9 Men moet van de gevulde vaas afblijven – commentaar op strofe 9 van de Daodejing uit de Chinese Gnosis

 

BESTEL DE CHINESE GNOSIS

DOWNLOAD THE CHINESE GNOSIS (FREE PDF)

Hieronder volgen de tekst van strofe 9 van de Daodejing (of Tao Teh King) en het  commentaar dat J. van Rijckenborgh (1896-1968) en Catharose de Petri (1902-1990) daarop hebben geschreven in hun boek De Chinese Gnosis.

Men moet van de gevulde vaas afblijven.
Men moet het scherp van een lemmet niet betasten.
Men moet de zaal vol gouden edelgesteenten
niet willen behouden.
Wie trots is op zijn rijkdom zal ongeluk ondervinden.
Als het werk volbracht is en de naam gemaakt,
moet men zich terugtrekken.
Dit is de weg des hemels.

Tao Teh King, hoofdstuk 9

9 MEN MOET VAN DE GEVULDE VAAS AFBLIJVEN

De vertaling van het negende hoofdstuk van de Tao Teh King heeft de sinologen blijkbaar de grootste moeite gegeven. De oorzaak is te wijten aan het feit dat zij de begripssleutel misten om tot de ware bedoeling van Lao Tse’s woorden door te drin- gen.

In een vertaling lezen wij: ‘Beter dan een gevulde vaas aan beide zijden te dragen, is het er in het geheel geen te dragen.’ Dit is natuurlijk zonder meer onzin als wij eens aannemen dat hier een watervat bedoeld wordt. De ouden hadden geen waterleiding. Dan heeft men dus het gevulde watervat dringend nodig en zal men het gaarne dragen en pogen het kostbare sap niet te morsen. Aan dit morsen heeft een andere vertaler gedacht. Hij vertaalde: ‘Wie een vaas tot de rand toe vult en haar zo met zijn beide handen wil wegdragen, zal morsen.’

U zult verstaan, na alles wat de vorige hoofdstukken van de Tao blijken in te houden, dat Lao Tse geheel wat anders bedoeld moet hebben. De moeilijkheid voor de vertalers is, dat de Tao Teh King feitelijk niet vertaald kan worden. De Oud-Chinese beeldtekens, waarin het werk geschreven is, zijn geen vaststaande lettertekens zoals wij die kennen, zodat wij aan een samenvoeging van letters kunnen zien en duidelijk kunnen vaststellen: Er staat dit woord, dus dit of dat is bedoeld. Denk bijvoorbeeld aan het woord boom.

Een auteur zal schrijven: ‘Ik zie een boom.’Hoewel wij niet weten welke soort boom de schrijver ziet, weten wij dát hij een boom ziet. Doch meer nog dan in bijvoorbeeld het Hebreeuws, heeft ieder Oud-Chinees beeldkarakter een meervoud van betekenissen; naar gezegd wordt, ‘ten minste zeven’. En iedere Chinees van formaat mocht zonder enig bezwaar een geheel eigen karakter toekennen aan een teken, nadat hij het met zijn penseel op perkament of zijde geformeerd had. Zo zou men zonder meer kunnen zeggen dat wat een Chinees voorheen schreef, zonder formule was, zonder methode, volkomen geheimschrift.

Maar in de praktijk nam men de beschaafde gewoonte aan – door voortdurend verkeer daartoe gedwongen – vele zaken of dingen of begrippen met dezelfde woordtekens te schrijven, eenvoudig omdat men, als iemand niet te spreken was, contact per brief tot stand kon brengen. Doch contactnemer en contactgever dienden elkaars woordtekens volkomen te kennen. Aldus zijn er in het Chinese schrift vele woorden te lezen, doch zeer vele in het geheel niet, ten gevolge waarvan het zinsverband verloren gaat.

De taal van de Oud-Chinese Bijbel is evenwel niet bestemd voor een eventuele sinoloog die de Tao Teh King wenst te vertalen. Alle vertalingen verschillen hopeloos van elkaar en dat kan ook niet anders. Het werk richt zich uitsluitend tot leerlingen op het transfiguristische pad en de auteur van de Tao Teh King wist reeds duizenden jaren geleden met de grootste stelligheid dat een dienaar van de Broederschap, ook al zou hij nog maar een beginneling zijn, veel, veel later de Tao Teh King zonder veel moeite zou kunnen lezen.

‘Hoe is dat dan mogelijk?’ zult u vragen. ‘Want u kent toch geen Chinees, en als u het kende stond u toch voor dezelfde moeilijkheden als de sinologen?’ Het antwoord is heel eenvoudig. De Universele Broederschap heeft door alle tijden heen, zowel bij het gesproken als bij het geschreven woord, een beroep gedaan op het beeldende bewustzijn van een daartoe geadelde lezer. In iedere alinea van dergelijke taal ligt een sleutel. Kan een lezer die sleutel grijpen en begrijpen, dan volgt de rest van de zin van de spreuk vanzelf. Kan een lezer de ware zin van de sleutel niet grijpen, dan begrijpt hij er niets van en kan hij niet vertalen, ook al is hij de geleerdste mens van alle tijden. Ook hier gaat dus het bijbelwoord op dat wat voor de wijzen en verstandigen der gewone natuur verborgen blijft, aan de kinderen Gods geopenbaard wordt (Mattheus 11:25).

Welnu, wij geloven dat wij onszelf voor u niet verheffen wanneer wij tegen u zeggen: ‘Wij zijn kinderen Gods.’ U is dat ook, u bezit óók dat kindschap. De een is zich daarvan echter wat meer bewust dan de ander, doch allen zijn wij gelijk, en de volkomenheid ligt op ons allen te wachten. Laten wij nu eens tezamen de sleutel trachten te zoeken in het negende hoofdstuk, daarbij geleid door ons kindschap Gods.

U bemerkt dan onmiddellijk in de eerste strofe van het negende hoofdstuk dat het – hoe dan ook – om een gevulde vaas of een gevuld vat gaat. Daarover zijn alle vertalers het eens. En ook beseffen zij dat men met die gevulde vaas iets absoluut niét moet doen. Nu, wat zit er in een vaas? Natuurlijk water.

Dus zegt de een: ‘Denk erom dat u niet morst.’
‘Jawel, ̋ zegt de ander, ‘maar zo’n vaas is zwaar, en men kan hem dus beter niet dragen dan wel.’
‘Dat is wel zo,’ zegt een derde, ‘maar men moet de vaas hebben en het water ook.’ ‘Natuurlijk mag men daarbij niet morsen, dat is begrijpelijk, maar Lao Tse heeft mijns inziens bedoeld dat men niet tegelijk kan vasthouden én vullen. ̋
‘Dat kunnen wij in onze eeuw wel, want men heeft het kraantje maar open te houden; maar de ouden hadden geen waterleiding.’
‘Ja, maar er waren toen misschien ook wel watervallen.’

En zo gaat men verder. Met wat voor zin? Geen enkele, want men ziet de sleutel over het hoofd. Doch u heeft met enig beeldend bewustzijn reeds lang de sleutel opgevangen, want dat gevulde vat of die gevulde vaas komt u zeer bekend voor.

Wij zien voor ons een der oude symbolen van de rozenkruisers uit de zeventiende eeuw. Een oude, grijze wijze zit in een torenkamer. Drie treden leiden naar binnen, ‘de treden tot wijsheid ̋, staat erbij. Als wij die drie treden bestijgen en de torenkamer willen betreden, zien wij hoe de ingang geflankeerd wordt door twee zuilen. En onze aandacht wordt getroffen door een spreuk op de rechter zuil. Er staat: ‘Blijf dicht bij de vaas om haar kleuren kenbaar te maken.’

En wij lezen in Jesaja 52: ‘Weg, weg, trek weg van hier, raak niet aan wat onrein is, ga weg uit haar midden en maak u weer rein, gij die de vaten des Heren draagt.’
In Handelingen 10 lezen wij van een zeer onheilig vat, dat neerdaalt uit de hemel.
In de tweede brief aan Timotheüs zegt Paulus: ‘Iemand die zichzelf reinigt zal een vat zijn tot eer, geheiligd en bruikbaar voor de Heer’ (2 Timotheüs 2:21).
En wij denken aan de vele symbolische verhalen over de graalbeker, de geopende kelk, gestileerd als een open lelie, en dan horen wij Lao Tse zeggen: ‘Men moet van de gevulde vaas afblijven.’

En u weet het, dit is de sleutel! Het kind Gods bezit een gevulde vaas, de zevenbladige roos, de zevenbladige leliekelk, de graalbeker des harten. Het kind Gods is dáárom kind Gods, omdat het die heilige beker bezit. Het stelt het gehele Koninkrijk Gods in ons; in het oeratoom ligt een universum besloten. Daarin ligt het al.

Te dien opzichte is het dialectische buitengewoon gevaarlijk. Uw ik is het kind Gods niet, uw dialectische bewustzijn heeft daar niets mee te maken. Uw ik is een robotbewustzijn, tot geen enkele bevrijding in staat. U gaat uit van een microkosmos, waarin het goddelijke wezen besloten ligt. En nu spreekt de Tao Teh King tot u: ‘Wilt u nu alstublieft met uw vingers van die gevulde vaas afblijven!’ Die graalbeker is gevuld met het bloed des lams, het zuivere, levende water. Niets van de onheilige natuur mag en kan daarbij. Wilt u zich daarvan volkomen distantiëren in absolute zelfovergave. Wilt u niet zeggen: ‘Ik.’ – met de nadruk op ik – ‘ben het kind van God.’

U bent slechts zeer nabij het kind Gods. Het is, evenals u, in dezelfde microkosmos. De Andere is lang vóór u geworden. Hij is en zal ná u zijn. U zult moeten ondergaan en de Andere zal wassen. Wilt u de gevulde vaas des Heren niet aanraken? U, met uw mystieke of occulte waan, raak het heilige vat niet aan! In deze graalbeker is de wijn des Heren vervat, en deze wijn, dit levende water, moet u aanraken, moet uw dorst lessen. Als een zwaard moet deze kracht in uw ziel afdalen.

In dezelfde beeldspraak zegt Lao Tse: ‘Men moet het scherp van het lemmet niet betasten.’ Maak het niet krachteloos met onheilige handen en spreek niet: ‘Zo en zo zal het zwaard in mij afdalen onder mijn leiding.’ Ledig de beker die de innerlijke Christus u reikt, neem vol van vreugde hem aan.

En hebt u nooit gelezen of gehoord dat de graalbeker door de Meesters van de Graal geplaatst werd in een wonderlijk schone tempel? In een heiligdom vol met goud en edelstenen? En dat dit heiligdom van de wonderbare roos gevuld was met de schoonst denkbare, met de edelste rijkdommen? Zulk een heiligdom is er in uw microkosmos: ‘Verheug u en verblijd u, het Koninkrijk Gods is binnenin u,’ het nieuwe Jeruzalem met zijn twaalf poorten.

Doch zie nu het onmetelijke gevaar in van de krankzinnige, ikcentrale bezitsdrift. Wilt u die zaal vol goud en edelstenen behouden? U? Wilt u uw bezitstrots uitvieren als mysticus of als occultist? Dan zult u het ongeluk ondervinden van de voortgezette wielwenteling, want de nieuwe stad met haar paarlen poorten kan eerst neerdalen als de oude stad verdwenen is.

Zie vóór u de weg, de weg des hemels. Als de tijd daar is en uw voorbereidingswerk volbracht, uw nieuwe naam geconcipieerd is voor het Boek des Levens, dan dient u zich naar uw gehele dialectische zielenstaat terug te trekken, met dat vervaarlijke Johanneïsche woord, met die sleutel tot het pad van bevrijding: ‘Hij, de Andere, moet wassen en ik moet ondergaan’ – het zwaard van de Meester van de Graal in uw ziel, en zijn beker geledigd tot de laatste druppel, opdat de heilige stad zal neerdalen van God uit de hemel.

Nog even willen wij terugkomen op de schatkamer van het klassieke Rozenkruis, waar wij op een zuil de spreuk lezen: ‘Blijf dicht bij de vaas om haar kleuren kenbaar te maken.’ Met de uitdrukking: ‘Blijf dicht bij de vaas’ bedoelden de rozenkruisers: ‘Wijd u, als ikwezen, nederig en stil, in teruggetrokken, zelfofferend leven, aan de innerlijke Graal, aan de stad Gods, die eenmaal uit de hemel zal neerdalen.’

Als wij zo ten opzichte van ‘de vaas’ de enig juiste houding hebben aangenomen, kan het geschieden dat wij in haar dienst aan zoekenden en dolenden het heilige woord kenbaar mogen maken. Dat wij de schone, serene kleuren en aanzichten van de vaas kenbaar mogen maken, opdat de zoekers, door deze heerlijke beloften vertroost, eenmaal dezelfde weg zullen mogen en kunnen gaan.

In Jesaja 52 duidt het geciteerde woord op een roep aan alle geestvonkdragers, om door het endura de wereld der dialectiek vaarwel te zeggen. ‘Ga weg uit haar midden en maak u weer rein, gij die de vaten des Heren draagt.’ Daarom zegt Paulus dat wanneer u dat pad gaat, het pad van zelfontlediging, door de graalbeker een nieuwe zielenstaat mogelijk wordt, ‘geheiligd en bruikbaar voor de Heer’. En Petrus ondergaat in Handelingen 10 een zeer klassieke beproeving. Hem wordt door krachten van de spiegelsfeer de valse kelk gereikt, maar door de inhoud daarvan onderkent hij onmiddellijk het gevaar en hij weigert pertinent. En zijn besluit is vaster dan ooit: hij blijft dicht bij de vaas des harten om haar kleuren kenbaar te maken.

Zo wordt ons ook de rozenkruiser getekend, de dienaar van de Universele Broederschap. Hij blijft dicht bij de vaas des harten om haar kleuren kenbaar te maken. Hij zal zich daarop niet verheffen. Hij die onmetelijk rijk geworden is, zal daarop niet trots zijn, want: Wie trots is op zijn rijkdom zal ongeluk ondervinden. Trots is zelfverheffing, trots is pronkzucht, trots doet concessies aan ikcentraliteit. Trots tast dus de glans van de vaas aan en maakt haar opnieuw dof en kleurloos.

Als door middel van de praktische toepassing van de vijfvoudige universele Gnosis de rijkdommen verkregen zijn, dan moet het werk volbracht worden. Dan wordt aan dezulken toegang verleend tot de onmetelijke schatkamers van het universele leven. Dan wordt er in het meervoud gesproken. Dan wordt er gezegd: ‘Gij die de vaten des Heren draagt.’ En dan ontdekken wij dat het levende lichaam, dat gevormd wordt door zijn vele leden, in zijn krachtveld en door zijn bevrijdende magie dezelfde schatten ontvangt. En wat binnen in ons is, wordt tegelijkertijd buiten ons. Grenzen vallen weg en wij beleven de eenheid van en in het universele.

Zo wordt in de nacht het licht uitgedragen om hen die van de nacht zijn te wekken. Zo wordt in de nacht het licht geboren. Zo blijven zij die verkoren zijn tezamen om de kleuren van het licht kenbaar te maken, kleuren talloos in verscheidenheid.

Maar zij die van de nacht willen blijven, zijn verstoord, want zij wensen de kleuren van de vaas niet te aanschouwen en zij raken in verwarring. En uit de verwarring ontwikkelt zich de twijfel. En zij zeggen: ‘U hebt gisteren gezegd dat het groen was en vandaag zegt u dat het blauw is.’ En zij verstaan niet dat de zee, evenals de aquamarijn, vele kleuren toont, veelkleurig is, maar nochtans de zee blijft. Zij zijn de lichtschuwen, die nog geen ogen hebben om te zien.

Maar voort gaat het apostolische werk, want de kleuren van de vaas móeten kenbaar gemaakt worden. Voort gaat het apostolische werk dat universeel is. Het existeert in de glanzen van de volle dag en tegelijkertijd in de riolen van de nacht. Het staat in het brede veld van de apostolische broederschap, en het vangt aan in tweeëndertig die het gaan wagen en betrachten.

De nachtbewoners en de lichtschuwen vragen honend: ‘Waar blijft u nu met uw apostolisch licht?’ En wij zeggen: ‘Let slechts op de komende dingen, want zoals een bliksemschicht de donkerte verstoort en de mensen doet huiveren, zo zal in het gevormde slangenvuurkanaal de goddelijke astralis zich als een hemelvuur kenbaar maken aan het gehele lichaam. Het werk zal worden volbracht en de nieuwe naam gemaakt. En als het werk volbracht is, zullen de veroorzakers daarvan zich terugtrekken, de nacht overlatend aan de nacht.’

BESTEL DE CHINESE GNOSIS

DOWNLOAD THE CHINESE GNOSIS (FREE PDF)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *