8 Het hart van de wijze is diep als een afgrond – commentaar op strofe 8 van de Daodejing uit de Chinese Gnosis

 

BESTEL DE CHINESE GNOSIS

DOWNLOAD THE CHINESE GNOSIS (FREE PDF)

Hieronder volgen de tekst van strofe 4 van de Daodejing (of Tao Teh King) en het  commentaar dat J. van Rijckenborgh (1896-1968) en Catharose de Petri (1902-1990) daarop hebben geschreven in hun boek De Chinese Gnosis.

De juiste levenshouding is gelijk aan het water.
Het water is alom en houdt verblijf op alle plaatsen.
Het is ook in oorden die door de mensen veracht worden.
Daarom benadert de wijze Tao.
Hij woont op de juiste plaats.
Zijn hart is diep als een afgrond.
Zijn liefde is volkomen.
Hij staat in de waarheid en hij doet waarheid.
Geroepen tot regeren, houdt hij orde.
Handelingen verricht hij goed.
Hij komt tot actie op de rechte tijd.
Als hij niet twist en niet met anderen in strijd komt,
is er niets in hem te laken.

Tao Teh King, hoofdstuk 8

8 HET HART VAN DE WIJZE IS DIEP ALS DE AFGROND

U zult duidelijk inzien waarom er in het achtste hoofdstuk van de Tao Teh King gezegd wordt dat de juiste levenshouding voor een bevrijding en verlossing zoekende persoonlijkheidsmens gelijk is aan het water. Het water is een zeer universeel en verheven symbool om de krachtradiaties van het nieuwe leven aan te duiden.

Zoals de persoonlijkheidsmens geheel in het elektromagnetische stralingsveld van de dialectiek staat, zo zal de leerling die de bevrijdende binding met de geest van de vallei, met de God-in-hem, door zelfofferande verkregen heeft, eveneens geheel en al leven, binnenkomen, in het nieuwe elektromagnetische stralingsveld.

Het is werkelijk levend water dat over hem wordt uitgestort en dat alle plaatsen van zijn existentie vult. Hij wordt in die nieuwe krachtstroom een nieuwe schepping, een nieuw schepsel. Hij ervaart een nieuwe Genesis, een nieuw begin, en zoals bij de eerste Genesis de geest Gods broedde op de wateren en een uitspansel stelde in het midden der wateren, zo is er ook bij de kandidaat sprake van een nieuw uitspansel zodra het levende water over hem wordt uitgestort, namelijk een nieuwe lipika, een nieuw magnetisch stelsel, dat hem een geheel ander, een geheel nieuw persoonlijkheidsbewustzijn doet verkrijgen. Hij wordt opnieuw bezield door zijn enige God, de bewerker van zijn behoud.

Als ge uw aandacht verplaatst van het particuliere veld van de microkosmos naar dat van de kosmos en macrokosmos, dan ontdekt u dat dezelfde werkingen ook daarin plaatsvinden. Het is duidelijk dat de God-in-ons, de ware goddelijke mens, het ware levenscentrum in het hartheiligdom, niet gescheiden staat van andere mensgoden. Zij existeren in een natuur, zoals de persoonlijkheidsmens in onze natuur existeert. Zoals deze de natuur des doods ervaart en het heelal des doods kent, zo zal de wet van analogie u duidelijk maken dat er ook een natuur des levens is, een goddelijk universum, een geheel ander heelal. De levens- en stralingssubstantie van dat goddelijke heelal is waarlijk levend water, de zuivere, goddelijke oersubstantie.

Dit goddelijke heelal, deze goddelijke oersubstantie, is, tijdruimtelijk beschouwd, niet ver van ons verwijderd, doch zij is hier en in het nu alles doordringend, zij is nader dan handen en voeten. Het levende water is alom en houdt verblijf op alle plaatsen. Het is ook in de oorden die door de mensen veracht worden. De wijze weet dat, en daarom zegt hij bijvoorbeeld in de bekende Psalm 139:

‘Stijg ik ten hemel – gij zijt daar.
Daal ik af in het dodenrijk – gij zijt er.
Neem ik vleugelen van de dageraad
en ga ik wonen aan de grenzen der zee,
ook daar geleidt mij uw hand
en houdt uw rechterhand mij vast.
Al zeg ik: “Duisternis moge mij overvallen”,
dan is de nacht een licht om mij heen.
Zelfs de duisternis verbergt niets voor u,
maar de nacht licht als de dag,
de duisternis is als het licht.’

Datgene waarover wij met u spreken en waartoe wij u uitnodigen is een rozenkruisdoel. Wij doen dit nu wel in de taal der ouden, met de woorden van de Tao Teh King als gids, maar onze activiteit onder u is zo hypermodern als ze maar zijn kan. Zij is even modern als oerklassiek. Want wat stellen wij u voor? Toch niets anders dan hereniging met uw goddelijke Andere? Wij nodigen u uit een huwelijk te sluiten, een geestelijke bruiloft te vieren met de geest uit de vallei, de geest van het oeratoom, de roos.

Is dit iets anders dan de Alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis, die Johann Valentin Andreae ons tekent? De rozenknop in het hartheiligdom, de ware zetel des levens, de geest in de vallei, dát is uw bruid of bruidegom. Om het even uit welk sekseoogpunt u het beschouwt, zegt hij tegen u, naar het woord van Openbaring 22, een puur rozenkruiserswoord:

‘De geest en de bruid zeggen: Kom!
En wie dorst heeft kome
En wie wil, neme het water des levens om niet.’

Om niet! Maar de voorwaarde is dorst! Uw ziel moet uit ervaring, uit nood en dood gaan dorsten. Dat is heilbegeren: ‘Mijn ziel dorst naar u’ (Psalm 63). Denk hier ook aan Jesaja 55:

‘Gij allen die dorst lijdt, kom tot de wateren, en gij die geen geld hebt, kom, koop en eet. Ja kom, koop en eet zonder geld en zonder prijs wijn en melk. Waarom weegt ge geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Luister naar mij, opdat ge het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige. Neig uw oor en kom tot mij, opdat uw ziel leve, en ik zal met u een eeuwig verbond sluiten.[…] Voor een doornstruik zal een cipres opschieten en voor een distel een mirteboom.’

Een prachtige en verrukkelijke beeldspraak! Tussen u en de geest in de vallei, tussen u en de God in u kan geen priester gaan staan en ook geen geestesschool. Dat verbond dient u zelf, zelfautoritair, te sluiten, en wat de geestesschool voor u doet, doen kán, dat dóét zij. De school bezit een krachtveld vol met levend water om de roep van uw enige God: ‘Neig uw oor tot mij’ te ondersteunen. De school tracht uw animale ik tot een gids te zijn. Zij wil u wegvoeren van uw doolwegen tot het ene geluk.

De school in groepseenheid, als levend lichaam, is tegelijkertijd een machtig magisch hulpmiddel tot het bereiken van het doel. En als u nu rijp bent geworden en moe gevochten, staat het u volkomen vrij dat volstrekte geluk te grijpen. Wanneer u dat doet, zal van stonde aan de stroom van het levende water op u vallen. Zo zult u wijs worden, zó wijs, dat anderen zich aan uw glorie kunnen vertroosten en verwarmen. Zo zult u een licht zijn op het pad in dienst van de Broederschap, opdat iedere dolende en eenzame zijn Heer zal kunnen vinden. Zó nadert de wijze Tao.

Nu volgt in het achtste hoofdstuk een nadere omschrijving van de levenshouding van de mens die in deze verbondenheid staat. Men zou kunnen spreken van de levenshouding van het levende water:
‘De wijze woont op de juiste plaats.’ Verbonden met de waarheid is hij altijd gericht op het doel en is hij altijd op de juiste plaats. Let wel, de wijze is de waarlijk dienende broeder of zuster, en het wonen op de juiste plaats wil ook zeggen dat zulk een dienaar steeds op het juiste moment in het leven van een zoeker verschijnt en van zijn waarheid getuigt. Niet te vroeg, niet te laat, steeds juist op tijd.

Het kan zijn dat u een verlossend woord eerder gehoord hebt, zonder dat het kracht in u deed. Het was toen voor een ander bestemd, die het waarlijk van binnenuit hoorde. Maar eenmaal zult u het horen zoals het gehoord moet worden, nu of later. Dan zult u de dienaar, úw dienaar, herkennen, op het juiste moment. Dan staat hij, dan is hij, dan woont hij, voor u op de juiste plaats, en dan kunt u de tempelwoning binnengaan als een welkome gast.

‘Het hart van de wijze is diep als een afgrond’. Dit wil zeggen dat er in de wijze een steeds rijper wordend volkomen begrip is voor ieders zondestaat, voor ieders mateloze ellende, groot in mededogen, onpeilbaar in liefde. Het wil niet zeggen dat de dienaar van de Broederschap een biechtvader is, wiens hart als een grote vergaarbak is voor alles wat een sterveling maar kwijt wil. Dat hij rustig gaat zitten om uw levensgeschiedenis van stervende ziel aan te horen. Want elke levensgeschiedenis is volkomen gelijk aan elke andere. De details mogen verschillen, het begin en het einde van uw levensroman is volkomen gelijk aan dat van de andere zielen.

Nee, het grondeloze hart van de wijze bedoelt dat, aangekomen in de vallei des harten om de geest in de vallei te ontmoeten, de gehele robotstaat van een mensenkind afvalt. Daarom beoordeelt de wijze een sterveling niet naar zijn straf- of zondenregister, doch naar zijn werkelijke dorst.

Wie dorst naar de wateren, ontvangt het water des levens om niet. Dat is een magnetische wet. Wie aldus rein wordt, bezit als signatuur een grondeloos diep hart. Daarom is zijn liefde volkomen. Het is een liefde die uit het nieuwe stralingsveld stamt en daarin wortelt. Het is een liefde die geen haat en wraak oplevert. Het is een liefde die reeds ondenkbaar lange tijden met de gevallen mens voortgaat, door dik en dun, hem niet verlatend, om te redden wat verloren is. Wilt u nu niet en over duizend jaar wel, dan zult u ná die duizend lange jaren vol weedom diezelfde liefde ook dan op u zien wachten. En ook dan zult u horen de roep: ‘Kom tot mij die vermoeid en beladen zijt, en ik zal u rust geven.’

‘Hij staat in de waarheid en hij doet de waarheid.’ De wijze staat, zoals volkomen begrijpelijk is, in de waarheid en hij leeft daaruit. De waarheid is een levensveld. Begrijpt u dat een dialectisch mens dus niet waar kan zijn, dat zijn waarheid altijd leugen is? Precies zoals het lelijke een bewijs is van de schijn der schoonheid, en goed en liefde door de werkelijkheid der tegendelen worden achterhaald, zo is het ook gesteld met wat men gewoonlijk waarheid noemt.

U vindt sommige mensen echt waar, zeer oprecht, en u kunt daarmee helaas niets anders bedoelen dan dat zij proberen oprecht en waar te zijn, dat zij niet bewust, willens en wetens, liegen. Deze waarheid heeft geen grond in de Gnosis, in de alopenbaring, in de God in ons. Daarom is deze waarheid speculatief, ten dele; ze wekt verwarring, ze wekt twist en conflict, ze maakt oorlog. Deze fel beleden waarheid kan de grootste narigheid veroorzaken en morgen kan zij blijken ónwaarheid te zijn.

Doch wie in de Gnosis geborgen is, staat in de goddelijke waarheid. Dat is een vibratie, een toestand-van-zijn, waaruit de wijze leeft en is. Plaatst hij die waarheid midden in deze duistere wereld? Slechts in zekere zin! Hij zal in die waarheid vibreren, hij zal haar uitstralen.
Indien u een waarheidszoeker bent in de zin van het Rozenkruis, dan zult u eenmaal, op zoek naar Tao, de straling van deze waarheid proeven en herkennen. En eerst dan kan er waarlijk met u gesproken worden. En voor de rest: denk maar niet dat de wijze met u over de waarheid zal twisten. Als blijkt dat de waarheidsstraal door een mens niet of nog niet kan worden gegrepen, dan zal er onder geen beding getwist worden. Dan zal de wijze zich terugtrekken, een vacuüm scheppen.

‘Geroepen tot regeren, houdt hij orde.’
Stel u dat zo voor: hij leeft naar de orde van het levende veld der levende waarheid. Een wijze is een dienaar van de Broederschap en hij zal in zijn dienend ambt mensen moeten verzamelen die zoekend zijn. Om te slagen moet hij in zijn werkveld een zekere orde scheppen; hij gaat te werk volgens een systeem. Dit systeem kan besproken, beredeneerd worden, en liefde, waarheid en Gnosis, de geestwetten der Broederschap, liggen eraan ten grondslag.

Allen die zoeken zijn welkom, maar er komen er ook die tegen die orde handelen, die existentieel tegen die orde zijn. Dan kan men trachten hen even te helpen en te corrigeren, doch als blijkt dat de betrokkenen de straling van het veld der levende waarheid nog niet kunnen grijpen, dan worden zij voor het moment losgelaten, en de liefde wacht tot zij zo ver zijn dat zij weer een stap verder kunnen gaan. Met andere woorden, van een onweerstandelijke orde kan niet worden afgeweken: alles of niets!

‘De wijze verricht zijn handelingen goed. Hij komt tot actie op de rechte tijd.’ Ook deze deugden behoeven geen verwondering te wekken. Wie niet langer in het robotbewustzijn staat, doch deel krijgt aan het bewustzijn van de Gnosis, verkrijgt een nieuw handelingswezen, dat tot in alle bijzonderheden is afgestemd op de aard en het wezen van het heilige werk, op Tao.

Als wij nu deze toestand dichter bij u brengen door hem te plaatsen in het licht van de woorden van Paulus, dan zult u deze genadegaven wellicht nog beter doorschouwen. Paulus zegt op verschillende plaatsen in zijn brieven dat hij zeker niet de bedoeling heeft op zichzelf te roemen en hij spreekt: ‘Niet ik, doch de Christus in mij.’

Zo hebben wij dan enig licht laten vallen op de levenshouding van de wijze die het pad van bevrijding gaat. Dat ook u dit pad zult mogen bewandelen is onze dagelijkse bede.

Zie het pad – Tao.
Ga het pad – Teh.
Begrijp het pad – King.

Bron: De Chinese Gnosis, door J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri

BESTEL DE CHINESE GNOSIS

DOWNLOAD THE CHINESE GNOSIS (FREE PDF)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *