Het ene nodige – mythen over het labyrint, Sisyphus en Tantalus volgens Comenius in Unum Necessarium

BESTEL UNUM NECESSARIUM VOOR 5 EURO (EXCLUSIEF VERZENDKOSTEN)

Jan Amos Comenius (fakkeldrager van het Rozenkruis 9) roept de lezers van zijn boek ‘Unum Necessarium’ op om alleen het nodige aardse te behouden en aan hun innerlijke ontwikkeling te werken. Dit waardevolle en praktische boek schreef hij in 1668, twee jaar voor zijn dood. Op het omslag is afgebeeld een schilderij van Comenius dat gemaakt is door Rembrandt. Het in het Nederlands vertaalde boek bevat 184 bladzijden en is te koop voor slechts 5 euro (exclusief verzendkosten). Hieronder volgen tekstgedeelten uit Unum Necessarium. 

BESTEL UNUM NECESSARIUM VOOR 5 EURO (EXCLUSIEF VERZENDKOSTEN)

HOOFDSTUK 1

De wereld is een markt vol van allerlei waren en druk bezocht door hen die deze waren verkopen, kopen en bekijken, slechts zeer weinig mensen weten het onontbeerlijke van het onnodige te onderscheiden. Men stalt zonder onderscheid naast elkaar goed en slecht uit, het noodzakelijke en overtollige, nuttige en schadelijke, kostbare en waardeloze, prijst hen aan , verkoopt en koopt het. En wat nog verwonderlijker en te betreuren is, er zijn meer overtollige dan nodige dingen, meer schadelijke dan nuttige, meer slechte dan goede. Vandaar het gezegde: de wereld wil bedrogen worden. (p. 1)

De mens, naar het beeld van God geschapen en tot heer over alles aangesteld, houdt zich op drieërlei wijze met de dingen bezig. In de eerste plaats onderzoekt hij ze om hun wezen te verstaan. In de tweede plaats bewerkt hij ze om ze op een of andere wijze voor zijn gebruik geschikt te maken. In de derde plaats gebruikt en geniet hij ze tot zijn genoegen. (p. 5)

Het geluk van de mens bestaat in het heldere licht van het verstand om het onderscheid tussen de dingen goed te begrijpen, het welslagen van zijn handelingen om een duurzaam werk tot stand te brengen en het onbezorgde genot van het goede van het leven tot werkelijk bevrediging en tot rust van de geest. (p. 5)

Daartegenover staat  drieërlei ongeluk. Ten eerste, het verstandelijk kennen is niet vrij van begoocheling, dwaling en bedrog. Ten tweede, het handelen is dikwijls weifelend, verkeerd en onvast. Ten derde, de genieting brengt teleurstellingen en een steeds nieuwe ondraaglijker honger en dorst naar nieuwe voorwerpen van begeerte. Deze drie – dwalingen in het denken, fouten in het handelen en zelfbedrog in het verlangen – vergezellen het gehele menselijke geslacht reeds vanaf de eerste mens, onze stamvader, op al zijn wegen. (p. 6)

Dit hebben ook de wijzen van Griekenland niet anders begrepen toen zij, even waar als scherpzinnig, hun filosofische grondstellingen in de vorm van mythen kleedden en hun tijdgenoten van het labyrint, de steen van Sisyphus en de kwelling van Tantalus verhaalden. Opdat deze verhalen ons duidelijk worden en wij eigen lijden beter begrijpen en de geneesmiddelen daartegen des te bereidwilliger aangrijpen, willen wij een ogenblik bij de zinrijke vertellingen van het labyrint, Sisyphus en Tantalus stilstaan. (p. 7)

Labyrint (p. 8-10)

De sage van het labyrint verhaalt ons dat de machtige koning van Kreta, Minos, een vrouw van gruwelijke zinnelijkheid, Pasiphaë, tot echtgenote had. Als gevolg van haar omgang met een stier bracht zij een wangedrocht ter wereld, half mens, half stier, de zogeheten Minotautus, waarvoor de koning bijgestaan door de vindingrijke kunstenaar Daedalus het labyrint liet bouwen. Dat was een samengesteld bouwwerk met ontelbare ingewikkelde gangen, zalen, doorgangen en trappen die naar boven en beneden leidden, zodat ieder die daar eenmaal binnengekomen was voortdurend moest dwalen en nimmermeer de uitgang vond.

Daarbinnen sloot Minos het wangedrocht, de vrucht van de zonde van zijn vrouw, en liet ook ter dood veroordeelde misdadigers daarin brengen opdat zij door het monster verslonden zouden worden of van honger omkomen. Alleen Theseus, de zoon van de koning van Athene, gelukt het te ontkomen omdat Ariadne, de dochter van koning Minos, medelijden met hem had, ze raadde hem op advies van Daedalus aan een kluwen garen mee te nemen opdat hij niet zou verdwalen. 

Deze oude mythe werd door de mythologen uitgelegd als zou het menselijk leven daarmee bedoeld zijn. Dit is immers zo verward en vol onoverkomelijke moeilijkheden dat geen sterfelijk mens, tenzij God hem wijsheid geeft, de kracht bezit daaruit te geraken.

Nog duidelijker evenwel wordt de verborgen bedoeling van het verhaal indien wij onder Minos de heerser van het heelal, God, verstaan en onder Parsiphaë zijn evenbeeld, de mens. Toen de helse stier, Satan, haar tot echtbreuk verleid had, baarde zij het ongure monster, de Minotaurus, de aardse wijsheid, een voortbrengsel van goddelijk en duivels zaad. 

Uiterlijk is deze wijsheid schoongevormd en hemels van aanblik en heeft overeenkomst met de godheid, innerlijk is zij aards en wanstaltig en vertoont zij het eigenlijke beeld van Satan. Als God wilden wij zijn, maar in de gestalte van de duivel: aan God gelijk door het bezit van de alwetendheid, maar van de duivel door het verbreken van de gehoorzaamheid. 

Om ons te straffen heeft de koning van het heelal het toneel van zijn wijsheid, deze om onzentwil geschapen wereld, voor ons in een labyrint veranderd. Hierin zijn wij allen opgesloten en dwalen er eindeloos rond. Niet alleen het getuigenis van Salomo en andere wijzen, maar ook onze eigen droeve ervaringen bewijzen dat dagelijks. Heel de wereld is één groot labyrint dat talloze kleiner omsluit, zodat er niemand is die niet in een of meerdere daarvan heeft gedwaald. 

Wanneer het ons gegeven was het innerlijk van de mensen te lezen, zouden wij de meest verwarde overdenkingen en fantasieën  en de wonderlijkste kronkelwegen van de gedachtengang opmerken. De kennis van alle talen zou ons slechts een eindeloze chaos van de meest verwarde klanken en zegswijzen doen waarnemen. En als wij al de arbeid beschouwden waarmee de mens zich onder de hemel bezighoudt, zouden wij eveneens onbeschrijflijke afdwalingen en doelloze afwijkingen ontdekken. Een warwinkel van bewegingen, nu eens in een kring, dan naar boven of beneden, nu naar rechts, dan weer naar links zich wendend.   

Sisyphus (p. 10-11)

En welke inhoud heeft de mythe van Sisyphus? Men verhaalt dat Sisyphus wegens zekere vermetele handelingen door de goden veroordeeld werd in de onderwereld een reusachtige steen tegen een berg op te wentelen. Wanneer hij die tot de top had opgewerkt, rolde de steen weer naar beneden en met vernieuwde kracht moest hij hem opnieuw naar boven wentelen. Wat betekent nu dit verhaal?

Als wij de namen veranderen is het verhaal op de mens zelf van toepassing. Met de zwaarste arbeid martelen de arme stervelingen zich voortdurend af en bereiken bijna nimmer hun doel, want het einde van het ene werk is altijd het begin van een nieuwe arbeid. De zon gaat onder om weer op te gaan; het water van de rivieren stort zich voortdurend uit in de zee die schijnbaar het doel is, om daar weer de oorsprong te vinden. Dagelijks legt de mens zich ter ruste, om opstaande de arbeid te hervatten: jaar in, jaar uit, maait de landman de akker af, maar even vaak moet hij het zaad erin strooien. En zo gaat het met alles. 

Dikwijls meent men dat het werk met goed gevolg bekroond is, maar na een poosje ervaart men dat de vruchten ervan verloren zijn gegaan: hetzij dat een ander het opgebouwde werk heeft vernietigd, hetzij dat men het verbouwt of een geheel nieuw werk sticht omdat het oorspronkelijke niet meer bevalt, hetzij dat het werk zelf te gronde gaat, zodat het nodig is een nieuw te bouwen. 

Hiervan geven de beroemdste werken ter wereld die onder luide bijval werden voltooid en niet lang daarna uiteenvielen een sprekend getuigenis. Waar zijn de vele door grote helden gestichte rijken die naar het scheen op vaste grond waren gebouwd gebleven? Zij zonken in het niet terug en men heeft nauwelijks de herinnering eraan bewaard. Zie, wij zijn alle sisyphusmensen. Al onze werken zijn sisyphusstenen. 

Tantalus (p. 11-12)

Van Tantalus wordt verteld dat hij wergens zijn zwelgerijen of volgens anderen zijn kwaadspreken werd veroordeeld tot eeuwige honger en dorst, terwijl het smakelijkste fruit boven zijn hoofd hing en het helderste water hem bijna tot de lippen reikte. Toch kon hij geen van beide bereiken, want vruchten en water onttrokken zich aan zijn mond. Ovidius zegt over hem:

‘Water zoekt in het water, naar vruchten grijpt die ontvluchten Tantalus, vreselijk gestraft voor zijn tomeloze mond.’

Dit is een waar beeld van het lot van de mens. Wie het sterkst smacht naar rijkdom, eer, genoegens of andere begeerlijkheden, lijdt de grootste honger en dorst omdat genietingen en begeerten geen verzadiging kennen. Men eet om te eten, drinkt om weer te drinken. Zoals de schurft-lijder onophoudelijk moet krabben, zo kent de wellusteling nooit het einde van zijn wellust, zo kan de eergierige het streven naar eer, de rijke het samenschrapen van nieuwe rijkdommen niet nalaten. Want elke begeerte is onverzadigbaar en hongert naar zichzelf. Alle wellustigen, eerzuchtigen en hebzuchtigen, zoveel als de aarde voedt, zijn tot eeuwige honger en dorst veroordeelde Tantalussen. En daar wij allen min of meer met die begeerten te strijden hebben en niemand in dit leven verzadigd wordt, zijn wij arme tantalusmensen.

De drie mythen (p. 12)

De drie sagen laten zich ook nog op bijzondere wijze toepassen. Het verhaal over het labyrint is als een spiegel van het tegenwoordige leven, de vertelling van de sisyphussteen als een beeld van de dood, de sage van de tantaluskwelling als een weerspiegeling van de toestand die de mens na de dood wacht. 

Want inderdaad heeft ieder van ons in dit leven zijn labyrint, zijn verschillende zwarigheden, die aanhoudend uit andere zwarigheden voortkomen. In het ogenblik van de dood is de hoofdzaak of men de last van het geweten al of niet kan afleggen en dus al of niet de eeuwige rust kan vinden. En wat staat ons na de dood te wachten? Of een verzadiging van de eeuwige blijdschap in het paradijs Gods óf eeuwige honger en dorst voor hen die buiten dit paradijs gesloten worden. Wee hem die in het uur van sterven niet in staat is de last van de zonde af te leggen! Wee hem die na de dood zich gesteld ziet bij het gezelschap van de Tantalussen. 

HOOFDSTUK 2

Zoals een arts een zieke niet kan helpen als hij de oorzaak van de ziekte niet weet, maar pas eerst wanneer hij die gevonden heeft veel gemakkelijker naar middelen kan zoeken en zekerder is in het aanwenden ervan; zo denkt men bij elk kwaad van welke aard ook vergeefs aan de bestrijding, zolang de wortel van het kwaad niet ontdekt is. Wij moeten dus zoeken naar de ware oorzaken van de ziekten waarop wij ons in het vorige hoofdstuk hebben gericht – de eindeloze menselijke dwalingen, de rusteloze inspanning en de als het ware nimmer eindigende begoochelingen – in dien wij het juiste geneesmiddel daartegen willen vinden. (p. 21)

Ik beweer dat door alle eeuwen heen de grondoorzaak is dat de mens het waardevolle van het waardeloze, dit is het nodige en het onnodige, het nuttige van het nutteloze niet weet of niet poogt of hardnekkig weigert te onderscheiden. De mens gaat niet waarheen hij moet gaan, maar loopt als een kuddedier achter de gehele wereld aan. En vervolgens laat hij ook niet af, het moge goed of kwaad zijn, van wat hem eenmaal bevalt. (p. 21)

Wij hebben gebrek aan het nodigste omdat wij ons erop toegelegd hebben onnodige zaken bijeen te garen. Het noodzakelijke doen wij niet omdat wij ons met het onnodige bezighouden. Het noodzakelijke doel bereiken wij niet omdat wij het gebruik van de nodige middelen nalaten en ons wenden tot de niet-noodzakelijke. Zo falen wij in de vervulling van onze beste wensen, hoe wij ze ook in ons hart koesteren. Wij laten ons door het minderwaardige in beslag nemen en missen daardoor het kostbaarste goed. (p. 33)

BESTEL UNUM NECESSARIUM VOOR 5 EURO (EXCLUSIEF VERZENDKOSTEN)

HOOFDSTUK 11

Bezwaar uzelf niet met zaken die buiten de behoeften van het leven vallen, maar stel u tevreden met het weinige dat uw gemak dient, en prijs God. Ontbreekt u alle gerieflijkheid, wees dan tevreden met het strikt nodige. Wordt ook dit u ontnomen, zie dan uzelf te behouden. Kunt ge ook u zelf niet behouden, laat u zelf dan los, maar zie toe dat ge God vasthoudt. Wie God heeft, kan alles ontberen. Hij bezit het hoogste goed en het eeuwige leven met en in God. En dit is van alles wat men wensen kan het doel en het einde. (p. 155)

BESTEL UNUM NECESSARIUM VOOR 5 EURO (EXCLUSIEF VERZENDKOSTEN)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *