De tempel van Osiris – hoofdstuk 3 van ‘Het universele pad’ door J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri

 

BESTEL HET UNIVERSELE PAD

De onderstaande tekst is hoofdstuk 3 uit het boek Het universele pad dat J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri publiceerden aan het einde van de de jaren veertig in de twintigste eeuw. Daarin geven deze stichters van de geestesschool van het Rozenkruis hun visie op De tempel van Osiris.

Van de vroegste tijden af vinden wij in de heilige taal veel beschrijvingen van tempels en tempelbouw. Er is zelfs sprake van gehele tempelsteden. Deze verhalen beheersen soms alle wijsheid die de heilige taal de mensheid wil doorgeven. Denk maar aan het Oude Testament waarin de tempelstad Jeruzalem het overheersende beeld is, en aan de tempelbouw waartoe de glorieuze koning Salomo het initiatief neemt.

Ook in het Nieuwe Testament is het wederom Jeruzalem, dat het hart vormt van het Christusdrama. Het nieuwe Jeruzalem, waarnaar het wezen van de ware christen hunkert, is het eindbeeld van het Openbaringenboek, omdat de ware christen weet dat met Jeruzalem de alopenbaring in veiligheid gegrondvest ligt.

Ontdaan van alle mystificatie staat het voor het besef van de esoterische student vast dat al deze verhalen en verwijzingen over en naar tempels en tempelsteden betrekking hebben op de menselijke tempel die moet worden gebouwd. Een tempel waarin de God, die in ieder mens is, en de Logos elkaar kunnen ontmoeten, om het grote mensheidswerk te kunnen verrichten.

Wij lezen steeds dat, wanneer de tempel niet kan voldoen aan de hoogste eis die de goddelijke wet stelt, deze tempel moet worden afgebroken, opdat er een nieuwe zal kunnen oprijzen, die wél in overeenstemming is met het goddelijke bedoelen. Vandaar dat de wereldhistorie vol is van legendarische verhalen over verwoestingen van tempelsteden en pogingen ze te herbouwen. Ook is er sprake van tijdelijke woonplaatsen en bouwwerken, die als overbrugging moeten dienen tussen het afkeurenswaardige nu en het noodzakelijke straks.

Een sprekend voorbeeld hiervan is de tabernakel in de woestijn. Als de mens nog midden in zijn woestijngang staat, is het hem gegeven iets van het ware heiligdom te bezitten en daardoor iets te verstaan van het getuigenis van de nieuwe levensordening, mits hij het maar bouwen wil. Dat is het grootse en het liefdevolle van de goddelijke heilsopenbaring, dat zij in de gebrokenheid een weg wijst en de met schuld beladen mens in zijn woestijn een tabernakel schenkt. Dit is een tijdelijke woonplaats voor de centrale krachten van de microkosmos, die het regeneratieproces moeten volbrengen, waardoor de wetten van de nieuwe levensorde vervuld kunnen worden.

Dit regeneratieproces is voorwaarde, want zodra men de tempelbouw en de tempelstad, bedoeld in de universele taal, verbindt met de tempels van hout en steen en men deze aardse, grofstoffelijke kathedralen centraal stelt in de menselijke bezinning, kan de goddelijke openbaring daarin weinig kracht meer doen.

Er behoeft natuurlijk geen bezwaar te bestaan tegen vergaderplaatsen en de schoonheidsnormen volgens welke deze werden en worden gebouwd om het heilige doel te accentueren, doch als de tempel van steen alles is en de roep tot menselijke tempelbouw in het gedrang komt, dan is de neergang van alle menselijke metafysica reeds ingezet.

Het mag u dus duidelijk zijn dat, als wij u in de School van het Rozenkruis voor de bouw van de universele tempel stellen, het daarbij gaat om de tempelbouw, de nieuwe tempelbouw in de eigen mikrokosmos, naar de goddelijke roep van alle eeuwen.

Als wij de godsbemoeienis met de mensheid in het verleden en tot op dit moment mogen vergelijken met een pad, dan zien wij op dit pad een onafzienbare rij tempels staan. Zonder uitzondering symboliseren zij de universele menselijke tempel, die door regeneratie, door wedergeboorte, moet worden verkregen. Als er op dit pad een nieuwe tempel wordt gebouwd, als prototype voor zoekende leerlingen, is het nieuwste type toch steeds weer een getrouwe nabootsing van een ouder type, ook al worden enkele uiterlijke vormen aan de levensnormen van het moment aangepast.

Daarom is er maar één tempel die steeds weer moet worden gebouwd en die geheel veilig is gesteld in het begrip vrijmetselarij. Een vrijmetselaar is iemand die de universele tempel in zijn mikrokosmos herbouwt. Als men de titel ‘vrijmetselaar’ toekent aan iemand die dit werk, dit ene en uitsluitende bouwwerk, niet verricht, het althans niet probeert door zich in het proces te begeven, dan draagt zo een de naam van vrije metselaar geheel ten onrechte. Precies zoals iemand de naam ‘christen’ volledig ten onrechte kan dragen, zoals u weet.

Ook is het afkeurenswaardig en zelfs in vele opzichten een bespotting als men het universele karakter van de goddelijke tempelprojecties niet ziet of niet zien kan en zich dan vastklemt aan een van de projecties. Want u moet er wel op letten dat de mensheid in haar dialectische reis steeds verandert. Het raslichaam wijzigt zich steeds en daardoor zijn de biologische en geestelijke verhoudingen aan schier talloze veranderingen onderhevig. Daarom moet de goddelijke projectie van het ene grote doel daarmee gelijke tred houden. De leerling die het levenspad gaat, moet daarvoor steeds open zijn. Hij moet in de vrijheid staan, opdat hij van uur tot uur de goddelijke sprake zal kunnen verstaan.

Daarom is het hopeloos en volstrekt verkeerd zich bij een van de projecties uit het verleden op te houden, om zich daaraan vast te grijpen en uit te roepen: ‘Dit is het ene, dat wat wij nodig hebben.’Men mag met eerbied de arbeid van de groten uit het verleden aanschouwen en, zoals vanzelf spreekt, met innige dankbaarheid denken aan alles wat in God openbaar werd, doch zodra een mens de goddelijke openbaring in het heden niet kan verstaan, is hij een gekristalliseerde. Dan staat hij als een zoutpilaar in het midden van het algeopenbaarde. Denk in dit verband aan Paulus. Bestraft hij zijn leerlingen in dit opzicht niet als hij hun verwijt dat zij zeggen: ‘Ik ben van Paulus, hij is van Silas’ enzovoort?

Zodra men zich aan een van de oude tempelprojecties hecht, is het zeer gemakkelijk in stof te vergaan, om de eenvoudige reden dat de jeugd eruit weg is en er daarom geen groei meer is. Een greep in het verleden is eerst dan geoorloofd als men de glorie van voorheen, het fundamentele van voorheen, tegelijkertijd in het heden ziet.

Hier vindt u nu de betekenis van het woord: ‘Wie van het verleden niet wil leren, wordt in de toekomst gestraft‘, dat onze vroegere voorganger zo veelvuldig mocht bezigen. Hierin is de signatuur uitermate nuttig! Een mens die voortdurend in het metafysische verleden graaft, loopt altijd vast en bovendien mummificeert hij zichzelf daardoor.

De vrijmetselarij van onze tijd bijvoorbeeld zit muurvast in de tempel van koning Salomo. De vrijmetselarij heeft zich Israëlitisch georiënteerd, en haar gehele rituaal en streven is derhalve oudtestamentisch. Wij hebben al eens eerder vastgesteld dat zij zichzelf daarmee heeft geoordeeld. Immers, een mens of groep die zo iets doet, komt nimmer de oudtestamentische wet te boven. Daarom zal het universele karakter in de tempel van koning Salomo eerst dan vrijkomen, wanneer men deze tempel gaat zien als een van de letters van de goddelijke taal. Men kan ‘het Woord’ pas lezen als men alle letters kent en ze in hun samenhang ziet.

De tempel van koning Salomo wijst direct heen naar die van Osiris, de mysterieuze heiland van de dageraad der Arische bedeling. Osiris en de grote piramide, Salomo en zijn door Hiram gebouwde tempel, zijn volledig één in wezen en doel, zoals de tempel van Osiris heen wijst naar voorgaande goddelijke projecties. Als een leerling hierin kan doordringen, komt hij in vrijheid te staan. De open tombe in de koningskamer van de grote piramide en het heilige der heilige in de tempel van Salomo hebben dezelfde bedoeling. Zowel de tempel van Osiris als die van Salomo stelt de universele menselijke tempel voor.

De bouwmeester van de grote piramide wordt de mensheid niet genoemd; de bouwmeester van de tempel van Salomo wel. Doch Hiram, de koning van Tyrus en Sidon, de bouwer van de tempel van Salomo, is dezelfde die ook de tempel van Gizeh moet hebben gebouwd. Daarom zullen wij bij deze bouwer met onze gedachten verwijlen.

Nu mag u hierbij niet denken aan een historische figuur met de burgerlijke naam Hiram, doch wij denken in dit verband aan een broeder-metselaar, die een tempel wist te bouwen. Hiram is de verhevene, de meester-bouwer, die het magische, het scheppende woord kan spreken. Hij is de ‘levenbrenger’. Of, als wij met de woorden van Paulus in de brief aan de Korinthiërs (1 Korinthe 15) willen spreken: ‘Hij is van een levende ziel tot een levendmakende geest herboren.’ Dat is Hiram, de koning van Tyrus en Sidon.

Hij is de rotsman, gelijk Petrus een Petra, een rots was. Hij is Tyreen, dat is: rotsbewoner. Zijn wezen en zijn leven staan onwankelbaar in het universele opgericht. Hij is een Sidoniër, dat is: een visser, gelijk Petrus een visser was. Hij is een visser van mensen. Een werker in dienst van het universele licht.

Hoe is Hiram tot die staat-van-zijn gekomen en geadeld om anderen bij hun tempelbouw te helpen? Teneinde dit te begrijpen moeten wij even uw aandacht bepalen bij een van de heilige verhalen die om de figuur geweven zijn. Hiram, zo lezen wij, wordt vergezeld van drie moordenaars, die hem een drievoudige dood laten sterven. Ook hier ontdekt u weer de drievoudige dood der natuur, die de leerling sterven moet; dezelfde ikheidsdood waarvan het Rozenkruis steeds gewaagt, dezelfde dood van het endura van de zo gehate katharen.

De eerste moordenaar geeft Hiram een tik met een maatstok van vierentwintig duim lengte. Ook wordt weleens gezegd dat de eerste moordenaar Hiram wurgt met een meetlint van vierentwintig duim. In dit symbool wordt ons overgedragen dat Hiram, de leerling, afscheid gaat nemen van het wezen en van de greep van de tijd. Wij noemen dit in onze School: ik-verbreking. Alle fundamentele banden met de dialectiek worden verbroken, zeer wetenschappelijk en zeer intelligent, zo, dat de leerling nog wel in de wereld staat, maar er in wezen en in feite toch geen deel meer aan heeft.

Zodra het proces zo ver is gevorderd, komt de tweede moordenaar. Deze geeft de leerling een harde slag met een ijzeren winkelhaak, in de vorm van een kruis. In het hart van dit kruis is een scherpe punt aangebracht, welk middelpunt zich in het hart van Hiram boort. Als het hartebloed door het kruispunt op de juiste wijze is aangeraakt, ontstijgt de leerling in deze tweede fase aan alle begrenzing die hem tot dusver, gebonden aan de tijd, vasthield.

In de tweede fase is daar dus allereerst de vrijheid, die verkregen wordt alvorens de thuisreis kan aanvangen. De thuisreis kan pas worden ingezet als het middelpunt van het hart doorboord is en de roos zich in het hartheiligdom heeft opengevouwen. Daarom is de thuisreis eerst voleind als in het hartheiligdom de roos bloeit.

Wanneer dan zo de roos in het hart van de kandidaat in haar glorie straalt, komt de derde moordenaar. Deze geeft de leerling een laatste en dodelijke slag met een cirkelvormige hamer op het hoofd. Het symbool van de derde fase mogen wij zien als de cirkel der eeuwigheid: het oorspronkelijke leven wordt deel van de leerling. Dat is Hiram, de verhevene, die de tempel gebouwd heeft en die anderen bij deze bouw in mateloze liefde wil helpen.

Als wij nu verder het grote pad bewandelen, zien wij de tempel van Osiris in al zijn schoonheid stralen. Drie gedachten schieten ons bij het aanschouwen van deze verhevenheid als vlammen tegen: de drieheid Osiris — Isis — Horus. Osiris wordt de bouwmeester genoemd, Isis de weduwe en Horus het kind, de zoon der weduwe.

Osiris, zo wordt ons in de Universele Leer gezegd, is het symbool van de viervoudige wereldether, de heilige spijze, de oorspronkelijke, zuivere oersubstantie. In de tempel van Osiris nu, in de leerling die zich aan tempelbouw wijdt, in de leerling-vrijmetselaar, wordt de oersubstantie, de heilige zonnekracht, de oorspronkelijke, goddelijke kracht, ingevoerd en deze kracht huwt met Isis, het wereldwijde beeld van de aarde en het aardse. Osiris komt tot de mens die gevallen is, van God vervreemd is en daardoor gevangen zit in de dialectiek der dingen. De mens die van God verbroken is en daarom wordt aangeduid als ‘weduwe’.

Als nu het grote werk van wedergeboorte en herschepping door de leerling wordt begrepen, wordt uit de samenbinding van Osiris en Isis een zoon geboren, namelijk Horus, de zoon der weduwe. ‘Zoon der weduwe’ is de klassieke aanduiding voor een in het nieuwe, oorspronkelijke leven herboren mens. De zoon der weduwe, Horus, en Hiram, zijn dus in feite wezenséén; één en dezelfde taal spreekt derhalve uit de verschillende tempelprojecties.

Nu staat tenslotte de leerling van het Rozenkruis voor de verbreking van zijn aardse natuur, voor zijn reis over de via dolorosa naar de heuvel Golgotha, om aan het kruis volledig onder te gaan. Dit gebeurt met geen ander doel dan om de Christus in hem te doen opstaan. Om het Koninkrijk Gods, dat binnen in hem is, in al zijn glans en luister te herstellen.

Zou de weg die de Geestesschool van het Rozenkruis wijst, daarom niet de ‘universele weg’ genoemd kunnen worden? Is de bouw die zij haar leerlingen onderwijst, niet met recht de koninklijke kunst van bouw? En is de roep niet altijd dezelfde?

Van de tempel van Osiris, tot op dit uur, langs heel de universele weg, klinkt het Meesterwoord: ‘Word dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in de hemel volmaakt is.’

INHOUDSOPGAVE VAN ‘HET UNIVERSELE PAD’

  1. Religieuze reclame
  2. De deur achter de sluier
  3. De tempel van Osiris
  4. Het mysterie van het adytum
  5. De tempel van de geest
  6. De tempel van de natuur
  7. Midzomernachtsdroom
  8. De verheven wijsheid van LaoTse
  9. Spiralengangenvibratie
  10. Idealiteit en realiteit
  11. Het mysterie en de roeping van Hiram Abiff, de meester-bouwer
  12. Gevaren op het pad

Bron: Het universele pad door J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri, hoeksteenserie 2

BESTEL HET UNIVERSELE PAD

LEES MEER OVER DE HOEKSTEENSERIE