Essay 4

Symbolen van de ziel, week 4

De ziel als reiziger, hoofdstuk 13 van Mysteriën en symbolen van de ziel

 

In alle culturen zijn er sprookjes, mythen, legenden en parabels bekend waarin mensen reizen. Veel van die reisverhalen verwijzen naar de grote innerlijke reis die de mens kan ondernemen.
Ze vloeien voort uit en sluiten aan bij een universeel verlangen dat in de mens aanwezig is: het onbewuste of bewuste verlangen naar de bron van alles. Het is een drang die zijn oorsprong vindt in de geestvonk nabij het hart, het middelpunt van de microkosmos.

Een uiterlijke reis van A naar B in een bepaald tijdsbestek is te zien als metafoor voor een innerlijke reis, het afleggen van een weg die voert tot bewustwording en vernieuwing. Op die reis ontwikkelt de mens als gevolg van kennis, ervaringen, beschouwingen en innerlijk weten een ruimer begrip over zichzelf, de wereld en de bron van alles. Door die bewustwording wordt hij of zij ontvankelijk voor energieën met een hogere frequentie die hem of haar transformeren. Degene die aankomt is daardoor iemand anders dan degene die vertrok. Dit komt tot uitdrukking in vele beroemde klassieke verhalen vol symboliek over de innerlijke weg die we zelf kunnen gaan zoals:

  • de uittocht van het volk Israël uit de slavernij in Egypte door de Rode Zee en de woestijn naar het beloofde land in 40 jaar zoals dat beschreven staat in het bijbelboek Exodus;
  • het leven van Jezus volgens de bijbelse evangeliën waarin hij in 33 jaar de weg ging van Bethlehem naar Golgotha;
  • de legende over de vierde wijze uit het oosten, Artaban, die de nieuw geboren koning niet kan vereren omdat hij op zijn reis lijdende medemensen helpt;
  • het lied van de parel in het apocriefe boek ‘Handelingen van Tho mas’ waarin een koningszoon door zijn ouders naar Egypte wordt gestuurd om een parel te halen;
  • middeleeuwse romans over ridders die op zoek gaan naar de heilige graal;
  • de reis van Dante Alighieri (symbool voor de persoonlijkheidsziel) in de goddelijke komedie (Divina Commedia) waarin hij door Vergilius (symbool voor de ziel) door de hel heen tot aan de top van de louteringsberg wordt gevoerd, en daarvandaan met zijn geliefde Beatrice (symbool voor de geestziel) het paradijs mag binnengaan;
  • het droomlied van de Noorse koning Olav Åsteson waarin hij op kerstavond (24 december) in slaap valt, de hele periode van de 13 heilige nachten en dagen slaapt en dan innerlijke ervaringen heeft die wel wat lijken op die van Dante in De goddelijke komedie;
  • de mysterieweg van zeven dagen die Christiaan Rozenkruis (symbool voor de persoonlijkheidsziel) gaat om aanwezig te zijn bij de alchemische bruiloft tussen de koningin (symbool voor de ziel) en de koning (symbool van de geestziel), zoals Johann Valentin Andreae dat beschrijft in zijn diep symbolische verhaal;
  • de weg die de houten pop Pinokkio (symbool voor de stoffelijke mens) moet gaan om door schade en schande en door weerstanden heen werkelijk mens te worden, aan het einde van het verhaal wordt Pinokkio een jongen.

Wie veel reist doet veel ervaringen op, wordt met zichzelf geconfronteerd en verliest misschien bepaalde vooroordelen. Reizen biedt je de mogelijkheid om naar jezelf te kijken tegen een andere achtergrond. Dat houdt niet automatisch in dat iemand die veel reist daardoor een wijzer en zielvoller mens wordt.

Er zijn mensen die meer tijd besteden aan het plannen en organiseren van hun vakanties dan aan het leven van hun leven. Vakantie kan heel heilzaam zijn voor de mens omdat hij of zij dan even leeg kan zijn van de dagelijkse beslommeringen en daardoor nieuwe krachten kan opdoen. Reizen kan ook een vlucht zijn uit het leven dat als saai en stressvol wordt ervaren. Daarom wordt er wel gezegd dat de dwaas zijn geluk in de verte zoekt en een wijze het onder zijn voeten kweekt.

De innerlijke reis

Als je jong bent is reizen een deel van je opvoeding; als je ouder bent is het een deel van je ervaring. In een mens kan er een moment komen dat er geen groot verlangen (meer) is naar uiterlijke reizen, maar dat de belangstelling voornamelijk uitgaat naar de innerlijke reis, naar het ontdekken en ervaren van nieuwe landstreken in het domein van de ziel. Grote denkers schreven en spraken over die innerlijke reis. Hieronder volgen vijf citaten:

  • Wij zijn geen menselijke wezens op een spirituele reis. We zijn spirituele wezens op een menselijke reis. (Stephen R. Covey)
  • De langste reis is de reis naar binnen voor de mens die zijn bestemming heeft gekozen.(Dag Hammarskjöld)
  • De spirituele reis bestaat niet in het bereiken van een nieuwe bestemming waar een mens verkrijgt wat hij niet had of wordt wat hij niet was. Deze bestaat uit het oplossen van onwetendheid omtrent het zelf en het leven, en de geleidelijke groei van begrip dat het begin vormt van een spiritueel ontwaken. (Aldous Huxley)
  • De reis die men onderneemt in het innerlijke leven is even lang als de afstand tussen leven en dood; het is de langste reis die men in zijn leven ervaart en men moet alles goed hebben voorbereid, zodat men niet hoeft terug te keren na een zekere afstand te hebben afgelegd. (Hazrat Inayat Khan)
  • Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld. Zonder uit mijn venster te kijken zie ik de weg van de hemel. Hoe verder je uit gaat, hoe minder je zult weten. Daarom, de wijze komt er zonder te lopen, noemt de dingen zonder ze te zien, en volmaakt zich zonder actie. (Lao Zi, 47)

Wanneer we de menselijke ziel vergelijken met een reiziger, is het belangrijk dat we daar een juist begrip bij hebben. De mens is een heel complex wezen. Hermes Trismegistus kenschetst hem zeer terecht als een groot wonder. Het menselijke lichaam is een majestueus organisme en een harmonieus ontwikkelde persoonlijkheidsziel is te ervaren als een zwakke afspiegeling van het Heilige. Maar een mens is in potentie nog veel meer! Hij is een microkosmos, de hele ordening van het heelal weerspiegelt zich in zijn eigen wezen.

Koets, paard, koetsier en passagier

We kunnen het menselijke lichaam en de drie graden van de ziel vergelijken met een koets die wordt getrokken door een paard dat wordt bestuurd door een koetsier om de plannen van de reiziger in de koets te kunnen realiseren. De koets symboliseert dan het stoffelijke lichaam. Het is een mooi voertuig dat wordt voortbewogen, aan slijtage onderhevig is, met reparaties in een redelijke conditie kan worden gehouden, maar op een gegeven moment moet worden afgedankt.

Het paard voor de koets is hier een symbool voor de persoonlijkheidsziel: een intelligent en gevoelig zoogdier met een eigen zelfbewustzijn en karakter dat de neiging heeft om zijn eigen impulsen te volgen. Dat wat wij ‘ik’ noemen is het paard. Nauwkeuriger geformuleerd: de vele ‘ikken’ in ons vormen tezamen het paard in de metafoor. Het ‘ik’ als zodanig is namelijk niet wezenlijk omdat het een sociale constructie is die nodig is om in de zintuiglijk waarneembare wereld en psychisch ervaarbare wereld te kunnen functioneren.

In ons leven spelen we allerlei rollen die passen bij een bepaalde context: kind, levenspartner, ouder, grootouder, burger, clublid, klant, werknemer, patiënt, enzovoort. Al deze rollen zijn ook niet wezenlijk en zijn te vergelijken met kleine draaikolkjes in een grotere draaikolk die we ‘ik’ noemen. Hoewel onze houding en ons gedrag per situatie verschilt, zijn we toch in staat te ervaren dat die rollen allemaal door dezelfde persoon worden gespeeld. Dat is maar goed ook, want anders zou er sprake zijn van een ernstige persoonlijkheidsstoornis.

Als spiritueel georiënteerde mensen op zoek gaan naar hun ware zelf, zoeken ze vaak in de dimensie van het paard, van de persoonlijkheidsziel, waar het niet te vinden is. Het is niet moeilijk om een spiritueel ik aan alle ikken toe te voegen, maar dat heeft met spiritualiteit niets te maken, maar meer met een poging om je beter te voelen, wat op zich natuurlijk niet verkeerd is.

Werkelijke spiritualiteit stelt altijd de dimensie van de ziel, van zuiver bewustzijn, centraal. Spiritualiteit gaat over verkrijgen van een ander, ruimer en hoger bewustzijn. In de metafoor staat de koetsier voor de ziel. Hij zou het paard moeten besturen, de persoonlijkheidsziel dus, maar in de praktijk blijkt vaak dat hij slaapt en dat het paard de baas is en de route bepaalt.

Ons probleem is dat we bijna automatisch vanuit een toestand van bewustzijnsvernauwing reageren op prikkels die vanuit de buitenwereld op ons af komen. We identificeren onszelf met ons stoflichaam (de koets) en onze persoonlijkheidsziel (het paard).

Sommige ikken hebben een functie en mogen er zijn, terwijl andere misschien minder goed te verenigen zijn met een spirituele weg. De ikken lossen na de dood van het stoffelijke lichaam
vanzelf op omdat ze gebaseerd zijn op vergankelijke vormen.

Werkelijke spiritualiteit is erop gericht om de identificatie met de ikken op te heffen zodat de ziel wakker wordt en de teugels in handen kan nemen. Dat heeft niet zozeer te maken met beheersen en onder controle houden, maar met een juiste afstemming tussen de koetsier en het paard. Het paard voelt dan haarfijn aan waar de koetsier heen wil. Als het paard zou bepalen waar de koets naartoe moet rijden, komt de passagier in de koets niet op de plaats waar hij wil zijn. De passagier in de koets staat voor de geestziel die iets van het goddelijke scheppingsplan begrijpt en over de mogelijkheden beschikt om mee te werken aan de uitvoering daarvan.

Wanneer de koetsier niet of niet goed luistert naar de wens van de passagier, bereikt de passagier niet wat hij wil bereiken omdat de koetsier dan zelf zijn weg en bestemming bepaalt. Het is dus belangrijk dat de ziel ontvankelijk wordt voor de impulsen die uitgaan van de geestziel. Daardoor wordt het mogelijk dat er een onsterfelijke persoonlijkheidsziel tot stand komt.

Ganzenbord

Het spirituele pad is een weg naar binnen, want je nadert de goddelijke kern van de microkosmos, de geestvonk. Dat komt op een bijzondere wijze tot uitdrukking in de symboliek van een klassiek bordspel: ganzenbord. Ganzenbord bestaat al sinds de veertiende eeuw en is meer dan alleen een kinderspelletje, het is te zien als een wijsheidsspel waarin de levensweg van de mens in vele symbolen wordt verbeeld. De spelers van het ganzenbord gaan hun levensweg met een reiskameraad: de gans. In veel culturen staat deze watervogel, die kan opstijgen en neerdalen als hij dat wil, symbool voor de menselijke ziel. Ganzen worden ook in verband gebracht met ziele-kwaliteiten als waakzaamheid, liefde en trouw. Bij onraad beginnen ze namelijk meteen te gakken en een ganzenpaartje blijft levenslang bij elkaar.

De Grieken brachten de gans in verband met Hera, Apollo, Eros en met Hermes (de boodschapper van de goden). In het oude Egypte was de gans de vogel die het legendarische kosmische ei legde. De wilde gans was het vervoermiddel door de lucht van Aziatische sjamanen, van de hindoe-god Brahma en van het jongetje Niels in het beroemde boek “Niels Holgersons wonderbare reis” uit 1906 van de Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf. Bij de oude Indianen staat de gans symbool voor de trektocht die leidt naar innerlijke verandering. En in het oude India staat de gans voor het verlangen van de ziel om bevrijd te worden van samsara, van het wiel van geboorte en dood, van reïncarnatie en karma.

De grondvorm van de meeste ganzenborden is een ovale voorstelling van een opgerolde spiraal die begint in de linker benedenhoek en tegen de klok in draait met twee of drie toeren naar binnen toe. Het middenveld, waarin aanvankelijk de spelregels stonden, blijft open. Door de eeuwen heen zijn ganzenborden steeds volgens min of meer dezelfde structuur samengesteld. Een bord telt 63 velden met nummers, waarvan 62 zich bevinden in van elkaar gescheiden vakken. Nummer 63 is het einddoel: de speler die dit als eerste bereikt, heeft gewonnen.

De nummers op het ganzenbord kunnen we zien als een verwijzing naar de leeftijd of een signatuur van de mens die wordt weergegeven door de betreffende aantal levensjaren. Het getal 63 geeft aardig weer welke leeftijd mensen destijds ongeveer bereikten en is tegelijkertijd symbolisch omdat het negen maal zeven jaren betreft. Negen is het grootste ééncijferige getal en drukt dus een volheid uit. Zeven is een heilig getal en verwijst onder andere naar de cycli van 7 jaar die in de ontwikkeling van de persoonlijkheidsziel kunnen worden onderscheiden.

In de leeftijdsperiode van 0 tot 7 jaar van een mensenkind wordt er vooral gewerkt aan de ontwikkeling van het fysieke lichaam. Deze eerste levensperiode eindigt met de tandenwisseling. Aan het etherlichaam, dat verband houdt met levensprocessen wordt vooral gewerkt in de leeftijd van 7 tot 14 jaar. Het kind kan zijn lichaam dan beter besturen en geslachtsrijpheid ontstaat. Van 14 t/m 21 jaar komt vooral het astrale lichaam, dat betrekking heeft op gevoelens en verlangens, tot ontwikkeling. Dan wordt de opgroeiende mens ook sterker verbonden met het karma van de microkosmos waarin hij woont.

Aan het mentale lichaam wordt vooral gewerkt in de periode van 21 t/m 28 jaar. Volgens de wet zijn mensen al op hun 18e jaar volwassen, maar uit onderzoek blijkt dat de hersenen pas zijn uit
gerijpt tussen het 24e en 30e levensjaar. Totdat het brein is volgroeid is er bij veel jong volwassenen nog geen optimaal functioneren van zogeheten executieve functies zoals beginnen, impulsen remmen, organiseren, plannen, aandacht richten en doorzetten.

Worden als een kind  

Op grond van al het voorgaande zou je misschien denken dat het laatste veld van het ganzenbord, nummer 63, staat voor de dood omdat de dood het definitieve einde is van het stoffelijke lichaam. Ganzenbord gaat echter over de wisselwerking tussen de persoonlijkheidsziel en de ziel, en de ziel kan niet sterven omdat zij deel uitmaakt van de eeuwigheid. Het middenveld gaat niet over de dood, maar over de overwinning.

Op het oudhollands ganzenbord van Jumbo zien we in het midden een jong meisje dat op haar
knieën bij twee ganzen zit en de voorste gans voert. Het jonge meisje kunnen we zien als de wedergeboren persoonlijkheidsziel, de voorste gans die gevoerd wordt als de ziel, en de andere gans als de geestziel.

In het jonge meisje kunnen we overgave van de persoonlijkheidsziel aan de ziel herkennen. Ook
kunnen we een verband leggen met het feit dat mensen in wie de ziel krachtig werkzaam is op kinderen lijken omdat ze open, onschuldig en leergierig zijn, en zich kunnen verwonderen en verheugen over alledaagse dingen. Dit doet denken aan de uitspraak van Jezus:

‘Wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan. Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk der hemelen.’ (Matteüs 18:4-5)

Bekering houdt in dat als gevolg van een innerlijke ommekeer het oude dat niet in overeenstemming is met het spirituele pad sterft. Op het ganzenbord staat de dood in vakje 58. Een speler die op dat nummer komt, moet helemaal opnieuw beginnen. Als de oude persoonlijkheidsziel niet al tijdens het leven gestorven is, sterft deze vrij snel na de dood van het stoffelijke lichaam. In de betrokken microkosmos moet dan, volgens het principe van
reïncarnatie, na verloop van tijd een nieuw stoffelijk lichaam geboren worden en een nieuwe persoonlijkheidsziel worden opgebouwd.

In de vakjes 1 t/m 62 is er wel wisselwerking tussen de persoonlijkheidsziel en de ziel, maar veel minder intens dan in het middenveld, het veld van de overwinning. Op de vakjes met een
veelvoud van negen en een veelvoud van negen minus vier staan ganzen. Die vakjes symboliseren momenten waarop er een vruchtbare interactie is tussen persoonlijkheidsziel en de ziel. Een speler die op zo’n vakje komt groeit sneller en mag het zelfde aantal vakjes verder als hij ogen heeft gegooid.

Een jong kind staat nog in contact met de wereld van de ziel, maar omstreeks het zesde levensjaar verzwakt die verbinding. Dat moet ook omdat het kind een persoonlijkheid moet opbouwen. Daarom staat op vakje zes de brug. Een speler die op de brug komt is gegroeid en mag verder naar vakje 12.

Het volgende vak met een speciale betekenis is de herberg op nummer 19. De jonge mens maakt zich los van het ouderlijk huis en gaat nieuwe sociale contacten aan in de herberg. Daarbij ontstaat nogal eens een fascinatie voor plezier en genot waardoor de ziel zich nog moeilijker in de persoonlijkheid kan uitdrukken. Dit werkt vertragend op de innerlijke ontwikkeling en daarom moet de speler die in de herberg komt een beurt overslaan.

Is dit alles

Wanneer iemand de leeftijd van dertig jaar net is gepasseerd is hij of zij meestal behoorlijk gesetteld met een levenspartner, kinderen, baan en bezit. Het is dan een flinke klus om alles in goede banen te leiden, zeker als er naast de drukte en de stress ook nog sprake is van emotioneel geladen conflicten. Belangrijke keuzes zijn gemaakt en er is begrip ontstaan over hoe de uiterlijke wereld in elkaar zit en werkt. Dan kan er een onbehaaglijk gevoel ontstaan dat treffend wordt verwoord in het lied ‘Is dit alles?’ van de Nederlandse band Doe Maar:

Ga zitten want ik wil eens met je praten
Ik ben allang niet meer zo blij als toen
Nee, schrik maar niet ik wil je niet verlaten, nee-hee
Er is iets en ik kan er niks aan doen

We komen niets tekort, we hebben alles
Een kind, een huis, een auto en elkaar
Maar weet je lieve schat wat het geval is, aha
Ik zoek iets meer ik weet alleen niet wat

Is dit alles
Is dit alles
Is dit alles wat er is

De ziel begint zich nu kenbaar te maken. Er is een dorst naar het levende water, naar de inspiratie van de ziel. Die dorst kan worden gelest bij de waterput op nummer 31. Het is belangrijk dat de reiziger op de levensweg daar de tijd voor neemt, en ook dat hij beseft dat hij zijn probleem niet zelf kan oplossen en dus hulp van anderen moet aanvaarden. Daarom mag hij pas weer verder als er een medereiziger bij de put komt.

Rond het 42ste levensjaar kan er zich een nieuwe crisis voordoen, een crisis die tegelijkertijd een kans is. De reiziger heeft het gevoel verstrikt te zijn geraakt in een doornstruik of een doolhof. Hij of zij ervaart wegen te hebben bewandeld die weinig voldoening meer schenken. Dan is het raadzaam om een paar stappen terug te doen, na te gaan waar het diepste verlangen naar uitgaat en daar aandacht aan te schenken. De reiziger die arriveert op vakje 42 met de doornstruik moet daarom terug naar vakje 39.

Tien jaar later, op vakje 52, kan de benauwenis die wordt ervaren in het uiterlijke leven zo groot zijn, dat de reiziger snakt naar bevrijding uit die gevangenis zodat de ziel weer vrij kan ademen. Hij staat dan open voor externe hulp in de vorm van bijvoorbeeld, boeken, lezingen, symposia, cursussen, verdiepingskringen en online-programma’s. De reiziger op dit vakje kan pas verder als hij door een andere reiziger is verlost.

De dood overwinnen

Vanaf dat moment is het essentieel dat de reiziger zich voortdurend bewust is van zijn sterfelijkheid, dat hij zijn levenskunst baseert op het adagium ‘memento mori’ of ‘gedenk te sterven’ om het ware leven te winnen, in overeenstemming met de dichtregels van de mysticus Angelus Silesius:

‘Als gij niet leeft in God, houdt dit dan vast voor waar:
dan zijt en blijft ge dood, al leeft ge duizend jaar.
‘k Erken u niet, o dood, – sterf ik te aller stonden,
zo wordt het ware leven pas door mij gevonden.’

De reiziger die innerlijk gestorven is, en dus vakje 58 (de dood) van het ganzenbord is gepasseerd, kan werken aan de wording van het opstandingslichaam, aan het weven van het gouden bruiloftskleed. Zo wordt de dood in spirituele zin overwonnen.

2 gedachten over “Essay 4

  1. Winnie

    Wat een prachtige tekst weer, en wat worden we omringd door symboliek! Nooit gedacht dat er zelfs in eenvoudige spelletjes zo veel symboliek verborgen ligt. Heel veel dank voor deze bijzondere tekst!

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *