De wijsheid van het grondeloze Tao – voorwoord, opening, sluiting en inhoud uit de symposionbundel

BESTEL DE WIJSHEID VAN HET GRONDELOZE TAO

Woord vooraf

Iedereen die ooit op weg is gegaan om zijn innerlijk te leren kennen, herkent op zeker moment wel het gevoel dat hij iets mist – waarvan hij toch weet dat het er zijn moet. Dat ‘iets’, zonder naam, is groter dan zijn vraag, groter dan zijn zoektocht. Het was er al, lang voordat hij aan zijn reis van de duizend mijl begon; het zal er zijn, lang nadat hij totaal is opgenomen, in ‘dat wat zonder naam is’. 

Lao Zi noemde dat iets Tao, of ‘Het’. ‘Hoe vaag is het,’ schrijft hij. ‘En toch, in het midden is het spirituele wezen. Reëel zijnde, bevat het de onfeilbare getuigenis.’ Hoe kunnen we ons daarop afstemmen? Wat is het wel, wat is het niet? Wat zal er dan veranderen? Die vragen, daar ging het om, op het vierde symposion in een reeks van zeven over de bronnen van grote wijsheidstromingen. Deze zeven bijeenkomsten worden door de Stichting Rozenkruis in samenwerking met het Lectorium Rosicrucianum steeds gehouden op het op het conferentieoord Renova in Bilthoven. ‘De wijsheid van het grondeloze Tao’ vond onder grote belangstelling plaats op zaterdag 1 juni 2013. Drs. Dianne Sommers (docent, auteur, acupuncturist en fysiotherapeut) besprak de Chinese fascinatie voor de geest op basis van het door haar vertaalde boek Nei Ye.
Prof. dr. Dan K.J. Vercammen (docent, onderzoeker en auteur bij het Taoist Alchemical Studies Center in Antwerpen) vertelde over de kruisbestuiving tussen de traditionele Chinese geneestradities en de taoïstische alchemie.
Elly Nooyen, auteur van het boek Hart voor Tao ging in op negen hoofdthema’s uit de Daodejing.
Frans Baggen belichtte de samenhang tussen Tao en zen.
De verbindende teksten zijn van Yolanda Eikema. In de bundel worden de termen ‘Tao’ en ‘Dao’ door elkaar heen gebruikt, al naar gelang de voorkeur van de auteurs.

De symposiongroep, Peter Huijs

De wijsheid van het grondeloze Tao, Opening door Yolanda Eikema

Kon Dao gezegd worden,
het zou de eeuwige Dao niet zijn.
Kon de naam genoemd worden,
het zou de eeuwige naam niet zijn.

Deze woorden uit het eerste hoofdstuk van de Daodejing van Lao Zi zijn bepaald geen aansporing voor het houden van een symposion, maar laten we de grote meester verder het woord voeren. Lao Zi vervolgt het eerste hoofdstuk met de woorden:

Als niet-zijn kan het (Dao) worden aangeduid
als de grond der alopenbaring.
Als zijn is het de moeder aller dingen.
Daarom, als het hart voordurend niet-is,
dat is: vrij van alle aardse gerichtheid en begeerten –
kan men het mysterie aanschouwen van Dao’s spirituele essence.

Als het hart voortdurend is,
vol van begeerten en aardse gerichtheid –
kan kan men alleen begrensde, eindige vormen zien.
Beide, zijn en niet-zijn, komen uit dezelfde bron voort,
doch zij hebben verschillende werkingen en doeleinden.
Beide zijn vol van mysterie
en dit mysterie is de poort des levens.

In dit vervolg laat Lao Zi als het ware weten dat Dao, hoewel het niet gezegd kan worden, het niet materieel kan worden voorgesteld of overgedragen, wel aanwezig is. Het is zowel in de wereld van het zijn, de wereld van de tienduizend dingen, het zijnde in de vorm, als in de wereld van het niet-zijn, de niet in de stof geopenbaarde werkelijkheid, het zijnde zonder vorm. Dao wordt door de Chinese auteur voorgesteld als kosmische draaggolf van de alopenbaring en als moeder aller dingen. Hij stelt dat het van de kwaliteit van ons hart afhangt of we dit mysterie, dat aanwezig is in het zijn en het niet-zijn, ervaren.

Dit geeft perspectief. Er is dus een brug, een verbinding met Dao. Het kan gekend en ervaren worden. Vandaag willen de sprekers deze brug, de verbinding met Dao, samen met u verkennen. U bent vandaag te gast op Renova, één van de conferentieoorden van het Lectorium Rosicrucianum. Voor het Lectorium Rosicrucianum staat de wijsheidsleer van het Rozenkruis centraal. Waarom houdt de Stichting Rozenkruis hier een symposion over een oude Chinese wijsheidsleer?

Binnen de Stichting Rozenkruis erkennen we dat de mens in essentie een spiritueel wezen is, dat zich op dit moment openbaart in een tijdruimtelijke werkelijkheid. Krachtens haar spirituele essentie is de materiële wereld voor de mens echter geen bestemming. Door alle tijden heen is er sprake van de manifestatie van de spirituele essentie die zich – aangepast aan de cultuur – openbaart. In alle grote cultuurperioden heeft deze impuls tot geestelijk ontwaken een eigen kleur en naam gekregen. 

In het boek De Chinese Gnosis spreekt Jan van Rijckenborgh de verwachting uit dat in onze tijd oost en west, noord en zuid, elkaar zullen gaan ontmoeten in een nieuw spiritueel ontwaken. Wanneer de spirituele essentie in een mens gaat spreken en hij eruit gaat leven, overstijgt deze mens al zijn beperkingen. Hij komt vrij van alle banden die hem eerder hebben omkneld, zoals die van familie, ras en ideologie. Zo iemand is werkelijk een wereldburger geworden, een universele mens, omdat hij uit universele waarden leeft en is. 

De nieuw-ontwaakte mens is vrij van conditionering en herkent gelijkgestemden aan hun uitstraling en de innerlijke taal die zij spreken. In deze context is het vermogen om over de grenzen van de eigen conditionering heen te kijken en de universele waarden in andere wijsheidsleren te herkennen van bevrijdende betekenis.

Daarom besteden we vandaag aandacht aan Dao, het vierde symposion in een reeks van zeven symposia die zijn gewijd aan zeven grote wijsheidsimpulsen die de wereld heeft gekend. Het daoïsme is voor ons westerlingen wonderlijk, vreemd en intrigerend. Het onttrekt zich aan ons (westerse) begripsvermogen, het analytische, logische denken. Velen worden getroffen juist door die totaal andere benadering en biedt het een nieuw perspectief nu het westerse, personalistische godsbeeld voor hen in duigen is gevallen.

Binnen het daoïsme worden we geconfronteerd met het begrip Dao. In onze westerse terminologie is daar moeilijk een equivalent voor te vinden. Misschien moeten we dat ook maar niet proberen en Lao Zi zelf aan het woord laten. Deze noemde Dao in hoofdstuk 14 van zijn werk, in een vertaling van Henri Borel een ‘het’:

Kijk naar Dao en ge ziet het niet;
men noemt het kleurloos.
Luister naar Dao en ge hoort het niet;
men noemt het geluidloos.
Tast naar Dao en ge raakt het niet aan;
men noemt het onstoffelijk.
Woorden ontbreken om deze drievoudige onbepaaldheid te kenschetsen.
Daarom smelten ze samen tot één.
Dao’s boven is niet in het licht,
zijn onder is niet in het duister.
Dao is eeuwig en kan niet met een naam genoemd worden;
Het keert immer terug tot het niet-zijn.
Ge nadert Dao en ge ziet niet zijn begin.
Ge volgt het en ge ziet niet zijn einde.
Ge moet het Dao van de oudheid doorgronden
om over het bestaan van het heden te kunnen regeren.
Wie het begin weet van het oorspronkelijke,
heeft de draad van Dao in handen.

Wie het begin weet van het oorspronkelijke, heeft de draad van Dao in handen. Wat is dat, ‘het begin van het oorspronkelijke’, waar ligt het? Dat is de cruciale vraag, waarnaar we deze dag op zoek zijn: naar de innerlijke weg die ons met Dao verbindt. Op basis van het daoïstische geschrift de Nei Ye, dat waarschijnlijk is ontstaan tussen de vijfde en de derde eeuw vóór Christus en dat door haar is vertaald, spreekt Dianne Sommers over ‘Dao als bron van het innerlijke werk’.

Slotwoord door Yolanda Eikema

In de eerste voordracht door Dianne Sommers schetste zij dat er een weg bestaat naar vrede en harmonie, de Dao, en dat deze innerlijke weg zijn aanvang kent in het hart van de mens. In de tweede lezing door Dan Vercammen is ons een perspectief geboden op het alchemisch proces dat de geboorte van de authentieke mens volvoert. In de derde lezing gaat Elly Nooyen in op de levenshouding die het mogelijk maakt om in Dao te kunnen zijn en blijven.

In een klein verhaaltje van Zhuang Zi in een bewerking van Erich en Leo Kaniok, uit Het Geluk van Tao:

Niets doen
Ik volg de loop van het water…
Ik zit stil,
Doe niets.
De lente komt
En het gras groeit vanzelf.

Op een dag maakte de wijsgeer Confucius en zijn volgelingen een wandeling langs een waterval die van honderdvijftig meter hoogte naar beneden stortte. Het schuim dreef over een afstand van zestig kilometer voort. Geen schildpad, vis of krokodil kon zich in de kolkende massa handhaven.

Toen zag het gezelschap tot hun verbijstering een oude man rondzwemmen in het kolkende water. Het kon niet anders of hij verkeerde in doodsnood.

De wijsgeer stuurde zijn volgelingen erop af om hem te redden. Toen ze dichterbij kwamen, liep de man echter alweer zingend op de kant. Zijn haar hing los en hij genoot van de prachtige omgeving.

Confucius sprak hem aan en zei: ‘Ik zag u voor een geest aan, maar nu zie ik dat u een mens bent. Mag ik vragen: hebt u soms een bijzondere truc om door dit woeste water te gaan?’

De man antwoordde: ‘Nee, een bijzondere kunstgreep heb ik niet, maar op jeugdige leeftijd begon ik al te leren door dit water te gaan en toen ik opgroeide, werd het mijn tweede natuur. Nu is de goede afloop zo zeker als het lot. Ik stap erin en ga met het water omlaag tot aan het middelpunt van de draaikolk. Ik kom weer boven als het water de andere kant uit draait. Ik volg de loop van het water en doe niets uit mijzelf om ertegenin te gaan. Dat is de manier waarop ik erdoorheen kom.’

Inhoud

  • Woord vooraf, Peter Huijs
  • Opening: Yolanda Eikema
  • Dao als bron voor innerlijk werk, Dianne Sommers
  • De zoektocht naar authenticiteit – Chinese innerlijke alchemie, Dan Vercammen
  • Hart voor Tao, Elly Nooyen
  • Tao en zen, Frans Baggen
  • Sluiting: Yolanda Eikema

Bron: De wijsheid van het grondeloze Tao, symposionreeks 30

BESTEL DE WIJSHEID VAN HET GRONDELOZE TAO

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *