Beluister of lees hoofdstuk 1 t/m 7 van ‘De universele gnosis’ door J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri

BESTEL DE UNIVERSELE GNOSIS

Het taalgebruik in het boek De universele gnosis van Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri is onmiskenbaar van de jaren vijftig van de vorige eeuw, maar de boodschap is nu misschien wel actueler dan ooit. Hieronder zijn de eerste zeven hoofdstukken te beluisteren. Zij gaan over achtereenvolgens de ware en de valse gnosis, Paulus en de Gnosis, de Heilige Geest en de Gnosis, het slangenvuur en de gnosis, de gnosis van de Pistis Sophia, de gnosis en de kerk en de gnosis en dichters en denkers.

1 De ware en de valse gnosis

 

Wanneer wij lezen, of horen spreken, over de gnosis (dit begrip betekent letterlijk ‘kennis’), dan associëren wij dit begrip over het algemeen met ‘verborgen kennis’ en dan rubriceren wij al het mysterieuze en dus voor de grove natuurmens ‘verborgene’, met de benaming ‘gnostiek’. Oorspronkelijk was de gnosis evenwel de samenvatting van de oer-wijsheid, de samenbundeling van alle kennis die direct heenwees naar het oorspronkelijke, goddelijke leven van een werkelijk onaards-goddelijke menselijke levensgolf. 

De hiërofanten van de gnosis waren de afgezanten, en zijn het nog, van het onbeweeglijk koninkrijk, die de goddelijke wijsheid brachten aan een verloren mensheid en de ene weg wezen aan hen, die als verloren zonen terug wilden keren tot het oorspronkelijke vaderland. Deze gnosis, zoals die door de hiërofantale boodschappers werd gebracht, werd nimmer te boek gesteld. Zij werd slechts mondeling overgedragen van leraar aan leerling. En niemand mag veronderstellen, dat deze mondelinge doorgave van de gnosis, zo maar zonder meer volledig was.

Er was een groepscontact en een contact met de kandidaat zelf. En in beide contacten werd geheel en al rekening gehouden met de staat-van-zijn van de betrokkenen, werd de gnosis daarbij geheel en al aangepast en daarvan slechts dat geopenbaard, wat voor de kandidaat nuttig en noodzakelijk kon worden genoemd. Zo kan men met zekerheid zeggen, dat er niemand is in de dialectische dreven, die de gnosis in haar volledigheid heeft geopenbaard. Wie zegt te kennen, weet het niet – en wie de gnosis kent spreekt niet! Dat is een wet van de universele mysteriën.

2 Paulus en de gnosis

 

Paulus, die zijn werk verrichtte te midden van een warreling van dialectische en dus valse gnostieke stelsels. Paulus wist dat Gnosis en Geest één zijn. Paulus wist dat niemand de Gnosis naderen kan dan alleen hij of zij met een werkzame geestvonk. Paulus wist dat, zodra de geest in de microkosmos op de wekkende roep ten leven reageert, zo een in dezelfde seconde het pad gaat, met alle consequenties daaraan verbonden. Paulus wist dat ieder die nog niet op deze wijze in het bevrijdende leven staat nog een Saulus is, dat wil zeggen een speculant, vol dreiging en moord.

Paulus zette het intellectuele en het emotionele drijven geheel stil en hij luisterde naar de stem van de eeuwige Geest. Daarom had hij niet de minste belangstelling voor de valse gnosis van zijn dagen, met het gehele natuur-occulte en het gehele natuur-religieuze gedoe en met het wijsgerige grijpen en het mystieke stelen. Omdat dit alle niets te betekenen had. Simon de tovenaar, een natuur-gnosticus van zijn dagen, en de zeven zonen van Sceva, de linkshandige, imiteerden het Christusgrijpen door als dialectische entiteiten te zeggen: ‘Wij werpen duivelen uit in de naam van de god van Paulus.’ Doch dat was een leugen … en u moet deze leugen inzien.

Als wij wijsgerig of emotioneel in onze natuurstatus over God en Christus schrijven en als zodanig u in een stralingsveld plaatsen, dan confronteren wij u niet met de levende glans van de Gnosis, doch slechts met het beeld dat wij ons ervan gemaakt hebben. Dan naderen wij u met onze magie-naar-de-natuur, waaraan wij een gnostiek etiket gehangen hebben. Dát is dan onze leugen, hoewel wij eventueel ten volle belijden dat er een levende Christus is. Wij plaatsen u dan in óns stralingsveld en niet in dat van de Geest.

3 De Heilige Geest en de Gnosis

 

Wij kunnen veilig constateren dat de Gnosis een aan onze natuur totaal vreemde werkzaamheid is. Een vreemde werkzaamheid, een goddelijke radiatie, waarover het ons gegeven is te mogen schrijven. Het is ons toegestaan over de essentiële bedoeling van de Gnosis te schrijven. U mag de woorden die over de Gnosis tot u gesproken worden met uw verstand overwegen en in uw hart benaderen. U mag ervan zingen en u kunt uw intellectuele of mystieke conclusie muzikaal, of op een andere kunstzinnige wijze vastleggen, zodat u alle roerselen in hoofd en hart aldus tot uiting brengt.

Dit alles kan van belang zijn om aan elkaar te openbaren wat er in u, naar de natuur, in dit opzicht leeft. Maar u moet niet de mening zijn toegedaan dat u op deze wijze de Gnosis naar het wezen kunt grijpen. Zodra u bijvoorbeeld zou zeggen, na het horen van een muzikale overweging: ‘Dat is nu de Heilige Geest zelf’, dan is uw conclusie uit de valse gnosis, want de klanken van het Onbeweeglijk Koninkrijk zijn in onze natuur niet weer te geven. Wanneer dat wel mogelijk zou zijn, zou deze gehele natuurverschijning op hetzelfde moment in elkaar storten. Wat wij kunnen is dit, dat wij elkaar met behulp van kunst, wetenschap en religie tot aan de grenzen van het dialectisch mogelijke voeren. En dan zijn wij gekomen tot het grensland, dat in de Bijbel wordt aangeduid als Efeze.

Doch zodra u, als natuurwezen, dit grensland zou willen overschrijden en de Gnosis zelf zou willen naderen, dan zou de drievoudige straling van de Gnosis, hetzij als kunst, dat wil zeggen als mantrische klank, hetzij als wetenschap, dat wil zeggen als goddelijke wijsheid, hetzij als religie, dat wil zeggen als goddelijke liefde, direct naar de natuur verbrekend werken. De Bijbel spreekt in dit verband van een ‘verterend vuur‘ en het ligt geheel en al in onze bedoeling u de Gnosis, of de Heilige Geest van het Onbeweeglijk Koninkrijk, als het verterende vuur te laten zien. Als het vuur dat deze wereld op drie wijzen aantast en verbreekt.

4 Het slangenvuur en de Gnosis

 

Reageert de leerling op de suggesties van de Gnosis, dan is het duidelijk dat de vijandschap van de grond beneden zich toespitst. Luistert de leerling naar de stemmen van de oude natuur, dan worden de suggesties van de Gnosis voor hem of haar als giftige slangen. Immers, de vibraties van het gnostieke vuur vinden dan een zeer disharmonische bodem, terwijl toch deze bodem, vanwege het besluit tot de woestijntocht, zich voor de Gnosis heeft opengesteld. Zo staat de leerling in deze fase van zijn ontwikkeling als tussen twee vuren. Hij moet kiezen tussen de vijandschap der natuur en de geestelijke dood. Een compromis is volstrekt onmogelijk. Daarom vraagt hij in dit conflict: ‘Wat moet ik doen?’ En dan wordt hij geplaatst voor de koperen slang, die aan het kruis genageld wordt. Zodra hij nu door de gouden slang van de geest in de woestijn gebeten wordt, zal hij, als hij zich maar voor de koperen slang stelt en haar aanziet, in leven blijven.

Deze beeldspraak zult u begrijpen. Het zich voor de koperen slang stellen en haar aanzien, terwijl deze aan het kruis hangt, wil zeggen:  het zielepotentieel in zich kruisigen, zó lang tot het gestorven is; het definitief breken van de greep der natuur in de mens. Als u zich niet zó voor de koperen slang stelt, en toch tegelijkertijd uw wezen openstelt voor de gouden slang van de geest – en u dus twee heren wilt dienen, God en Mammon, de geest en de natuur – zult u van de geest verbroken worden. Dat is een dood die heel wat vreselijker is dan de incidentele dood der natuur.

Als de leerling dit grote woestijnconflict oplost ten gunste van de roep van de geest, als de leerling in deze grote verzoeking de juiste overwinning weet te behalen, wordt het gouden slangenei in hem gelegd. Het gouden slangenei ontvangen wil zeggen: het fundamentele en structurele bewijs ver krijgen van de aanvangende tweede geboorte. Het gouden slangenei heeft betrekking op de ontwikkeling van een nieuwe, een andere aura binnen het mikrokosmische veld. In deze aura worden alle krachten van de nieuwe, oorspronkelijke menswording geconcentreerd onder de leiding van de gewekte geestvonk. Naarmate de oude aura, met alles wat zich daarin bevindt, ondergaat, wordt de nieuwe aura, de gouden aura, belevendigd en versterkt.

5 De gnosis van de Pistis Sophia

 

Als het aangrijpen van de Gnosis in het hart van de mens gelukt is, zodat het natuurlijke vermogen weer gaat spreken, moet worden afgewacht of de mens bij de werkzaamheid van dit vermogen zonder meer blijft staan, dan wel of hij, op basis daarvan, de doop des vuurs wil tegentreden. Is dat het geval, dan ziet zulk een leerling ‘des anderen daags’ Jezus de Heer tot zich komen. Met andere woorden, eerst dan stelt zulk een leerling zich werkelijk open voor de Gnosis en is hij een Pistis Sophia geworden, een leerling die in de ware geloofsbinding, de Pistis, weer tot de oerwijsheid, de Sophia, terugkeert.

Zo een heeft dus de transfiguratie als proces voor zichzelf aanvaard en staat nu lijfelijk voor de mysteriën des lichts. Hij is een discipel geworden. Het licht van de primaire aanraking wijkt van hem en het licht der mysteriën neemt hem nu in zijn actieradius op. Deze grote en heilige verandering wordt in de gewijde taal veelvoudig beschreven als een hevige aardbeving, als groot geweld in de ganse wereld en als een grote vrees die over de discipel valt (zie hoofdstuk 3 van de Pistis Sophia).

De bedoeling van deze aanduidingen is u wellicht volkomen duidelijk, want het betreft hier de binnenkomst van de leerling in een geheel ander vibratieveld, dat vele malen de normale bewogenheid van zijn natuurveld overtreft. In deze bewogenheid ontwikkelt zich de verbreking van de het meest gekristalliseerde natuurbindingen. De vrees die hier beschreven wordt, is geen vrees in de zin van angst, doch een voortdurend spontaan rekening houden met de geestaanraking, die in de leerling ‘verrezen’ is. God ‘vrezen’ is dus geen angstpsychose, doch het vanzelfsprekend rekening houden met de geest die de microkosmos heeft aangeraakt.

6 De gnosis en de kerk

 

Het mag de leerling van de moderne Geestesschool voldoende bekend zijn dat alle kerk- en sektewezen van onze dagen naar de maatstaven van de werkelijkheid zonder uitzondering in de ketenen van de natuurgodsdienstigheid gevangen ligt. Dat is het tragische fatum van alles wat in deze wereld aan godsdienst doet. Het is misschien niet overbodig het wezen van de natuurreligie en de onontkoombaarheid daarvan nogmaals voor uw bewustzijn te belevendigen, om dan daarna onze conclusie te trekken in verband met Gnosis en Kerk.

Als u de heilige taal van diverse mensheidsperiodes bestudeert, komt u tot de ontdekking dat de grote en gewijde boodschappers Gods steeds de aandacht gevestigd hebben op terugkeer tot een verloren Vaderland, tot een essentie die men Vader noemt, of God. Alles wat de heilige taal van alle tijden verder meedeelt of suggereert, cirkelt rond deze centrale gedachte van terugkeer.

Als God uw vader is, bent u zijn kind – dan zijn Jezus Christus en andere groten broeders van u – dan is het verschil tussen hen en u het gevolg van een betreurenswaardig incident – dan bent u gevallen uit de staat van uw vroegere heerlijkheid – dan is de heilige taal niet anders dan een brief: ‘Kom terug, alles is vergeven en vergeten in de genade der liefde.’ Dan is Jezus een figuur die uit zijn heerlijkheid neerkomt tot u om u te halen, u hulp te bewijzen bij uw tocht van terugkeer. Als dit alles zo zou zijn – en u weet dat de religieuze mens van onze dagen deze zienswijze huldigt – dan zou het gehele stuk van de goddelijke bemoeienis kinderlijk eenvoudig zijn. Zó eenvoudig, dat men filosofisch noch theologisch extra-kronkels in de hersens behoeft te bezitten om de goddelijke heilsbemoeienis na te speuren en te verstaan.

7 De gnosis en dichters en denkers

 

Keer op keer, al jaar in jaar uit, maken wij u duidelijk, dat de roep tot transfiguratie geen vondst is van de dienaren van de School van het Rozenkruis, doch de roep van de beginne. En keer op keer vestigen wij uw aandacht op de gewijde en heilige taal van alle tijden, om onze mededelingen te bewijzen en kracht bij te zetten. Doch gezien het feit, dat het nu juist de heilige taal is, die het voorwerp van aandacht en verminking is van de kerkelijke magie, kan het zo zijn, wanneer wij ons gezichtspunt op de heilige taal voor u uiteenzetten, dat u zegt: ‘Ja, dat is uw visie, maar hij of zij meent een ander standpunt te moeten huldigen’. 

En zo gaat u dan de verschillende opvattingen tegen elkaar afwegen, en gaat u zich verliezen in allerlei bespiegelingen en vergelijkingen, waardoor u onherroepelijk het spoor bijster zult raken. Ook de enorme hoeveelheid ideeën is een methode van de hiërarchie (van deze wereld), om u als haar slaaf vast te houden. Toch laten wij niet los in onze poging u te wekken. En daarom willen wij ter onderstreping van ons betoog nu niet bepalen bij de gewijde taal, doch bij dichters en denkers, die van de onomstotelijke waarheid en noodzaak van de transfiguratie gesproken en getuigd hebben. 

U begrijpt dat we terzake in geen enkel opzicht volledig kunnen zijn. Wij doen slechts een greep, zo hier en daar, om uw aandacht op deze grote getuigen te vestigen, zodat u ze zelf nader zult kunnen bestuderen als u zich daartoe gedreven voelt. Het is ons bedoelen u andermaal te richten op het heilige doel, dat voor de verstandigen en wijzen van deze wereld verborgen is. Als u de ontbrekende draad maar weer vinden kunt, als u de ontbrekende schakel maar weer zult kunnen voegen in het geheel, dan heeft de roep voor u niet tevergeefs geklonken.

BESTEL DE UNIVERSELE GNOSIS

LEES MEER OVER DE ZES BOEKEN VAN DE HOEKSTEENSERIE