door vreemde sterrenbewoners verdreven te worden. Zij hebben genoeg aan de eer die Christus de aarde heeft bewezen toen Hij haar bewoonde, door zijn lichaam aan haar verwant; om de overigen zal God zich bekommeren.

Maar laten we nu eens hen onder de loep nemen, die de hemel met niet méér verstand bekijken dan een schaap, voor wie de zon evengoed in het westen zou kunnen opgaan, en die zonder hun kalender geen notie van tijd hebben. Voor de trotsen onder hen zou het uitermate grievend moeten zijn niets te willen weten van wat de heilige aartsvaderen met de grootste toewijding hebben onderzocht; de kruipers onder hen valt te verwijten dat ze hun gelaat, dat de mens gegeven is om opgeheven te dragen, naar de aarde buigen. Aan elke verontschuldiging die de mens van zijn menselijkheid en, als men dit mag toevoegen, van zijn goddelijkheid berooft, kleeft een smet.

Zeker zou de mens zonder God als voorganger nooit op eigen benen tot die hogere sferen zijn opgestegen en zou hij in plaats van deze wetmatigheden de grootste chaos hebben waargenomen. Daarom hebben juist de edelste geesten een neiging voor de astronomie; de onbenulligen en uit de stof geborenen zijn tevreden wanneer ze eikels en peulvruchten kunnen eten.

68. Astrologie

In ditzelfde vertrek wordt ook astrologie onderwezen, die om vele redenen wordt gewaardeerd. Want wat de aarde aan de hemel te danken heeft, en wat de hemel aan de aarde heeft mede te delen, dat komen zij te weten, die het allebei tot zich door laten dringen. De schepper heeft in zijn grote wijsheid zijn immens werk zodanig in elkaar gevoegd, dat het in alle details aan zijn eigen regels gehoorzaamt. Daarom heeft men de met de sterren verbonden wetmatigheden kunnen optekenen, waarbij echter de bewondering voor de menselijke weetgierigheid groter is dan de zekerheid. Ervaring leidt tot geloof, rede tot twijfel; en daar tussenin bekent de aarde aan de hemel onderworpen te zijn. Zo eenduidig de invloeden van zon en maan zijn, zoveel onenigheid is er onder de beoefenaars van deze kunst ten aanzien van de overige hemellichamen.

Ik kon uit de debatten die de Christianopolitanen hierover met me voerden, niet uitmaken welk standpunt zij precies innemen. Zeker is dat volgens hen de ziel, al is die opgesloten in de gevangenis van het lichaam, aan niemand ondergeschikt is behalve aan God en alleen aan God. Ze beschouwen het als een bedrieglijke veronderstelling dat de ziel afhankelijk zou zijn van het moment dat het leven begint, of van het ogenblik van de geboorte, of dat ze zou moeten accepteren dat dat moment beslissend is voor leven of dood. 

Daarom streven de Christianopolitanen ernaar de sterren meester te worden en, mochten zij onder hun juk gebukt gaan, dit met behulp van hun geloof van zich af te schudden. Daarom kennen zij een nieuwe hemel, andere sterren, andere bewegingen, waar Christus de oorsprong van alle beweging is. Dankzij Hem overwinnen zij alles wat schadelijk of hinderlijk is, alle zwakte en onwetendheid. De gunstigste horoscoop is voor hen opgenomen te worden onder Gods kinderen, wier Vader nauwelijks iets verzwijgt wanneer men Hem in het gebed om raad vraagt, nauwelijks iets weigert wanneer men Hem smeekt – zo verre is het van Hem zijn kinderen aan de loop der sterren prijs te geven. Dit weet de vreemdeling in de wereld, die in Gods schaduw geen onweer van de hemel vreest. Wie meer weet, die mag het voor zichzelf weten.

Maar we verontschuldigen hiermee niet de domheid van degenen die, omdat het schijnt dat we alles met voeten kunnen treden, ook de hemel op de grofste wijze schenden; mensen die volgens de kalender nu dienstbaar, dan weerbarstig zijn, vandaag verrukt, morgen spottend, nooit redelijk en altijd onbeschaafd. Want wie de bruikbaarheid van de astrologie voor de bezigheden van de mens niet kent of schaamteloos loochent, die zou ik graag zijn leven lang zonder de hulp van de hemel de grond zien spitten, bebouwen en bewerken.

96. De bejaarden

Voor de bejaarden van beiderlei kunne hebben de Christianopolitanen grote waardering; daarom zorgen zij ervoor dat ze door niets last ondervinden, want de ouderdom met zijn gebreken is op zich al een ziekte. Er zijn dus mensen die hen verzorgen, opmonteren, eer betonen en om raad vragen. Want nu de krachten van ziel en lichaam hen in de steek laten, moeten zij voortdurend ondersteund worden; omdat ze aan het verdriet over het menselijk leven en aan de herinnering aan zoveel tegenslagen en ook hun eigen fouten lijden, moet hun kommer door jeugdige opgewektheid worden verzacht; aangezien ze zich nog op gevorderde leeftijd de grootste inspanningen hebben getroost, zich jegens de gemeenschap verdienstelijk hebben gemaakt en tot het einde toe hun trouw en inzet hebben laten blijken, is geen eerbetoon voldoende om hun de verdiende dankbaarheid te bewijzen; omdat ze zich ten slotte de principes van het menselijk leven niet in de vorm van een spitsvondige theorie, maar als resultaat van een weerbarstige praktijk en hun ervaring van de aardse verwikkelingen eigen hebben gemaakt, kan geen gedachte zo scherpzinnig en bevleugeld worden geformuleerd dat ze niet, tegen de toetssteen van de ouderdom gewreven, veel van haar veronderstellingen zou inboeten zodat men haar beter aan het feit van de vergankelijkheid zou moeten aanpassen.

Als de jongeren zouden weten hoeveel vergissingen, zweet, schaamte, gevaren en klappen deze waarheden de ouderen zonder twijfel hebben gekost, ervaringen die zij nu allemaal in zich begraven hebben en in een enkele ‘wees op je hoede’ samenvatten, zouden ze nooit zo onbezonnen zijn over de raadgevingen van de ouderen te lachen en hun eigen meningen te bewonderen. Verder hebben de ouderen al een groot aantal bekenden tot hun rust vooruitgezonden, ze hebben gezien hoe uiteindelijk de goeden zegevieren, de meeste kwaden ondergaan, ze hebben opgemerkt hoe de heerschappij Gods en het scheepje van de Kerk tegen de spot en de stormen van de duivel in hun weg vervolgen en zich er moeizaam aan ontworstelen, en ze hebben meegemaakt hoe een goede levenswandel en plichtsbesef hun vruchten afwerpen. 

En zo is ook dit een bijdrage van hen, dat ze zich derhalve nu graag in het einde van hun leven schikken, iedereen het vriendelijke en makkelijke wezen van de dood aannemelijk maken en allen in hun vertrouwdheid met de dood voorgaan. Want aangezien al onze studie en alle wijsheid niets anders is dan een voorbereiding op de dood, spreekt het voor zich dat degenen die de meeste tijd hieraan hebben besteed, van alle stervelingen het best met de dood bekend zijn.

97. De vreemdelingen en de armen

Tegenover nieuwelingen en vreemdelingen betrachten zij de grootste vriendelijkheid en vrijgevigheid, waarvan ik, een mens van de laagste stand, een duidelijk bewijs ben. Maar ze letten wel op dat de burgers niet door de onbeschaamdheid van gasten aan een verderfelijke invloed worden blootgesteld. Het liederlijke gedrag in de kroegen elders is bij hen ongehoord en ongekend; als zij ervan zouden weten, zouden ze het verwensen.

Een gast nemen ze enkele dagen in soberheid op, een banneling onderhouden ze een tijdlang, een zieke verzorgen ze met grote welwillendheid. Een arme ondersteunen ze zover nodig en laten hem niet gaan zonder een fooi; toch onderzoeken ze iedereen nauwkeurig naar woorden en daden en behandelen de mensen overeenkomstig. Zij kennen en dulden ook geen bedelaars, want zij zien het zo: als iemand inderdaad gebrek heeft, moet het niet nodig zijn de gemeenschap aan haar plicht te herinneren. Noch het één noch het ander komt bij hen voor; want als iemand lichamelijk bij krachten is, mag hij de gemeenschap zijn arbeid nooit weigeren, en dan is hij ook van zijn levensonderhoud verzekerd.

Toch worden elders in beide opzichten fouten gemaakt. Want degenen die zich de grootste inspanningen getroosten, moeten niet zelden honger lijden, en nadat ze onder de werkdruk zijn bezweken, worden ze in de steek gelaten en opgegeven. Aan de andere kant worden lieden die hun goddelijke gaven op een schandalige wijze laten verkommeren en in de zwakheid van hun vlees zich aan elke inspanning onttrekken, doorgaans uit de openbare kas onderhouden. Het mag niet zo zijn dat het brood van de kinderen wordt weggenomen en voor de honden wordt gegooid.

Dit hebben we nu helemaal te danken aan de principes van de wereld, want daar dient de rijkdom meestal de gewetenloosheid en de uitspatting; zelden, en dan op de meest corrupte manier, worden ermee de leden van Christus ondersteund. Het is logisch dat zulk geld aan bedriegers, landlopers, marktschreeuwers, muzikanten en goochelaars wordt besteed, want daaruit blijkt dat Christus een hekel heeft aan geld dat op zulk een kwalijke manier is verworven en in de handen van een zondige bezitter is geraakt.

Ondertussen lijdt Christus, die de zijnen onderhoudt en zelfs in hun armoede verzadigt, geen gebrek; maar ook aan mensen ontbreekt het niet, die hun kleren hebben uitgetrokken en deze neerwerpen en voor Christus op de weg spreiden. Ik in ieder geval heb de wereld altijd als hebzuchtig, als uiterst vrekkig en gierig ervaren, maar bij de Christianopolitanen heb ik geleerd dat er nog mensen zijn, die blij zijn omwille van Christus en in naam van Christus alles te delen.

98. De zieken

Zoals er verschillende soorten ziektes zijn, zo dienen we ook onze broederlijke liefde op velerlei manieren tot uitdrukking te brengen. Dit is een grondregel van de Christianopolitanen, die geleerd hebben aan ziel, geest en lichaam van een zieke zorg en troost te bieden. Hiervoor doen ze allemaal hun best, zodat ze zowel zichzelf, wanneer het nodig is, als ook anderen kunnen helpen. Geneeskunst, chirurgie en dieet zijn in gelijke mate ervoor bestemd een zieke te helpen, en hier heeft men de beschikking over alle drie.

Hier put de hoger geplaatste de apotheek niet uit, noch wordt de mindere gekweld omdat er voor hem geen leniging zou zijn; er is geen gedrang van artsen rond het bed van de rijken noch eenzaamheid rond de geringeren – terwijl in de wereld in het algemeen meer rijken dan armen door artsenhand hun einde vinden. De vrouwen en weduwen hebben het meeste talent voor de ziekenverzorging en de grootste handigheid erin, en zo wordt hun deze taak met veel respect door de gemeenschap toevertrouwt. Ze hebben ook speciale ruimtes die voor de verzorging van zieken zijn bestemd.

Maar voordat ze van andere geneesmiddelen gebruik maken, plegen zij de zieken eerst moed in te spreken en hun in herinnering te roepen hoe sterk ze vroeger waren, opdat ze hun christelijke dapperheid niet opgeven. Vervolgens sporen ze hen aan hun gebruikelijke zelfbeheersing in acht te nemen, opdat ze zich niet te veel aan hun rumoerig lichaam overgeven. Pas daarna drukken ze hun op het hart zich aan de geneeskunst te onderwerpen, opdat ze zich niet door het onaangename van de behandeling laten afschrikken.

Met deze drie stappen wordt waarlijk het kruis Christi ontvangen, opgelegd en gedragen. Het is wonderlijk om te zeggen: wanneer de pest woedt, slaan zij vooral niet op de vlucht, maar wachten ze Gods leiding af. Want wie erin gelooft dat God zijn wil beperkingen oplegt, zal er nooit over peinzen op welke wijze hij zou kunnen vluchten of zich onttrekken.

Mensen met een ontwrichte of gestoorde geest dulden zij in hun midden wanneer ze nog draaglijk zijn; indien dat niet meer mogelijk is, houden ze hen vriendelijk in verzekerde bewaring. Hetzelfde gebeurt met lichamelijk zwaar gehandicapten, want de redelijkheid eist dat de maatschappij degenen tegen wie de natuur minder gunstig is geweest, des te vriendelijker behandelt. Tenslotte heeft ook God aan ons niet de mensen die Hij gewild heeft, maar die wij nu eenmaal zijn, en toch verdraagt Hij ons met oneindige vriendelijkheid en ruimhartigheid.

99. De dood

Wie zou kunnen beweren dat de Christianopolitanen, die zo goed leven, slecht zouden sterven? Ja, wie wilde eraan twijfelen dat zij, die toch voortdurend sterven, eens zullen leven? Dit is de enige gemeenschap die de dood niet kent, en toch is men er helemaal mee vertrouwd. Wanneer zij zich gereedmaken voor de slaap – zo noemen zij de dood – streven zij naar een grote tegenwoordigheid van geest. Ze leggen getuigenis af van hun verbondenheid met God en beroepen zich op Christus als onderpand van hun geloof. Ze betuigen hun liefde voor hun vaderland, die ze met een innig gebed bezegelen; het overige laten ze aan God over. Een testament hebben zij niet nodig; als ze echter wensen dat nog iets gebeurt, dragen ze dat aan hun vrienden op.

Wanneer zij met de dood worstelen, worden openbare gebeden gehouden voor de overwinning van de christelijke strijder. Als ze zich beangstigd voelen, worden ze door getuigen en exegeten van de goddelijke waarheid bijgestaan, die bevestigen dat God alle christenen welgezind is. In geval van lichamelijke kwellingen stelt men hun de toekomstige vertroosting, gezondheid en voortdurende heerlijkheid in het vooruitzicht. Hoe moet ik dit nog verder uitleggen? Iedereen krijgt wat hij nodig heeft.

Wanneer iemand sterft, zijn er gewoonlijk velen aanwezig om de ontknoping van een menselijk en christelijk leven mee te maken. Want wat wij door geen voorschriften bereiken, wordt door een enkel voorbeeld teweeggebracht, hoewel zij in hun nederigheid en gelijkheid weinig hebben dat de dood hun kan nemen. Voor ons daarentegen is het lijf zelf nog te veel, waaruit we ons niet zonder beven laten verdrijven en dat we grimmig achterlaten.

Voor de overledenen bidden zij van ganser harte dat God, die ze dadelijk tegenover zullen staan, hun genadig moge zijn, en in plaats van nutteloze weeklachten bevelen ze Hem het zieltje aan met een hiertoe geschikt lied. Uiteindelijk bidden ze dat zij zelf, wanneer het God bevalt, met een berouwvol, trouw en in Jezus Christus gegrondvest hart gelukkig mogen inslapen.

100. De begrafenis

Het ontzielde lichaam kleden zij in een witte lijkwade, en de dag na het overlijden dragen ze het met ontbloot gezicht en onder talrijke begeleiding naar buiten. De jongeren spelen voor de dode wijzen van Prudentius en andere geestelijke liederen. Dan volgen de verwanten, in de regel met een kalme gezichtsuitdrukking, in hun normale kleding. Want ze zeggen dat men een christen met zijn dood geluk moet wensen in plaats van te rouwen; al die lijkstaatsie heeft volgens hen geen ander effect dan ons te ontmoedigen.

Wanneer de dode in het graf is gelegd en met moeder aarde is bedekt, luisteren zij naar Gods Woord, dat hun moed geeft voor de dood en lering voor het leven. Over de overledene wordt hier bijna niets verteld, daar het immers volgens hen nauwelijks mogelijk is dit onbevooroordeeld te doen. God weet wat voor een mens een ieder is geweest, en latere generaties spreken erover. Dat is voorzichtiger dan een gekochte of afgedwongen, in elk geval verzonnen lofrede. De roem van voortreffelijke mensen wordt in de annalen vastgehouden en spreekt ook alom voor zichzelf, terwijl een lijkrede bij ons een verdacht tintje heeft, omdat er al te veel helden zijn.

Het kerkhof is buitengewoon ruim en mooi; maar het ligt buiten de stad, want die is, menen zij, aan de levenden voorbehouden. Een met veel artistiek talent uitgevoerde muurschildering rond om het kerkhof toont een reidans van de dood, die alle soorten stoffelijke wezens naar het graf leidt. Niemand heeft een grafheuvel, er is slechts een ijzeren kruis waarin de naam van de overledene is gegraveerd; aan de hand hiervan tellen de nakomelingen hun voorouders. Wanneer het te verroest is, wordt het verwijderd en de naam in het dodenregister bijgeschreven, waar hij makkelijker te vinden is.

Dat dit bij hen iets onbekommerder gebeurt dan elders, is niet verwonderlijk, aangezien zij dit leven van bijzonder weinig waarde achten en naar het andere verlangen. Daarom moeten we deze en andere gebruiken van hen die van de onze verschillen, niet als ongerijmd beschouwen. Want het staat toch zeker vast dat iedereen die het verlangen heeft het eeuwige leven te verkrijgen, weliswaar net als wij dient te geloven, maar volstrekt anders zou moeten leven.

[Slotwoord]

Dit zijn volgens mij de dingen, christelijke lezer, die ik in deze gelukzalige stad Gods gezien en gehoord en, zoals ik openhartig beken, geleerd heb. Hierbij betreur ik het vooral dat mijn geheugen niet toereikend is geweest om zulke verscheidenheid van dingen vast te houden, en dat ik ook niet de welsprekendheid bezit om dat wat ik wel heb onthouden, adequaat weer te geven. Hieruit blijkt direct dat ik nooit geschiedschrijver ben geweest.

Nu zou ik wel eens over de stijl van hen willen beschikken, die meer vertellen dan ze hebben gezien; want ik moet bekennen dat ik niet eens in staat ben alles weer te geven wat ik heb meegemaakt. Als ik soms de denkwijze van de Christianopolitanen en de principes van hun instellingen niet goed heb begrepen, is dat aan mijn eigen onkunde te wijten en moet ik mijn lezers op het hart drukken niet hun, maar mij de schuld daarvan te geven.

Het is mogelijk, en ik vrees dat het inderdaad zo is, dat ik minder belangrijke dingen te veel gewicht heb toegemeten, belangrijkere dingen heb verwaarloosd, dat ik dingen in een verkeerde volgorde heb verteld, dat ik door mijn verwondering erover in verwarring ben geraakt, en ook heb ik nauwelijks toegang gehad tot het middelpunt van hun regering. Wat verlangt u anders van me? Ik ben jong en begrijp de geheimen van een staat nog niet, maar kijk alleen op tegen uiterlijke fraaiheid. Mocht het me eenmaal vergund zijn hier dieper binnen te dringen, zal het me aan oprechtheid niet ontbreken om anderen daarvan te onderrichten.

Nu rest ons nog het verhaal van mijn vertrek. Moge God het niet toelaten dat ik me ooit van deze gemeenschap laat scheiden! Maar goed, toen ik alles bezichtigd had, werd ik weer naar de kanselier geleid om hem uit de doeken te doen hoe ik nu tegenover zijn burgers gezind was.

“Heeft u nu gezien, waarde gast,” zo vroeg hij mij, “hoe en waar we leven? Zoals alle menselijke dingen onvolmaakt zijn, zo hebben ook wij u niets kunnen tonen, dat niet aan ons noodlot onderhevig is. Toch hebben we, naar we hopen, de lasten van onze sterfelijkheid verlicht, zoals we u hebben laten zien. Zo lijkt het ons goed, niet omdat onze levensstijl volkomener zou zijn dan alle andere, maar misschien makkelijker; bezwaren die hier nog aan kleven, worden ondervangen door het onvermoeide werk van het bestuur. Als het doel van ons leven erin bestaat God te eren en onze broeders lief te hebben, zullen menselijke bagatellen niet belangrijk genoeg zijn om een christen bang te maken en te vermoeien. Als u naar uw mensen teruggaat, zult u dat wel allemaal zeer vriendelijk en bescheiden uitleggen. We streven niet naar lof, van afgunst smeken we gespaard te blijven, en als dat niet helpt, dan zullen we ze verdragen. Wij zorgen voor onze hutten, laten zij voor hun paleizen zorgen. Als ze helemaal in woede ontsteken, zullen we bidden dat de zee hen niet tot ons overbrengt. We eren dezelfde God, we bekennen ons tot dezelfde godsdienst; als onze gebruiken anders zijn, mag men ons dit niet kwalijk nemen; tenslotte wonen wij onder een andere hemel. Wij dringen onze gewoontes beslist ook niet aan anderen op, noch zijn we erop uit alles te vuur en te zwaard te verdedigen. Laat goede mensen over ons oordelen, ons onderwijzen en bekritiseren; ze zullen zien dat we even leergierig als geduldig zijn. In het geval zij al hun inrichtingen kunnen rechtvaardigen, zullen wij de onze laken en naar verbetering verlangen. Ondertussen moeten zij maar geduld hebben met de zonderlinge gebruiken van een enkel, minuscuul eiland. Maar u vragen we een van de onzen te zijn, zij het hier of elders.”

Ik kon mijn tranen niet inhouden toen ik zijn vriendelijkheid met de stijfheid van anderen vergeleek, en zei met bevende stem: “Ik zal de uwe zijn, wat de mijnen ook van me zullen zeggen; dit lichaam van mij wijd ik aan u, aangezien ik niets anders kan doen om mijn ziel nog vrijer te maken. Toch zij het me vergund naar de mijnen terug te keren en eervol ontslag te vragen, opdat ze niet zullen zeggen dat ik ben weggelopen.”

Toen lachte de kanselier, en hij zei: “O, hoezeer laat u zich toch leiden door het verleden en bent u bang voor de toekomst! Doch ga heen, waarde gast, waarheen u maar wilt, vergelijk onze samenleving met andere, betere en vertel ons van de dingen die u overal voordelig en goed lijken. Want we willen niet boven anderen geplaatst, maar met hen vergeleken worden. De grootste weldaad zal hij ons bewijzen, die ons dichter bij het rijk der hemelen brengt en ons verder van de aarde verwijdert. Want we verlangen al lang naar een woonplaats die onder de hemel ligt en tegelijkertijd boven het allegaartje van deze bekende wereld.”

En ik antwoordde: “Of alles bedriegt me, of het zal bij u zijn, waar ik tot rust kan komen. Als de aarde nog iets beters heeft, ben ik het wellicht niet waard van dat betere te genieten. Op deze gemeenschap van u richt ik mijn inspanningen, genegenheid, verlangens en gebed; u geef ik de leiding over mij, u die geleerd heeft over anderen te heersen; op uw wenk zal ik eten, drinken, slapen, waken, spreken, zwijgen; met u zal ik God aanbidden en vereren. Nu wil ik nog één ding vragen: mag ik ook mijn vrienden laten overkomen, rechtschapen mensen, die ik verspreid over alle windstreken van de aarde bezit?”

“Jazeker”, antwoordde de kanselier, “want we wonen niet zo nauw dat we niet aan een hele galei van goede mensen onderdak zouden kunnen verschaffen.”

Terwijl hij dit zei, sloeg het twaalf uur in de middag en was de lieflijke melodie van de kleinere klokken te horen, de oproep tot de gebruikelijke gebeden. Daarom beval hij me afscheid te nemen, in de Heer te gaan en ongedeerd onder Gods leiding met zoveel mogelijk kameraden terug te keren.

En toen hij me tot onderpand van de liefde Christi de rechterhand uitstrekte, zei hij: “Pas op, broeder, dat u uzelf niet weer aan de wereld overgeeft en van ons vervreemd raakt.” Toen zei ik, iets vastberadener: “Waar u naartoe gaat, zal ik ook naartoe gaan; we zullen bij hetzelfde volk horen, we zullen dezelfde God aanbidden; waar u sterft, wil ik ook sterven en er begraven wor- den; de Heer zij me genadig, opdat alleen de dood me van u weg mag rukken!” Daarop ontving ik zijn zegen met de kus van de vrede en ging ik weg.

Nu wandel ik al weer in uw midden, in de hoop dat als deze samenleving, deze godsdienst, de levenswandel van de mensen en hun geestelijke ontwikkeling uw bijval vinden, alle goeden die er onder u zijn, me eerdaags onder leiding van de goede God erheen zullen vergezellen. Wees gegroet en vaarwel in Christus.

Einde

BESTEL REIS NAAR CHRISTIANOPOLIS

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *