De Gnosis van de Pistis Sophia – hoofdstuk 5 van ‘De universele gnosis’ door J. van Rijckenborgh en Catharose de Petri

 


BESTEL DE UNIVERSELE GNOSIS

Het taalgebruik in het boek De universele gnosis van Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri is onmiskenbaar van de jaren vijftig van de vorige eeuw, maar de boodschap is nu misschien wel actueler dan ooit. Hieronder volgt hoofdstuk 5 over ‘De gnosis en de Pistis Sophia’. 

Wanneer Jezus de Heer over Johannes de Doper spreekt, de grote en verheven aankondiger van de Christusmysteriën, dan noemt Hij hem de grootste der profeten en de grootste uit vrouwen geboren, doch Hij voegt eraan toe dat de minste in het Koninkrijk der Hemelen groter is dan hij. Hier wordt de aandacht gevestigd op de twee natuurrijken waarin de gang van de mensheid zich voltrekt: het natuur rijk gelegen in de toorn, zoals Jacob Boehme het noemt, en het natuurrijk gelegen in het oorspronkelijke licht.

Wij hebben al veel geschreven over het rijk dat binnen de toorn gelegen is, de wereld der dialectiek, waarin en waardoor alle mensen gegrepen zijn. En wij hebben u al vele malen uiteengezet welke ontwikkelingen binnen het dialectische natuurrijk mogelijk zijn en hoe zij zich alle als een cirkelgang voltrekken. Van het punt van uitgang zich eventueel hemelhoog verheffend, doch gedoemd zich op de gestelde tijd weer te keren tot het diepste diep, het punt van uitgang.

Tevens kunt u, als leerling van de moderne Geestesschool, zich voorstellen hoe een entiteit het eeuwige Lichtrijk kan binnengaan en hoe zijn ontwikkeling voortgaat van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid. U kunt inzien dat een serene strever, krachtens zijn existentie geboren en getogen in het dialectische natuurrijk, de roep der Broeders van het Lichtrijk gaat vertolken en de aandacht van al zijn natuurgenoten vestigen wil op de genadevolle poging van de gnostieke hiërofanten om, zo mogelijk, velen uit het dialectische rijk te redden en het eeuwige Lichtrijk binnen te voeren.

U zult in ruime mate getuigen dat zulk een aankondiger inderdaad een groot profeet is, wellicht de grootste uit vrouwen geboren, doch iedere entiteit die werkelijk het eeuwige Lichtrijk is binnengegaan, is groter dan hij. Immers, de één getuigt er nog van, spreekt er nog over; de andere ís reeds binnengegaan.

Dit wilden wij u nog eens schrijven, als inleiding op enkele gedachten over de Gnosis van de Pistis Sophia. Want het Evangelie van Christus wil u doen verstaan dat u meerdere stappen hebt te doen alvorens de aanvang van het lichtmysterie in u tot een feit kan worden.

Wanneer u in het dialectische natuurrijk staat, en dat dóet u, zult u ongetwijfeld eerst getroffen worden door het woord van de aankondiger. Doch wee u, zo u daarin blijft staan! Het woord van de aankondiger, evenals het verstaan daarvan, heeft slechts betrekking op een vermogen om te omvatten wat het lichtmysterie van u wil. Lang niet iedere ziel der natuur bezit dit vermogen. Het betreft een zekere openheid voor het eeuwige Lichtrijk, een openheid die sommigen nog bezitten.

Nu kan het gebeuren dat u dit vermogen als een toestand van vervulling beschouwt en erbij blijft staan. Het kan geschieden dat u op basis van zulk een vermogen over het lichtmysterie en over de Christus spreekt, en over de gehele transfiguristische wijsbegeerte. Bovendien kan het geschieden dat in deze aanschouwing uw bewogenheid des harten onmiskenbaar is en de straling van uw hoofdheiligdom van begrip getuigt. En toch, juist dan zult u in gevaar verkeren, want: de kleinste in het Koninkrijk der Hemelen is groter, vele malen groter, dan u.

Op de door u aanvaarde en dus beleden ‘aankondiging’, op deze primaire doop met het levende water, moet volgen: de doop des vuurs, dat is de prijsgeving, de ontlediging en de verbranding van de natuur van de toorn, opdat een nieuw geboren, een regenererend wezen, het eeuwige Lichtrijk zou kunnen binnengaan.

U hebt dus te verstaan dat er een voorbereidende aanraking is: de aanraking van de voorbereider, van de aankondiger. Deze voorbereidende aanraking is meestal een zeer krachtig aangrijpen. Dit aangrijpen past zich aan bij landaard, zeden en gewoonten, met andere woorden bij het rastype van de mens. Het heeft tot bedoeling de mens open te maken voor het lichtmysterie, en het natuurlijke vermogen om daarop te kunnen reageren weer te doen spreken.

Als dit aangrijpen gelukt is, zodat het natuurlijke vermogen weer gaat spreken, moet worden afgewacht of de mens bij de werkzaamheid van dit vermogen zonder meer blijft staan, dan wel of hij, op basis daarvan, de doop des vuurs wil tegentreden. Is dat het geval, dan ziet zulk een leerling ‘des anderen daags’ Jezus de Heer tot zich komen. Met andere woorden, eerst dan stelt zulk een leerling zich werkelijk open voor de Gnosis en is hij een Pistis Sophia geworden, een leerling die in de ware geloofsbinding, de Pistis, weer tot de oerwijsheid, de Sophia, terugkeert.

Zo een heeft dus de transfiguratie als proces voor zichzelf aanvaard en staat nu lijfelijk voor de mysteriën des lichts. Hij is een discipel geworden. Het licht van de primaire aanraking wijkt van hem en het licht der mysteriën neemt hem nu in zijn actieradius op.

Deze grote en heilige verandering wordt in de gewijde taal veelvoudig beschreven als een hevige aardbeving, als groot geweld in de ganse wereld en als een grote vrees die over de discipel valt (zie hoofdstuk 3 van de Pistis Sophia). De bedoeling van deze aanduidingen is u wellicht volkomen duidelijk, want het betreft hier de binnenkomst van de leerling in een geheel ander vibratieveld, dat vele malen de normale bewogenheid van zijn natuurveld overtreft. In deze bewogenheid ontwikkelt zich de verbreking van de het meest gekristalliseerde natuurbindingen. De vrees die hier beschreven wordt, is geen vrees in de zin van angst, doch een voortdurend spontaan rekening houden met de geestaanraking, die in de leerling ‘verrezen’ is. God ‘vrezen’ is dus geen angstpsychose, doch het vanzelfsprekend rekening houden met de geest die de microkosmos heeft aangeraakt.

In de gewijde taal wordt gezegd dat zulk een bewogenheid van de derde ure tot de negende ure duurt, met andere woorden dat deze aanraking aanvangt in nameloos goddelijke liefde en tot een dynamisch hoogtepunt wordt voortgezet. Als dit dynamische hoogtepunt is bereikt, openen zich de hemelen en ziet de leerling Jezus als uit de hemelen neerdalen.

Deze beeldspraak wijst erop dat de binding met het Vuurrijk, met het eeuwige Lichtrijk, dusdanig is dat er tenslotte een zintuiglijk waarneembare brug ontstaat tussen de kandidaat en het lichtmysterie. Daarom dient u de periode die gelegen is tussen de derde ure en de negende ure te schouwen als een toets. De toets is gelegen in de vraag of de leerling in de geschetste bewogenheid werkelijk godvrezend zal blijven en niet terug zal vallen op zijn oude gewoonteleven. De leerling zelf bouwt dus de brug tussen zichzelf en het Lichtrijk. De brug is een toestand-van-zijn die het mogelijk maakt actueel tot het Lichtrijk terug te keren. Daarom staat er in de gnostieke wijsheid dat de Heer van de Lichtmysteriën zijn licht voor de leerling verduistert, opdat deze Hem zal kunnen waarnemen.

Dit verdient misschien nog enige toelichting. Als het volkomene licht van het Onbeweeglijk Koninkrijk de dialectische leerling in zijn volheid zou raken, zou het hem volstrekt onmogelijk zijn het te verdragen en erop te reageren. Daarom verandert het zich tot een toestand waarin het de leerling mogelijk is het pad van verlossing aan te vangen. Dat is de brug, of de mantel, die de leerling als een boetekleed ontvangt om zijn pelgrimage te kunnen aanvangen. Dit boetekleed is derhalve geen gewaad van schande, de signatuur van een zondaar, doch het kleed van de genadevolle regeneratie. Naarmate de leerling zijn pad vervolgt, zal, zoals begrijpelijk is, het licht van zijn kleed steeds toenemen en steeds schitterender worden.

De aanraking van het licht der Christusmysteriën – het zij u nog eens gezegd – is zeer duidelijk en scherp te onderscheiden van het licht van de spiegelsfeer. U moet dat goed inzien, want het juiste inzicht en de daarmee in overeenstemming zijnde handeling, zijn voorwaarden om de storm van de lichtaanraking te boven te komen.

Ten eerste is het spiegelsfeerlicht, wanneer het zich aan u voordoet, onmiddellijk in overeenstemming met uw natuur lijke gesteldheid; ten tweede is het niet in het minst stormverwekkend; immers, het sluit zich aan bij uw staat-der-natuur; en ten derde richt het zich steeds tot uw ikbewustzijn.

Ongetwijfeld zal het spiegelsfeerlicht schone en verheven woorden tot u kunnen spreken over de Christus en zijn rijk, doch het zal daarbij volkomen gelijk zijn aan het gepraat en gepreek over de Christus aan deze zijde van de sluier. Op zijn allerbest zal het spiegelsfeerlicht nimmer de aankondigende fase, die wij zoëven aantoonden, te boven komen. En u weet het: ‘Niet zij die “Here, Here” roepen, doch zij die doen de wil mijns Vaders’, gaan het eeuwige Lichtrijk binnen.

Daarom is de aanraking uit het eeuwige Lichtrijk onmiddellijk hieraan te kennen dat het zich als een zwaardslag verhoudt tot de gewone natuur. Het is een vibratie uit een ander natuurrijk, dat geen rekening houdt met de natuur en het ik en in het geheel niet zoet en schoon en heerlijk is, zoals de dialectische kunst u wil doen geloven. Het wekt een storm, een heftige bewogenheid in uw levenssysteem, het is natuurafbrekend, en de leerling die door deze storm weet heen te komen, ontvangt de mantel van de lichtschat.

Over deze storm valt nog heel wat te schrijven. Nog een enkel woord daarover zal zeker niet overbodig zijn. Vooral omdat velen de fout maken zich intellectueel en emotioneel met waangedachten en waangevoelens te omringen. Daarom moet u er diep van doordrongen zijn dat, als u zich uit de fase der aankondiging wendt tot de doop des vuurs, u het voorwerp wordt van een hevige strijd.

De lichthiërarchie van de spiegelsfeer is twaalfvoudig. Deze twaalfvoudige hie« rarchie heeft, door middel van de twaalf krachten van de menselijke lipika, een binding met iedere entiteit uit de stofsfeer. Zo kunt u zich voorstellen dat, zodra de leerling zich tot het eeuwige Lichtrijk wendt en de doop des vuurs zoekt, er grote disharmonie ontstaat tussen hem en de twaalfvoudige hiërarchie van de spiegelsfeer. Dat is de disharmonie, de stormveroorzakende gespletenheid, tussen de twee naturen. De storm doet derhalve het gehele wezen aan, naar bewustzijn, ziel en lichaam. Uit deze worsteling moet de leerling ontstijgen als een pelgrim, getooid met de lichtmantel.

Het eeuwige Lichtrijk heeft drie aanzichten. Daarom wordt er gesproken van de drie grote lichtmysteriën. Het eerste mysterie heeft betrekking op de geestelijke wedergeboorte, de binnenkomst van de Heilige Geest in de microkosmos. Het tweede mysterie heeft betrekking op de wedergeboorte van de ziel, het gestaltenis aannemen van een nieuwe bewustzijnsradiatie in het slangevuurstelsel. Het derde mysterie heeft betrekking op de wedergeboorte van het gehele wezen. Deze drievoudige transfiguratie is een ontzaglijk proces en een mysterie op zichzelf.

Dit mysterie der vervulling wordt alleen aan hen geopenbaard die het waardig zijn en die in zelfvrijmetselarij de diverse deuren weten te openen. Daarom is het zeker onze bedoeling niet, u over deze zeer particuliere aangelegenheden te schrijven.
Het is echter wel onze taak uw aandacht erop te vestigen dat er in deze wereld boodschappers zijn die met een, twee, drie of vier gnostieke krachten werkzaam zijn. Wij be doelen daarmee dat er boodschappers zijn die werken met de voorbereidende aanraking, de aanraking van de aankondiger. Aangezien deze kracht geheel gelijk is aan deze natuur en het hier slechts een kracht betreft om het ver mogen der spontane natuurlijke reactie te wekken, is het duidelijk dat deze kracht wel wekkend, doch nimmer brekend is. Als dus een gehoor in de tempel van het Rozenkruis onder deze krachtstraling wordt gesteld en deze straling dat gehoor niet vermag te wekken, dan zal zij dat gehoor niet schaden.

Doch als een boodschapper het Eerste Mysterie is binnengegaan, dan zal zulk een boodschapper zijn gehoor niet slechts dopen met water, doch tevens met vuur. En wij hebben al gezien dat de doop des vuurs naar de natuur intens brekend en verterend is. Als zulk een boodschapper optreedt, dan zal hij bij voorbaat zijn leerlingen waarschuwen dat zij niet ongestraft met het Eerste Mysterie, met de kracht van de geest, kunnen worden geconfronteerd. En dat zij dus maar niet zo, zonder meer, emotioneel of intellectueel kunnen luisteren, óf aannemen, óf verwerpen. Als een mens willens en wetens het Eerste Mysterie nadert, dan wordt hij door de brand des vuurs getroffen.

Dit alles moest met grote nadruk onder uw aandacht worden gebracht. In de School van het Rozenkruis wordt op zijn minst van het Eerste Mysterie uit met u gewerkt. Daarom zijn de tempels van het Rozenkruis gesloten voor openbaar werk en daarom worden zij alleen opengesteld voor serieuze leerlingen. Vandaar dat de School bij voortduring, in het belang van de betrokkenen zelf, wordt uitgekamd. Alle lauwen, alle onverschilligen, alle onwaardigen worden bij voortduring uit de rijen van de leerlingen verwijderd, opdat zij niet door de vernietigende kracht van het Eerste Mysterie zullen worden getroffen.

Aan alle overigen wordt bij voortduring duidelijk gemaakt wat er van hen wordt verlangd. Niemand van hen kan bij de aanschouwing blijven staan. Het gaat in de School van het Rozenkruis om ‘alles of niets’. Daarom moet de volle maat van de verantwoordelijkheid op uw schouders worden gelegd.

Als een leerling onder de invloed van het Eerste Mysterie komt te staan, en deze leerling heeft besloten zich in de School te handhaven terwijl hij of zij onwaardig is, dan zal, door de invloed van het Eerste Mysterie, de twaalfvoudige aardse lipika krachtiger dan ooit werkzaam zijn, met al de gevolgen van dien.
Als een leerling in onwaardige staat onder de invloed van het Tweede Mysterie komt te staan, zal zijn zenuwstelsel op twaalfvoudige wijze worden verbroken.
Als een onwaardige leerling onder de invloed van het Derde Mysterie komt te staan, zal de gehele persoonlijkheid op twaalfvoudige wijze de gevolgen daarvan ondervinden.

Alleen in die gevallen, waarin de krachten van de Mysteriën mensen naderen die niet opzettelijk, niet in bravoure en niet in opzettelijk ongeloof, niet in huichelarij, spotzucht of arglistigheid de krachten van de Mysteriën trotseren, zal de uitgestorte kracht weer tot de boodschapper terugkeren zonder schade te veroorzaken.

Zo mag het voor u duidelijk zijn dat hij die zich na vele waarschuwingen leerling blijft noemen en het in diepste wezen niet is, geoordeeld wordt in overeenstemming met zijn zelfhandhaving. Er wordt van alle leerlingen van de moderne Geestesschool verwacht dat zij een Pistis Sophia zullen worden, dat wil zeggen een leerling die in geloofsweten bewust doorbreekt tot de eeuwige wijsheid. Zulk een leerling maakt een binding tot opstanding met de Gnosis.

Voor alle anderen die zich ophouden in de School moet hier van een oorzaak tot val gesproken worden. Zie, wij hebben het u gezegd!

LEES OVER DE BOVENSTAANDE BOEKEN OVER DE PISTIS SOPHIA

INHOUDSOPGAVE DE UNIVERSELE GNOSIS

Woord vooraf

  1. De ware en de valse Gnosis
  2. Paulus en de Gnosis
  3. De Heilige Geest en de Gnosis
  4. Het slangenvuur en de Gnosis
  5. De Gnosis van de Pistis Sophia
  6. De Gnosis en de Kerk
  7. De Gnosis en dichters en denkers
  8. De Gnosis als het oerprana
  9. De Gnosis en de regeneratie van de gehele natuur
  10. De neerdaling van de zeven stralen van het oerpranische licht
  11. De zeven bevrijdende handelingen (i)
  12. De zeven bevrijdende handelingen (ii)
  13. De zeven bevrijdende handelingen (iii)
  14. De zeven bevrijdende handelingen (iv)
  15. De wondere hof van Gethsémané
  16. Het mysterie van het endura
  17. De glorievolle opstanding
  18. De wonderbare visvangst
  19. Het net van de visser
  20. Het compendium

Bron: ‘De universele gnosis’ door Catharose de Petri en Jan van Rijckenborgh, hoeksteenserie 4

BESTEL DE UNIVERSELE GNOSIS

LEES MEER OVER DE ZES BOEKEN VAN DE HOEKSTEENSERIE