De eerste zes hoofdstukken van Het Evangelie van de Pistis Sophia – De vier boeken van de verlosser

Het eerste boek van de vier boeken van Het Evangelie van de Pistis Sophia bestaat uit 101 hoofdstukken. Hieronder volgt de integrale tekst van de eerste zes hoofdstukken. Deze komen uit de onlangs verschenen herziene vertaling van John van den Berg. 

1 De verborgen mysteriën

Het geschiedde dat Jezus, nadat hij van de doden was opgestaan, elf jaren doorbracht waarin hij zich met zijn discipelen onderhield. Hij onderwees hen slechts tot aan de gebieden van het eerste gebod en tot aan de gebieden van het eerste mysterie, hetwelk zich bevindt binnen de sluier en binnen het eerste gebod, dat het vierentwintigste mysterie is van buiten en beneden – de mysteriën welke zich in de tweede ruimte van het eerste mysterie bevinden, dat vóór alle mysteriën is – de vader in de gedaante van een duif.

En Jezus sprak tot zijn discipelen: ‘Ik ben voortgekomen uit dat eerste mysterie, dat het laatste mysterie is, dat wil zeggen het vierentwintigste mysterie.’ En de discipelen hebben niet geweten en niet begrepen dat er iets binnen dat mysterie zou bestaan, maar zij dachten van dat mysterie dat het het hoofd van het Al en het hoofd van al het bestaande zou zijn. En zij dachten dat het de voleinding van alle voleindingen zou zijn, omdat Jezus met betrekking tot dat mysterie tot hen had gezegd dat dit het eerste gebod omgeeft en de vijf ideeën en het grote licht en de vijf helpers en de gehele schatkamer van het licht.

Bovendien had Jezus zijn discipelen niet onderricht over de gehele omvang van alle gebieden van de grote onzichtbare en van de drie drievoudige krachten en van de vierentwintig onzichtbaren, en al hun gebieden en hun eonen en hun ordeningen, hoe zij zich uitgebreid hebben – die welke de emanaties van de grote onzichtbare zijn – en hun ongegenereerden en hun zelfgegenereerden en hun gegenereerden en hun sterren en hun ongepaarden en hun archonten en hun overheden en hun heren en hun aartsengelen en hun engelen en hun decanen en hun dienaren, en alle woningen van hun sferen en alle ordeningen van ieder van deze.

En Jezus had zijn discipelen niet verteld van de gehele uitgebreidheid van de emanaties van de schatkamer, niet van hun ordeningen en hoe zij zich uitbreiden, evenmin had hij hun verteld over hun verlossers, overeenkomstig de ordening van ieder van hen, hoe zij zijn. Ook had hij hun niet verteld welke wachter staat aan iedere poort van de schatkamer van het licht. Hij had met hen ook niet gesproken over het gebied van de tweelingverlosser, die het kind van het kind is. Hij had hun niet verteld over het gebied van de drie amens, in welke gebieden zij zich uitbreiden en in welke gebieden de vijf bomen verspreid zijn, evenmin betreffende de zeven andere amens, dat wil zeggen de zeven stemmen, wat hun gebied is en hoe zij zich uitbreiden.

En Jezus had zijn discipelen niet gezegd van welke aard de vijf helpers zijn, ook niet in welke gebieden zij gebracht zijn. Ook had hij hun niet gezegd op welke wijze het grote licht zich had uitgebreid, in welke gebieden het gebracht is; evenmin had hij hun verteld over de vijf ideeën of over het eerste gebod, in welke gebieden zij gebracht zijn. Maar hij had slechts in het algemeen met hen gesproken, terwijl hij hun leerde dat zij bestaan. Over hun omvang echter en de ordening van hun gebieden en hoe zij bestaan, had hij niet gesproken. Daarom hebben zij ook niet geweten dat er nog andere gebieden binnen dat mysterie bestaan. 

En hij had zijn discipelen niet gezegd: ‘Ik ben uit die en die gebieden uitgegaan tot ik dat mysterie binnenging en tot ik het weer verliet’, maar terwijl hij hen onderwees, zei hij tot hen: ‘Ik ben uit dat mysterie voortgekomen.’ Daarom nu dachten zij van dat mysterie dat het de voleinding van alle voleindingen zou zijn en het hoofd van het Al en het gehele pleroma, want Jezus had tot zijn discipelen gezegd: ‘Dat mysterie omgeeft het Al waarvan ik u heb gesproken vanaf de dag waarop ik u ontmoet heb tot op de dag van heden.’ Daarom nu dachten de discipelen dat er binnen dat mysterie niets bestaat.

2 De komst van het licht

Het geschiedde toen de discipelen tezamen op de Olijfberg gezeten waren, terwijl zij over deze woorden spraken en in grote blijdschap jubelden en zeer verheugd waren, dat zij tegen elkaar zeiden: ‘Wij zijn gezegend boven alle mensen op aarde omdat de verlosser ons dit heeft geopenbaard en wij het pleroma en de totale volmaking hebben ontvangen.’ Dit zeiden zij tot elkaar terwijl Jezus op korte afstand van hen was gezeten.

Het geschiedde op de vijftiende dag van de maan in de maand Tybi, welke de dag is waarop de maan vol is, op die dag nu, toen de zon in zijn baan was opgekomen, kwam er achter hem een grote lichtkracht tevoorschijn die met buitengewone helderheid scheen en er was geen maatstaf voor het met hem verbonden licht, want het kwam voort uit het licht der lichten en het is gekomen uit het laatste mysterie dat het vierentwintigste mysterie is van binnen naar buiten, welke zich in de ordeningen van de tweede ruimte van het eerste mysterie bevinden. Deze lichtkracht daalde neer op Jezus en omgaf hem geheel terwijl hij op enige afstand van zijn discipelen zat, en hij straalde buitengewoon door het mateloze licht dat op hem was.

En de discipelen hadden Jezus niet gezien, ten gevolge van het grote licht waarin hij zich bevond of dat om hem was, want hun ogen waren verblind door het grote licht dat hem omringde. Maar zij zagen slechts het licht, dat vele lichtstralen uitzond. De lichtstralen waren niet aan elkaar gelijk en het licht was van verschillende geaardheid en van onderscheiden vorm, van beneden naar boven, de ene straal oneindig veel schitterender dan de andere, in één onmetelijke lichtglans. Het reikte van de aarde omhoog tot de hemel. En toen de discipelen dat licht zagen, waren zij in grote vrees en opwinding.

3 De opgang in het licht

Het geschiedde nu toen deze lichtkracht op Jezus was neergedaald, dat zij hem geleidelijk geheel omvatte. Daarna steeg Jezus op en voer omhoog, terwijl hij verblindend schitterde in een onmetelijk licht. En de discipelen staarden hem na zonder dat een van hen sprak, totdat hij de hemel bereikt had, maar zij bewaar- den allen een diepe stilte. Deze dingen vonden plaats op de vijftiende dag van de maan, op de dag waarin zij in de maand Tybi vol is.

Het geschiedde nu toen Jezus opgevaren was, na drie uren, dat alle krachten van de hemel in opwinding raakten en alle tegen elkaar werden bewogen. Zij en al hun eonen en al hun gebieden en al hun ordeningen. De gehele aarde werd bewogen en allen die daarop woonden. Alle mensen op de aarde raakten in opwinding, evenals de discipelen en zij dachten allen: misschien zal de wereld als een kleed opgerold worden.

En alle zich in de hemelen bevindende krachten staakten hun opwinding niet, zij, noch de gehele wereld en zij werden alle tegen elkaar bewogen van het derde uur van de vijftiende dag van de maan Tybi, tot het negende uur van de volgende dag. En alle engelen en hun aartsengelen, en alle krachten van de hoogte zongen lofliederen tot het binnenste van het binnenste, zodat de hele wereld hun stemmen hoorde, zonder ophouden, tot het negende uur van de volgende dag.

4 Het drievoudige licht

De discipelen zaten in vrees bij elkaar en zij waren zeer opgewonden. Zij waren bevreesd vanwege de grote aardbeving die plaatsvond en zij weenden gezamenlijk, zeggend: ‘Wat gaat er gebeuren? Zal de verlosser misschien alle gebieden verdelgen?’

Terwijl zij dit zeiden, samen wenend, openden zich – het negende uur van de volgende dag – de hemelen en zij zagen Jezus neerdalen, buitengewoon stralend, zonder dat er een maatstaf was voor het licht waarin hij zich bevond. Want hij straalde nog meer dan in het uur toen hij naar de hemelen was opgestegen, zodat de bewoners van de aarde het licht dat op hem was niet konden beschrijven, en het zond lichtstralen uit in overvloed en zijn stralen waren onmetelijk.

Dit licht was niet gelijkvormig, maar verschillend van aard en verschillend van vorm, zodat sommige stralen oneindig vele malen schitterender waren dan andere, en het gehele licht bestond uit drie soorten. De ene soort was oneindig vele malen schitterender dan de andere. De tweede of middelste was voortreffelijker dan de eerste, die beneden was en de derde, of bovenste van de drie was nog uitmuntender dan de beide lagere.

De eerste straal, die zich onder de beide andere bevond, was gelijk aan het licht dat op Jezus neerdaalde voordat hij naar de hemelen opvoer en was alleen in zijn licht daaraan gelijk. En de drie vormen van licht waren van een verschillend type en van verschillende aard. En sommige waren vele malen voortreffelijker ten opzichte van anderen.

5 Vrees niet

Het geschiedde toen de discipelen dit hadden gezien, dat zij buitengewoon vreesden en in opwinding raakten. Jezus nu, de barmhartige en zachtmoedige, toen hij zag dat zijn discipelen zeer opgewonden waren, zei tot hen: ‘Houd moed, ik ben het, vrees niet.’

6 De dialoog op de Olijfberg

Nu de discipelen deze woorden hadden gehoord, zeiden zij: ‘Heer, wanneer u het bent, trek dan uw lichtglans tot u opdat wij stand kunnen houden, want onze ogen zijn verblind en wij zijn verbijsterd en ook de gehele wereld is in opschudding door het grote licht dat op u is.’

Hierop trok Jezus de glans van zijn licht in zich terug. En toen dit gebeurd was, vatten alle discipelen moed, traden op Jezus toe, vielen allen tegelijk op hun knieën, aanbaden hem in grote blijdschap en zeiden tot hem: 

‘Meester, waarheen bent u gegaan, of wat was uw taak welke u verricht hebt en vooral: waarom die opwinding en die aardbevingen die er geweest zijn?’

Toen zei Jezus, de barmhartige, tegen hen: ‘Verheugt u en juicht vanaf dit uur, want ik ben gegaan naar de gebieden waaruit ik gekomen was. Van nu af zal ik openlijk met u spreken van het begin van de waarheid tot aan haar voleinding en ik zal met u spreken van aangezicht tot aangezicht, zonder gelijkenis. Van nu af aan zal ik niets voor u verbergen van het mysterie van de hoogte en van het gebied van de waarheid. Want mij is door de Onuitsprekelijke en door het eerste mysterie van alle mysteriën gezag gegeven met u te spreken van het begin tot aan het pleroma, van binnen naar buiten en van buiten naar binnen. 

Hoor nu, opdat ik u alle dingen vertel. Het geschiedde toen ik op enige afstand van u verwijderd op de Olijfberg zat, dat ik dacht over de ordening van de taak vanwege welke ik gezonden was, dat zij volbracht zou moeten worden en dat het eerste mysterie mij mijn kleed nog niet had gezonden, hetwelk het vierentwintigste mysterie van binnen naar buiten is. Deze [vierentwintig mysteriën] bevinden zich in de tweede ruimte van het eerste mysterie in de ordening van die ruimte. Het geschiedde nu, dat ik had ingezien dat de ordening van de taak vanwege welke ik was gezonden, volbracht was en dat dat mysterie mij mijn kleed nog niet had gezonden dat ik daarin had achtergelaten totdat de tijd vervuld zou zijn. Dit dan overdenkende, zat ik op de Olijfberg, niet ver van u verwijderd.’

Bron: ‘Het Evangelie van de Pistis Sophia, de vier boeken van de Verlosser, codex Askewianus’, vertaald en ingeleid door John van den Berg

BESTEL HET EVANGELIE VAN DE PISTIS SOPHIA

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *