Tekst van het droomlied van Olav Åsteson – vertaling van Bernard Lievegoed – schilderijen van Veronica Vos

In de noordelijke mysteriën maakten kandidaten inwijdingen door als gevolg van ontmoetingen met de grote krachten in de natuur. Daardoor kwamen ze tot een intens beleven van zelfkennis. Zonder voorbereiding, gericht op zelfkennis, op het leren verdragen van het inzicht: ‘Zo ben ik,’ zou de ontmoeting met de ideale mensheidsgestalte te verpletterend zijn. Wie echter geleerd had zijn zelfvertrouwen te behouden, ondanks de zelfkennis, wie zijn dubbelganger had leren aanvaarden, die kon door de ontmoeting met de grote wachter op de bemoediging ontvangen: ‘Zo kan de mens worden!’ Wie die ontmeoeting heeft gehad, weet hoe onvolkomen hij is, maar hij heeft tegelijkertijd de onvergankelijke kracht gekregen te blijven streven naar vervolmaking in alle levensomstandigheden en hij weet dat hij geholpen wordt door Christus, ‘de koning van de elementen’.

Van de noordelijke inwijdingsweg is door toeval een rest bewaard gebleven. Het is het lied van Olav Åsteson, ‘die eens zo lang sliep’. Hieronder volgt een Nederlandse vertaling van een samenvatting van dat lied door Bernard Lievegoed uit zijn boek ‘Mens op de drempel, mogelijkheden en problemen bij innerlijke ontwikkeling’ uit 1983. De schilderijen over het verhaal zijn gemaakt door Veronica Vos.

1.

Zo hoor mijn zang!
Ik wil u zingen 
Van een flinke jongeman:
Dat was Olav Åsteson
Die eens zo lang sliep,
Over hem wil ik zingen.

2.

Hij ging ter ruste in de Kerstnacht.
een diepe slaap beving hem dra,
en hij kon niet ontwaken
Voor op de dertiende dag
Het volk ter kerke ging.
Dat was Olav Åsteson
Die eens zo lang sliep,
Over hem wil ik zingen.

Hij ging ter ruste in de Kerstnacht,
Hij heeft zeer lang geslapen,
Ontwaken kon hij niet
Voor op de dertiende dag
De vogel zijn vleugels spreidde.
Dat was Olav Åsteson
Die eens zo lang sliep,
Over hem wil ik zingen.

Niet kon ontwaken Olav
Voor op de dertiende dag
De zon de bergen overscheen.
Toen zadelde hij zijn snelle paard
En haastig reed hij naar de kerk.
Dat was Olav Åsteson
Die eens zo lang sliep,
Over hem wil ik zingen.

Reeds stind de priester aan het altaar,
Bereid de mis te lezen,
Toen in het kerkportaal
Zich Olav neerliet om te verkondigen
De inhoud van zijn vele dromen
Die in de lange slaap
Zijn ziel vervulden.
Dat was Olav Åsteson
Die eens zo lang sliep,
Over hem wil ik zingen.

En jonge en oude mensen,
Zij luisterden gespannen naar de woorden
Die Olav sprak over zijn dromen.
Dat was Olav Åsteson
Die eens zo lang sliep,
Over hem wil ik zingen.

3.

Ik ging ter ruste in de Kerstnacht,
Een zware slaap ontving mij dra,
En ik kon niet ontwaken
Voor op de dertiende dag
Het volk ter kerke ging,
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Verheven werd ik in wolkenhoogten
En de afgrond van de zee geworpen,
En wie mij begeleiden wil
Die heeft niets vrolijks te verwachten.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Verheven werd ik in wolkenhoogten
Gestoten dan in troebele moerassen,
Schouwen de afgrond van de hel
En ook het hemels licht.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Afdalen moest in aarde-diepten,
Waar brullend razen goddelijke stromen.
Te zien vermocht ik niet
Maar horen kon ik het bruisen.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Mijn zwarte paard hinnikte niet,
En ook mijn honden blaften niet,
Er zong geen ochtendvogel
Een groot wonder was om mij heen.
De maan scheen helder

En verre strekten zich de wegen.
Ik moest het geestgebied doortrekken,
De wijde vlakte van de doornenheide.
Verscheurd werd mijn scharlaken mantel
En ook de nagels van mijn voeten.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Toen kwam ik aan de Gjallardbrug.
In hoogste windgebieden deze hangt,
Met ’t rode goud is hij beslagen
En hij heeft spijkers met scherpe punten.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Daar sloeg mij de geestesslang.
Beet mij de geesteshond
De stier stond midden op het pad,
Dat zijn de wezens van de brug:
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Bijten wil de hond,
En steken wil de slang,
De stier dreigt geweldig.
Ze laten niemand door
Die waarheid niet wil eren.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Ik ben gegaan over de brug,
Die smal is en duizelingwekkend.
Door moerassen moest ik daarna waden,
Zij liggen nu achter mij.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Door moerassen moest ik waden,
Zij schenen bodemloos de voet.
Toen ik de brug overschreed
Voeld’ ik aarde in mijn mond,
Als doden in het graf.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Aan water kwam ik toen,
Waarin als blauwe vlammen
De ijsmassa’s opvlamden …
En God gaf mij geleide
Dat ik die streek vermeed.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Naar ’t winterpad richtte ik mijn schreden,
Ter rechterzijde zag ik het.
Ik keek als in het paradijs,
Dat reeds van verre straalde.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

En Gods hoge moeder,
Die zag ik daar in al haar glans.
Naar Brooksvalin te rijden,
Zo wees zij mij, verkondigend
Dat zielen daar het wereldoordeel ondergaan.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

4. 

In andere werelden vertoefde ik
Door vele bange nachten,
En God alleen kan weten
Hoeveel ellende ik daar zag.
In Brooksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.

Ik kan daar zien een jongeman,
hij had een kind vermoord:
Nu moest hij het eeuwig dragen
en in zijn armen koesteren.
Hij stond tot diep in het moeras.
De maan scheen helder
En verre strekten zich de wegen.

Een oude man ook zag ik,
Die droeg een mantel zwaar als lood:
Zo werd hij gestraft dat hij
In gierigheid op aarde leefde.
In Brooksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.

En mannen doken op
Die vurige kleden droegen;
onredelijkheid drukte
Op hun arme zielen.
In Brooksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.

Ook kinderen kon ik zien,
Met gloeiende kolen onder hun voeten;
Hun ouders deden zij kwaad,
Dat trof zeer zwaar hun geesten.
In Broksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.

Ook werd mij toen geboden
Te naderen het huis,
Waar heksen dwangarbeid verrichten
In ’t bloed dat zij vergoten.
In Brooksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.
In Brooksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.

Uit het noorden kwamen
Gereden in wilde scharen
De boze geesten,
Door de hellevorst geleid.
In Brooksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.

Wat uit het noorden kwam
Scheen wel het allerergste:
Voortaan reed hij, de hellevorst,
Op ’t zwarte hellepaard.
In Brooksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.

Doch uit het zuiden kwamen,
Verheven in hun rust,
Heel andere scharen;
Voortaan reed Michaël,
aan Jezu Christi zijde.
In Brooksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.

De zielen beladen met zonden,
Zij moesten angstig sidderen.
De tranen vloeiden overvloedig,
Gevolg van slechte daden.
In Brooksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.

In hoogheid stond Sint-Michaël
En woog de mensenzielen
Al op zijn zondenweegschaal,
En richtend stond daarnaast
De wereldrechter Jezus Christus.
In Brooksvalin, waar zielen
Het wereldoordeel ondergaan.

5.

Hoe zalig is wie tijdens ’t leven
De armen schoenen schonk;
Hij hoeft nu niet met naakte voeten
Te trekken door het doornenveld.
Daar spreekt de wijzer van de weegschaal,
En wereldwaarheid klinkt op in ’t geestelijk zijn.

Hoe zalig is wie tijdens ’t leven
De armen brood schonk;
Hem kunnen de honden
In gene wereld niet benaderen.
Daar spreekt de wijzer van de weegschaal,
En wereldwaarheid klinkt op in ’t geestelijk zijn.

Hoe zalig is wie tijdens het leven
De armen graan geschonken heeft;
Hem kunnen niet bedriegen
De scherpe horens van de stier
Bij ’t overschrijden van de Gjallardbrug.
Daar spreekt de wijzer van de weegschaal,
En wereldwaarheid klinkt op in ’t geestelijk zijn.

Hoe zalig is wie tijdens het leven
De armen kleren reikte;
Hem kan niet het ijs in Brooksvalin
De leden doen bevriezen.
Daar spreekt de wijzer van de weegschaal,
En wereldwaarheid klinkt op in ’t geestelijk zijn.

En jonge en ook oude lieden,
Zij luisterden naar deze woorden
Die Olav sprak over zijn dromen.
‘Je sliep heeel lang…
En nu: ontwaak,
O Olav Åsteson.

Bron: Mens op de drempel, mogelijkheden en problemen bij innerlijke ontwikkeling’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *