44 Gnosis nu! Tat en Asclepius

Gnosis nu! – online jaarprogramma – week 44
Tat en Asclepius
29 oktober 2022

 

WEEK 1 – WEEK 2WEEK 3  – WEEK 4 – WEEK 5 – WEEK 6 – WEEK 7 – WEEK 8WEEK 9 – WEEK 10 – WEEK 11 – WEEK 12 – WEEK 13 – WEEK 14 – WEEK 15WEEK 16 – WEEK 17 – WEEK 18 – WEEK 19 – WEEK 20 – WEEK 21 – WEEK 22 – WEEK 23 – WEEK 24WEEK 25 – WEEK 26 – WEEK 27 – WEEK 28 – WEEK 29 – WEEK 30 – WEEK 31 – WEEK 32WEEK 33 – WEEK 34 – WEEK 35 – WEEK 36 – WEEK 37 – WEEK 38 – WEEK 39 – WEEK 40 – WEEK 41 – WEEK 42 – WEEK 43WEEK 44

Tat is de worstelende leerling op het pad die nog in de natuurgeboorte staat. Daarom dreigt hij steeds weer opnieuw geslachtofferd en misleid te worden door het wonderlijke, het boze en zeer grillige beweeg van de tegengestelden. Hij is daarom nog vol met problemen en vragen, waarop bijna ieder moment een oplossing en een antwoord wordt gevraagd.

Deze Tat nu, de mens die te midden van de grote gevaren, juist als een ‘Tat’, toch beschermd wordt door het Licht van de Gnosis, de waarachtige zoeker, die met heel zijn levenshouding gericht is op het pad, wordt altijd door de Gnosis overschaduwd als een natuurlijk gevolg van de werkingen van de astralis. Deze Tat wordt vergezeld van Asclepius. In deze naam herkent u misschien het woord ‘esculaap’, dat is helper, genezer die wordt voorgesteld door de slangenstaf, het grote en machtige Mercurius-symbool.

De serieuze leerling die in nieuwe levenshouding volhardt en het pad niet verlaat, wordt steeds duidelijker, steeds positiever, steeds langduriger, en tenslotte in hechte verbondenheid, vergezeld door de levende ziel, die een krachtige invloed openbaart in de slangenvuurkolom. Alleen de levende ziel, dat is de met de geest verenigde ziel, is de waarachtige helper en genezer, de bevrijder van de totale mens, een bevrijder die zich in volledigheid in de gehele mens bewijst. Daarom, wie deze mercuriusstaf nog niet bezit, is een zwakke, een in duisternis dolende sterveling. Wie hem wel bezit is een sterke, een overwinnende.

Uit: De Egyptische Oergnosis deel 4
Hoofdstuk: De derde natuur en Hermes

Met een vriend sprak ik over de boeken van Jan van Rijckenborgh. En ik vroeg hem: ”Hoe komt het volgens jou toch dat met name de boeken van De Egyptische Oergnosis zo vaak versleten zijn”? Ja, dat was hem ook al wel opgevallen…. Maar waarom zij zo vaak gepakt worden? Hij moest ook even nadenken over mijn vraag.

‘Nou, voor mij is het boek als eerste zeer persoonlijk. Alsof het voor mij geschreven is. En over mij is geschreven. Ten tweede ervaar ik dat boek als universeel. Wat ik er in lees geldt voor iedereen. Het lijkt alles in te sluiten. Geen overbodig woord, en alles doet er toe.’ En na een zwijgzaam moment zij hij:  ‘Ten derde is het eigenlijk een mysterie.’ Toen viel het stil. Alles was gezegd. En wij lieten het zo.

Deze week staat het verhaal over Tat en Asklepios centraal en in dat verhaal meen ik dezelfde structuur te herkennen als in het antwoord van mijn vriend. In dat hoofdstuk ontmoet ik als eerste: Tat, de worstelende mens in dit vergankelijke leven. Ik dus, die komt en weer gaat zonder uitzicht op een wezenlijke oplossing.

Ik ben een Sisyfus. Voortdurend moet ik de steen omhoog rollen. En steeds ontglipt mij weer die steen. Incarnatie na incarnatie. Steeds opnieuw ondergedompeld in dit ondermaanse. Totdat ik vol ben. Ervaringsvol. Met de rug tegen de muur zie ik in, dat er geen oplossing is. En ik stoot de wanhopige oerschreeuw uit… En meteen gebeurt er iets radicaals. Vanuit het diepst van mijn ziel straalt ineens een nieuw licht. Zonder het te beseffen verlang ik naar een doorbraak, een bevrijdend inzicht.

En het komt. Tat ontmoet Asclepius, de helper, de genezer. Als antwoord, opdoemend vanuit een andere wezensdimensie. Ja, mijn ziel ontwaakt, en zij wordt geholpen, direct. Een hulp die er altijd al was. Maar zij wacht, tot dat moment daar is, dat mijn ziel kan en wil worden aangeraakt. Dan wordt het horizontale doorkruist door het verticale. En tegen dit firmament staat daar te stralen, een nieuwe hoop.

Twee werkelijkheden bestaan nu in mij. Zij zien elkaar wel. Maar zij kunnen elkaar nog niet verstaan. Daarvoor zijn de vibratieverschillen te groot. Daarom moet een tijdelijke tussenvorm worden geschapen. Een zogenaamde ‘derde natuur’. Deze natuur is wat  rozenkruisers ‘het Pad’ noemen.

Dat is er niet, dat pad, dat vorm je zelf. Door je toe te vertrouwen aan dat wat nog niet gekend kan worden. Een pad, dat de neiging heeft, zich samen te voegen met het pad dat anderen vormen. Hierdoor ontstaat een bijzonder scheppingsveld. Een derde natuur van de groep. Het particuliere overstijgend. Het impliciete, als mogelijkheid, wordt tastbaar. De levende, vibrerende essentie komt tot aanzijn. Een nieuwe bedrading vormt zich en vloeit uit, het mysterie gaat zich openbaren, al transfigurerend: de twee worden één.

LEES WOORD VOORAF EN INHOUDSOPGAVE VAN DE EGYPTISCHE OERGNOSIS DEEL 4

BESTEL DE EGYPTISCHE OERGNOSIS DEEL 4