Over de menselijke waardigheid, aanvang van de beroemde rede van Pico della Mirandola (1463-1494)

Pico della Mirandola.056In Arabische geschriften heb ik gelezen, eerwaarde vaders, dat de Saraceen Abdalla, toen hem gevraagd werd wat hem op dit schouwtoneel der wereld het meest bewonderenswaardig leek, geantwoord heeft: ‘niets bewonderenswaardiger dan de mens.’ Met deze uitspaak correspondeert het bekende gezegde van Mercurius: ‘Een groot wonder, o Asclepius, is de mens.’

Toen ik over de zin van deze woorden nadacht, leken mij de diverse uitspraken van vele lieden over de voortreffelijkheid der menselijke natuur onbevredigend. Zo bijvoorbeeld de opvatting dat de mens de middelaar tussen de schepselen is, verwant aan de hogere en koning der lagere; dat hij de vertolker der natuur is door de scherpte van zijn zinnen, de speurkracht van zijn rede en het licht van zijn vernuft; de schakel tussen bestendige eeuwigheid en vluchtige tijd, of zoals de Perzen zeggen: ‘het cement, ja de huwelijksband der wereld’, ‘weinig minder dan de engelen’ naar het getuigenis van David.

Grote kwaliteiten waarlijk, maar niet de belangrijkste, niet die welke terecht de hoogste bewondering voor zich opeisen. Immers waarom zouden wij dan niet de engelen zelf en de zalige hemelkoren nog meer bewonderen?

Ik heb, meen ik, tenslotte begrepen, waarom de mens het gelukkigste wezen is en bijgevolg alle bewondering waard, en ook wat per slot de positie is, die hij in de rangorde van het heelal door het lot verkregen heeft – benijdenswaard niet slechts voor de dieren maar voor de sterren, voor de bovenwereldlijke geesten. Het klinkt ongelooflijk en verbazingwekkend. Hoe zou het niet? Want ook hierom kan men terecht denken en verkondigen dat de mens een groot wonder is, een waarlijk bewonderenswaardig wezen. Dus luistert, eerwaarde vaders, hoe het hiermee staat en leent welwillend met de u eigen menslievendheid het oor aan mijn betoog.

Reeds had de Opperheer, de Schepper onze God, dit werelds bouwwerk dat wij zien, deze heilige tempel van zijn goddelijkheid geschapen naar de wetten van een verborgen wijsheid. Het bovenhemelse gebied had hij met Geesten (of Ideeën) getooid; met eeuwige zielen de etherische sferen verlevendigd; de delen der benedenwereld vol uitwerpselen, droesem en bezinksel had hij met een menigte dieren van allerlei soort bevolkt.

Toen de Schepper dit alles echter voltooid had, wenste Hij dat er iemand was die de structuur van zo’n geweldig werk kon overwegen, de schoonheid ervan kon beminnen en de grootheid bewonderen. Daarom dacht Hij, toen alles reeds voltooid was (zoals Mozes en Timaeus getuigen) tenslotte aan de schepping van de mens.

Maar onder de oermodellen was er niet één naar welke hij een nieuwe telg boetseren kon, in zijn schatkamers niets wat hij een nieuwe zoon als erfdeel mee kon geven en geen verblijf in de hele wereld, waar die beschouwer van het heelal zou kunnen zetelen. Want alle plaatsen waren vol, ze waren alle uitgedeeld aan de hoogste, de middelste en de laagste rangen.

Maar het zou niet stroken met zijn vaderlijke macht als een impotente man tekort te schieten bij de laatste teling; niet met zijn wijsheid, als hij in een noodzakelijk geval zou weifelen uit radeloosheid; niet met zijn weldadige liefde, als hij, die bestemd was aan anderen de goddelijke milddadigheid te prijzen, gedwongen was die ten aanzien van zichzelf te laken.

En tenslotte besloot de algoede Schepper dat degeen aan wie hij niets aparts, niets eigens geven kon, beschikken zou over het totaal van wat afzonderlijk aan ieder schepsel was geschonken. Dus nam Hij genoegen met de mens als een werkstuk, niet naar afzonderlijk patroon gevormd, plaatste hem in ’s werelds middelpunt en sprak tot hem aldus:

“Wij hebben u, o Adam, geen bepaalde woonplaats, geen eigen aanzicht, geen enkele speciale taak gegeven, opdat ge die woonplaats, dat aanzicht en die taak die ge verkiest, verwerven en bezitten zult naar uw eigen wil en wens. Voor alle andere wezens is de natuur vastomlijnd en binnen de door ons voorgeschreven wetten beperkt. Gij zult die voor uzelf bepalen, door geen grenzen belemmerd, naar eigen vrije wil, waaraan ik u heb toevertrouwd. Ik heb u midden in het heelal gezet, opdat ge van daaruit gemakkelijker alles rondom u zien kunt wat er in de wereld is. t. Het staat u vrij naar het lagere, het dierenrijk te ontaarden; maar ge kunt u ook verheffen naar het hogere, het goddelijke rijk door eigen wilsbeschikking.”

Welk een grootmoedigheid van God de Vader! Welk een wonderbaarlijk geluk voor de mens, dat het hem vergund is te hebben wat hij wenst, te zijn wat hij wil. De dieren brengen bij hun geboorte, zoals Lucilius zegt, uit de buik van de moeder mee, alwat ze zullen bezitten. De hemelse geesten zijn van het begin af aan of spoedig daarna aangewezen op dat, wat ze in alle eeuwigheid zullen zijn. Maar God heeft in de mens bij zijn geboorte zaden van alle mogelijkheden en kiemen van elke soort leven gelegd. En die welke ieder zelf opkweekt, zullen in hem groeien en hun vruchten voortbrengen. En als dat slechts plantaardige kiemen zijn, wordt hij gelijk een plant; als het alleen de zinnelijke zijn wordt hij een bruut, een beest. Kweekt hij de kiemen der redelijkheid, dan wordt hij een hemels wezen. En als hij die van de rede, dat is het inzicht en de wijsheid kweekt, wordt hij een zoon van God. Maar als hij, met niemands lot tevreden, zich terugtrekt op het centrum van de eigen wezenseenheid, wordt hij één van geest met God en zal hij in de eenzame ondoorgrondelijkheid des Vaders die boven alles verheven is, allen overtreffen.

Giovanni Pico della Mirandola e concordia, Over de menselijke waardigheid, Uitg. Van Loghum Slaterus, Arnhem 1968 (vertaling uit het Latijn door Dr. J. Hemelrijk)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *