Citaten en aforismen uit ‘Merkstenen’ – video over Dag Hammarskjöld, secretaris-generaal van de Verenigde Naties

BESTEL MERKSTENEN

Het diepzinnige, posthuum verschenen dagboek ‘Merkstenen’ van Dag Hammarskjöld (1905-1961), destijds secretaris-generaal van de Verenigde Naties, is wereldwijd voor velen een belangrijke bron van inspiratie en spiritualiteit. Hammarskjöld was integer, bestudeerde werken van christelijke mystici en had een sterk geloofsvertrouwen. Iets daarvan schemert door in een toespraak die hij in 1954 heeft gehouden voor de Canadese radio. Hij had persoonlijk te maken met de duivelse agenda van de superrijke machthebbers en is waarschijnlijk vanwege zijn verzet daartegen om het leven gebracht, via een vliegtuigongeluk. Hieronder volgen een selectie van citaten uit Merkstenen en de inleiding uit het boek.      

BESTEL MERKSTENEN

EEN SELECTIE VAN CITATEN UIT MERKSTENEN

  • Aanvaard nooit iets wat je krijgt door een concessie. Het leven geeft alleen aan de veroveraar. Je leeft op gestolen goed en je spieren verslappen.
  • Alleen de hand die doorstreept, kan waarheid schrijven.
  • Alleen die waardigheid is echt die niet verkleind wordt door de onverschilligheid van anderen.
  • Alles verbranden in het vuur van het heldere oog en toch hopen dat iets van hetgeen uit de as gehaald kan worden waardevol zal zijn.
  • Als de luister van de morgen overgaat in de vermoeidheid van de middag, als je beenspieren trillen van de inspanning, de weg eindeloos lijkt en plotseling niet meer gaat zoals je wilt; dan is dat het moment dat je niet mag aarzelen.
  • Als we allemaal aan de veilige kant blijven, scheppen we een wereld van uiterste onveiligheid.
  • Bid dat je eenzaamheid de prikkel wordt om iets te vinden waarvoor je kunt leven, groot genoeg om ervoor te sterven.
  • De demonen komen ongenood als het huis leeg staat. Voor andere gasten mag je netjes de deur openen.
  • De dwaas riep op het marktplein. Niemand bleef staan om te antwoorden. Zo werd bevestigd dat zijn stellingen onweerlegbaar waren.
  • De maatstaf voor de eisen die het leven stelt, is alleen je eigen kracht; je eventuele heldendaad dat je niet gedeserteerd bent.
  • Doe wat je kunt – en de taak zal licht in je hand rusten, zo licht dat je vol verwachting reikt naar de zwaardere proef die kan volgen.
  • Eenmaal buiten de kamer gesloten moet je niet door het sleutelgat gluren. Breek een deur open, of verdwijn.
  • Er is een punt waarop alles heel eenvoudig wordt en er geen sprake meer is van keuzes, want alles wat je hebt ingezet zal verloren gaan als je terugkijkt. Het moment in het leven van geen terugkeer mogelijk.
  • Ga niet na waar elk van je schreden je heen voert; alleen wie ver vooruitziet bereikt zijn doel.
  • Geen uitweg vindend maakte de hitte kolen tot diamanten.
  • Gemakkelijk om vriendelijk te zijn, zelfs tegen de vijand – uit gebrek aan karakter.
  • God is een handige formule op de boekenplank van het leven – altijd bij de hand maar zelden gebruikt.
  • God sterft niet uit als wij ophouden in God te geloven, maar wij houden op te leven als we niet meer verlicht worden door die dagelijkse, wondere ervaring van de levensbron, die alle begrip te boven gaat.
  • Het is belangrijker om inzicht te hebben in de eigen beweegredenen dan de motieven van de ander te begrijpen.
  • Het is erg gemakkelijk voor de wensen van een grote macht te buigen. Het is een andere kwaliteit die te weerstaan.
  • Het streven naar vrede en vooruitgang zal niet in een paar jaar eindigen in een overwinning of nederlaag. Het nastreven van vrede en vooruitgang, met haar probeersels en haar fouten, haar successen en tegenslagen, kan nooit worden versoepeld en nooit worden opgegeven.
  • Hoe dood kan een man zijn achter de façade van grote bekwaamheid, plichtsbetrachting – en ambitie! Prijs de onrust als teken dat er nog leven is.
  • Uiteindelijk is ons begrip van de dood bepalend voor onze antwoorden op alle vragen die het leven voor ons plaats. 
  • Iemand legde de weefspoel in je hand. Iemand had de draden geordend.
  • ‘Ik stel de voorwaarden.’ Onder dat teken leven geeft inzicht in de lijn van je leven – met als prijs eenzaamheid.
  • Ik verlang het absurde: dat het leven zin heeft. Ik vecht voor het onmogelijke: dat mijn leven zin krijgt.
  • Is je doel niet geheiligd door je innigste verlangen, dan zal zelfs een overwinning je smartelijk bewust doen zijn van je eigen zwakheid.
  • Je positie geeft je nooit het recht om bevelen te geven. Alleen de plicht om zo te leven dat anderen je bevel kunnen krijgen zonder vernederd te worden.
  • Je staat zonder steun als je in iets voor jezelf gekozen hebt.
  • Meet nooit een berg voordat je hem beklommen hebt. Dan pas zie je hoe laag hij is.
  • Ontken nooit je overtuigingen omwille van rust en stilte.
  • Toen Lucifer zich beroemde op zijn daden als engel werd hij werktuig van het kwaad.
  • ‘Vrij zijn van angst’ zou een samenvatting van de hele filosofie van de mensenrechten kunnen zijn.
  • Vroeger was de dood altijd een van de aanwezigen. Nu is het een tafelgenoot; ik moet zijn vriend worden.
  • Wat is de weg lang, maar al die tijd, hoezeer heb ik die nodig gehad om te weten waar hij mij voorbij voert.
  • Wat je moet durven – jezelf te zijn. Wat je ermee zou kunnen winnen – dat de grootheid van het leven zich in jou weerspiegelde naar de mate van je zuiverheid.
  • Wat vrees ik? Als ze mij treffen en doden, wat valt er dan te betreuren? Anderen zijn voorgegaan. Anderen volgen.
  • We dragen een nemesis in onszelf; de bewondering die je gisteren voor jezelf had is de legitieme vader van de schuld van vandaag.
  • Wie zijn tuin schoon wil houden reserveert geen grond voor onkruid.
  • Zoek de dood niet. De dood zal jou vinden. Maar zoek de weg die de dood tot een vervulling maakt.

INLEIDING DOOR HEIN BLOMMESTIJN EN JOS HULS 

Dag Hammarskjöld werd op 29 juli 1905 als vierde zoon geboren uit een oude adellijke Zweedse familie, die het land eeuwenlang ambtenaren en militairen heeft geschonken. Zijn vader, Hjalmar, was een begaafd jurist die al zeer jong hoogleraar werd in Uppsala. Hoewel geen partij-politicus, vervulde hij vele belangrijke functies: lid van de Raad van State en van de Hoge Raad, ambassadeur, gouverneur van Uppsala, minister. In 1914 werd hij minister-president tot hij in 1917 onder politieke druk moest aftreden. Zijn persoonlijkheid kan als volgt gekarakteriseerd worden: conservatief, een lutheraan die veel belang hechtte aan plichtsbetrachting, een groot maar gehaat politicus, slecht in staat tot directe en warme contacten. 

Zijn moeder, Agnes Almquist, was daarentegen warm en uitbundig. Zij behoorde ook tot de lutherse kerk, maar was in plaats van dogmatisch veeleer gevoelsmatig geëngageerd. Zij was nauw bevriend met de bekende theoloog en aartsbisschop van Uppsala Nathan Söderblom. 

Dag studeerde in Uppsala literatuurgeschiedenis, filosofie, Frans en economie. Hij was zeer begaafd en scherpzinnig. In 1933 promoveerde hij in Stockholm op een proefschrift over ‘conjunctuurspreiding’. Daarna maakte hij snel carrière als ambtenaar: secretaris van een werkloosheidscommissie, secretaris-generaal van het ministerie van Financiën, president van de raad van bestuur van de Nationale Bank, staatssecretaris van Financiën. Samen met de grote socialistische politicus Ernst Wigfors was hij de grondlegger van het Zweedse model van ‘geleide economie’. 

In 1945 werd hij adviseur van de ministerraad voor financiële en economische kwesties. Verschillende keren was hij voorzitter van onderhandelingsdelegaties naar het buitenland. Daarna werd hij secretaris-generaal op het ministerie van Buitenlandse Zaken en in 1951 minister zonder portefeuille ter assistentie van de minister van Buitenlandse Zaken in economische aangelegenheden. In 1951 was hij ook plaatsvervangend voorzitter van de Zweedse delegatie naar de zesde zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in Parijs. Eigenlijk geheel onverwacht werd hij op 7 april 1953 gekozen tot secretaris-generaal van de Verenigde Naties, op voorstel van de Veiligheidsraad (31 maart). 

Door de benoeming van een efficiënte, bekwame en schrandere ambtenaar hoopte men deze topfunctie te beperken tot hoofdzakelijk uitvoerende en administratieve taken. Dag Hammarskjöld ontpopte zich echter als een groot politicus die actief en creatief was, vele initiatieven nam, niet gauw terugschrok voor gevaarlijke situaties en opgewassen bleek tegen sterke politieke druk en zeer negatieve reacties. Op internationaal gebied was het een bewogen tijd: Korea, het Midden-Oosten, Suez, Hongarije, Libanon, Laos en vooral de Congo-crisis. Overal probeerde hij te bemiddelen en zocht hij naar vreedzame oplossingen. 

Hij was een man met grote culturele en literaire belangstelling. Hij was een intellectueel die zich bij uitstek aangetrokken voelde tot grote denkers en schrijvers. Rond zijn vijfentwintigste las hij al Meister Eckhart, Martin Buber, Augustinus, Jan van het Kruis, Bergson, Rivière, Claudel, Bloy en Péguy. De Navolging van Christus van Thomas a Kempis en werk van Eckhart vergezelden hem vaak op zijn reizen. Ook vertaalde hij graag. 

Daarnaast koesterde hij een intense liefde voor de bergen: hij hield van het gevaar en de spanning, maar ook van het licht en de wind op de steile berghellingen. Hij kwam er steeds weer als herboren uit tevoorschijn. 

Zijn karakter kan als volgt getypeerd worden: hij was onwrikbaar rechtschapen, had een sterk verantwoordelijkheidsgevoel, was moreel zeer veeleisend, had een dwingende charme, was zacht, fijngevoelig, verlegen, vriendelijk, maar ook arrogant en moeilijk in staat tot warme en vriendschappelijke contacten. 

Op 17 september 1961 kwam hij om bij een vliegtuigongeluk tijdens de Congo-crisis toen hij van Leopoldstad in de Republiek Congo naar Ndola in Rhodesië vloog. Tot op de dag van vandaag is de oorzaak van het ongeluk onopgehelderd. 

Na zijn dood werd het boek Merkstenen in de vorm van een getypt manuscript aangetroffen in zijn woning te New York. Hierin schetst hij door middel van dagboekaantekeningen zijn geestelijke weg, zijn reis naar binnen. Reeds in 1925, twintig jaar oud, schreef hij: 

‘Verder word ik gedreven,
een onbekend land in.
De grond wordt harder,
de lucht prikkelender, kouder.
Aangeraakt door de wind, die mij toewaait
van mijn onbekende doel trillen de snaren
in afwachting.’

Deze eerste tekst van Merkstenen schijnt op een hoogst merkwaardige wijze tot rust te komen in de laatste aantekeningen die hij voor zijn dood maakte: 

‘De seizoenen wisselden en het licht
en het weer
en het uur. 
Maar het is hetzelfde land.
En ik begin de kaart te kennen en de windstreken.’

Deze inclusie omsluit het reisverhaal van zijn leven. Het toeval van zijn tragische dood sloot een zoektocht af naar de diepten van zijn bestaan. Daartussen, ongrijpbaar voor de nieuwsgierige blikken van de lezer, heeft hij de intense ervaring gehad aangeraakt en omgevormd te zijn: 

’tweemaal was ik op de kammen, woonde ik bij het binnenste meer en volgde ik de stroom
naar de bronnen.

Te midden van alle drukte en de spanningen die zijn taak als secretaris-generaal van de VN met zich meebracht, heeft hij in het voorjaar van 1957 de aantekeningen van de voorgaande jaren bijeengebracht en geordend. Het waren vaste punten die niet verloren mochten gaan, en die voor hemzelf en voor mogelijke lezers de weg van zijn leven markeerden. Hierin getuigt hij van de wonderen die in hem hadden plaatsgevonden. Geen verhaal van intense religieuze ervaringen en van mystieke extases, maar wel het geleidelijke en onopvallende proces waarin een hooghartig, pretentieus en eenzaam man de weg leert gaan van totale zelfovergave en van belangeloze liefde. 

Deze weg was niet vanzelfsprekend en niet het resultaat van zijn eigen inspanningen. Boeken van mystici dienden hem als gids op deze ongebaande weg, maar het was zijn eigen mystieke ervaring die hem verder deed gaan dan mogelijk was op grond van zijn affectief begrensde per- soonlijkheid en rationele nuchterheid, van zijn ethische idealen en zijn religieuze denk- en ervaringskader. Hij ging een weg die hij menselijk gesproken op grond van zijn eigen kracht en mogelijkheden niet kon gaan. Hij ging op weg, maar al gaande baande de weg zich in hem van de overzij, zoals hij schreef in 1951. 

Daarom is Merkstenen een moeilijk boek: het is geen uitgebreid, chronologisch verhaal van gebeurtenissen, maar het zijn korte en soms duistere opmerkingen die de lezer menigmaal op een dwaalspoor brengen. Het eigenlijke verhaal speelt zich tussen de regels af. De rode draad kan slechts moeizaam ontdekt worden. Subtiele verschuivingen en variaties op hetzelfde thema, die bij oppervlakkige lezing onopgemerkt blijven, brengen de afgelegde weg tot uitdrukking. 

Zoals ieder mystiek werk moet Merkstenen daarom gelezen en herlezen worden. Iedere nieuwe lezing kan onvermoede aspecten en betekenislagen ontsluiten in deze gecondenseerde en paradoxale tekst. Slechts langzaam worden voor de geduldige en aandachtige lezer de contouren van het innerlijk landschap, dat slechts summier wordt aangeduid, herkenbaar. 

De visie van Hammarskjöld is geleidelijk tot stand gekomen doordat verschillende lagen van ervaring ineengevloeid zijn tot een harmonisch geheel: zijn langdurige lezing en overweging van de christelijke middeleeuwse mystieke traditie, het denken van moderne schrijvers, sterke liturgische wortels en een grote vertrouwdheid met de psalmen, en ten slotte een diepgaand proces van het zich eigen maken van het evangelie. Samen met de cultuur die hem droeg en bepaalde, en de karaktertrekken van zijn persoonlijkheid, hebben deze lagen van ervaring geleid tot een eigen mystiek proces dat herkenbaar is voor de moderne mens. 

De ervaringen die Hammarskjöld in de bergen opdeed, hebben in belangrijke mate bijgedragen aan zijn persoonlijke synthese van de kruismystiek van Paulus en de lichtmystiek van Johannes. Bij hem is er geen sprake van een natuurmystiek in de zin dat de volheid van de goddelijke aanwezigheid geproefd wordt in de natuur-zonder-meer. Hammarskjöld verkeert niet in een soort extase over de schoonheid van de natuur. Toch speelt de natuur een belangrijke rol in zijn leven, want in het licht en de wind van zijn bergtochten van 1951 heeft hij de betekenis en de mogelijkheid ervaren van het christelijk offer en van de totale zelfovergave. 

De ervaring van het licht en de wind van het evangelie van Johannes verstrengelt zich met de concrete en tastbare ervaring van de berghellingen. De traditie, de natuur, het moderne denken en de politiek worden tot één mystiek ervaringspatroon. Vanaf 1951 verdiept de lijn van zijn natuurervaringen zich steeds verder. Hij dringt tegelijk steeds dieper door in het mysterie van Jezus, die zijn leven gaf in totale zelfvergetelheid. Hoewel verborgen in het weefsel van de tekst, blijkt duidelijk dat er iets fundamenteels is gebeurd met Hammarskjöld. 

Wanneer hij op 9 april 1953 door Trygve Lie verwelkomd wordt in New York om the most impossible job on this earth te vervullen, beleeft Hammarskjöld deze taak als een roeping. Hij bouwt niet langer aan een eigen carrière, maar hij stelt zich als werktuig beschikbaar voor de komst van God. 

De worsteling van het loslaten 

Dag Hammarskjöld heeft zijn hele leven moeten vechten voor de zin van zijn leven. Gedachten aan zelfmoord waren hem niet vreemd. Tegelijk was hij een streber: hooghartig zag hij neer op andere mensen. Zeer bekwaam als hij was, bewonderde hij zichzelf en eiste hij respect en bewondering van anderen. Hij wilde zelf de zin van zijn leven opbouwen door hetgeen hij presteerde. 

In jaren van pijnlijke worsteling heeft hij moeten leren zichzelf los te laten en van zichzelf vrij te worden. Dit was niet ‘iets’ wat hij kon doen: een nieuwe prestatie, de heldendaad van het persoonlijke offer. Integendeel: de worsteling van het loslaten was een lange weg van het steeds verder ontmaskeren van alle dubbelzinnigheden. Maar vooral ook moest hij passief ontmaskerd worden door hetgeen hem overkwam. Het negatieve en de pijn hoef je immers niet te zoeken, want die zoeken jou wel (6.10.1957). Steeds opnieuw moet Hammarskjöld afscheid nemen van zichzelf en wordt hij ten diepste vrij door de elk moment herhaalde zelfovergave. 

Hoewel Hammarskjöld oorspronkelijk veeleisend was tegenover zichzelf en zelf de weg van heiliging wilde gaan, heeft hij ervaren dat deze zelfgekozen ascese een laatste poging was om zich vast te klampen aan zichzelf en aan eigen veiligheid. Het schijnbaar negatieve oordeel over zichzelf was geen resultaat van melancholische en masochistische zelfverachting, al was een zekere zwaarmoedigheid hem niet vreemd. Hierin uit zich veeleer de absolute eis van hem die eenmaal is aangeraakt door Gods hand en die van binnenuit ervaart dat ieder compromis onmogelijk is geworden. 

Het ja zeggen van de overgave 

Hammarskjöld ervaart dat hij ooit ja heeft gezegd: ‘(…) eens zei ik ja – tegen iemand of iets’ (Pinksteren 1961). Hoe dat gebeurd is, weet hij niet. Het was groter dan hijzelf. Het is een ja waarin hij zichzelf slechts kan laten vallen: alléén en zonder enig houvast. Hij beseft dat dit alles te maken heeft met de mystieke traditie. Zeker, hij heeft zijn eigen jawoord willen spreken. 

Zijn verkiezing tot secretaris-generaal van de Verenigde Naties heeft hij ervaren als het jawoord op een roeping. Toch wist hij dat dit geen actieve daad was, die hij op eigen kracht stelde. Het ja overkwam hem, werd hem geschonken en ontstond in hem voorbij en dieper dan ieder woord dat hij zelf kon spreken. De weg heeft hem gekozen op een ongrijpbaar en onnoembaar ogenblik. Terwijl het diepste ja eerst vóór hem lag als een stap die moed vereiste, kon hij er vervolgens op terugkijken zonder dat hij het zich als verdienste kon aanrekenen: 

‘Daarna had het woord ‘moed’ voor mij zijn zin verloren, omdat niets me meer ontnomen kon worden (Pinksteren 1961).

Hij besefte dat het ja daartussenin moest liggen als de passieve daad van zijn totale overgave. Dit ja dat hem overkomen was, had hem immers fundamenteel omgevormd. De eenvoudige en simpele woorden van het Onze Vader weven zich steeds meer door zijn spreken heen als uitdrukking van dit ondeelbaar ogenblik van overgave. 

Mystieke ervaring als ontmoeting van liefde 

Het gevolg van deze mystieke overgave is een groeiende mogelijkheid tot waarachtig beminnen. De liefde is immers niet vanzelfsprekend of gemakkelijk. Naarmate de liefde ontdaan wordt van eigen dubbelzinnigheden, ervaart hij te beminnen ‘zonder waarom’. De ander is geen middel meer, maar wordt tot heilig doel. De ander heeft waarde en waardigheid in zichzelf. Dat is onafhankelijk van wat hij geeft, dat wil zeggen van zijn gebruikswaarde als vervulling van onze verlangens en behoeften. Al was Hammarskjöld een eenzaam man en is hij altijd vrijgezel gebleven, toch heeft hij in de concreetheid van deze onbaatzuchtige liefde zijn overmachtige tegenstander gevonden: 

De liefde die de objectloze uitstroom is van een door onderwerping bevrijde kracht maar die een sublieme vorm van buitenmenselijke zelfhandhaving zou blijven, machteloos tegenover het negatieve in je, als zij niet werd ingetoomd door de tucht van een menselijke intimiteit en gevuld werd door de innigheid daarvan (10.6.1956). 

Deze veeleisendheid van de liefde leidt niet tot zoete vervulling, maar loopt onvermijdelijk uit op ware zelfvergetelheid. Het is slechts in de nacht van het naakte geloof – duister, onbegaanbaar en ontdaan van ieder steunpunt – dat de Ander waarlijk ontmoet kan worden. Zelfs dit geloof kan dan niet meer gezocht worden. Er is niets meer en er valt niets meer te verliezen: slechts licht en wind op de steile berghelling waarop je naakt tevoorschijn treedt! 

Mystieke inzet als vorm van doorschijnendheid 

Deze vrijheid van de liefde die niet teruggrijpt op zichzelf en die niets als middel gebruikt voor zichzelf, maakt de mens vrij tot handelen. Eindelijk! Zonder angst, zonder compromis, ‘aan de grens van het ongehoorde’. De mystieke mens hoeft anderen niet meer te manipuleren, te gebruiken of te onderdrukken voor zichzelf. Hij kán het niet meer, want hij bemint hen immers niet meer ter wille van zichzelf. Deze vrijheid en belangeloosheid maakt de mens doorschijnend: hij wordt het werktuig van Gods handelen, steeds meer en steeds verder, in totale overgave. 

Op deze wijze is de mens niet langer heimelijk zelf het doel van zijn inzet. Hij zoekt niet meer de waardering van anderen, van zichzelf of zelfs van God. Mystiek leidt daarom niet tot passief nietsdoen, maar tot een passieve activiteit die onbegrensd lijkt en grenst aan het roekeloze en het onverantwoorde. In deze fase waarin hij niets meer te verliezen had, kon Hammarskjöld komen tot een politieke inzet die dwars inging tegen de bestaande politieke machten en die wars was van iedere berekening. 

De weg die hij ging 

Merkstenen als geheel schildert de mystieke weg die Hammarskjöld moeizaam gegaan is. Begin 1954 heeft hij in een programma van de Canadese radio onder redactie van Edward R. Murrow rekenschap afgelegd van deze weg. Juist deze tekst van Hammarskjöld zelf, kan dienen als inleiding op de lezing van Merkstenen. 

Bron: Merkstenen door Dag Hammarskjöld

BESTEL MERKSTENEN