De verandering in het bloed – Gustav Meyrink over bewustzijn, levenslot, yoga, magie en de innerlijke Christus

BESTEL DE VERANDERING IN HET BLOED, SOFTBACK, € 15,00

BESTEL DE VERANDERING IN HET BLOED, E-BOOK, € 10,00

Romans schrijven was niet het enige dat Gustav Meyrink deed. Ook theosofie, yoga en spiritisme interesseerden hem. Hij ontdekte al gauw dat het voor hem ging over het goddelijke in de mens. Dat moet bevrijd worden. Het aardse kan nog zo mooi zijn, alleen het innerlijk telt. In ‘Verandering in het bloed’ boek beschrijft Meyrink zijn eigen ontdekkingstocht naar dat goddelijke, dat hem in zijn ziel diep heeft geraakt en zijn leven wezenlijk heeft veranderd.

SYNOPSIS

‘Met De verandering in het bloed laat Meyrink zien hoe het leven hem zelf tot in zijn heeft geraakt – en hem uiteindelijk wezenlijk heeft veranderd. In dit autobiografisch verslag beschrijft hij boeiend en met humor zijn gang door de Theosofische Vereniging en zijn experimenten met yoga en spiritisme. Om uiteindelijk te vinden: het gaat er niet om zelf een god te worden, maar om het goddelijke, dat er altijd al is, in ons te bevrijden.

In de moderne tijd kan de zoekende mens, mede door de atmosferische verandering die Gustav Meyrink zeker voorvoelde, praktisch beginnen waar Meyrink eindigt: bij de innerlijke Christus. De verandering in het bloed is evenwel een boeiende leeservaring over hoe men zijn lot dynamisch maakt en het eigen bestaan nieuwe betekenis kan geven. Meyrinks meesterschap over het leven komt in dit autobiografische geschrift op fascinerende wijze tot uiting en het woordbeeld ‘Vivo’ – ik leef – op Meyrinks graf is een waarwachtig woord, waarmee men deze grote zoeker en wegbereider zeker recht doet.

LEES MEER OVER DE BOEKEN VAN GUSTAV MEYRINK

WOORD VOORAF

Met de uitgave van de biografische notities die Gustav Meyrink (1868-1932) vastlegde in De verandering in het bloed (Die Verwandlung des Blutes) voegt de Rozekruis Pers een belangwekkend geschrift toe aan haar publicaties van deze magisch-realistische schrijver. Wie gegrepen is door de scherpzinnige diepgang van zijn belangrijkste romans, zoals De Golem, Het Groene Gezicht, De Witte Dominicaan en De Engel van het Westelijk Venster, zal uiterst geboeid Meyrinks verslag van zijn eigen levenspad volgen.

In dit geschrift wordt geen sterveling gespaard en elke omgeving, situatie en vereniging waarmee Meyrink in aanraking komt, passeert zijn scherpzinnige radar; waarbij voor hem spreekt dat hij ook zichzelf allerminst spaart.

Meyrink noemde zijn opvatting van literatuur ‘magie-suggestie’. Met zijn boeken wilde hij bij de lezer beelden, gedachten en gevoelens opwekken die uitgaan boven het gewone literaire genre: hij wilde hem tot in de ziel raken. Met De verandering in het bloed laat hij zien, hoe het leven hem zelf tot in zijn ziel heeft geraakt en hem uiteindelijk wezenlijk heeft veranderd. Als we de inhoud van het essay nader beschouwen, kunnen we een volgende structuur zien:

  1. De schrijver begint met in te zien, dat de pogingen van de mensheid om de gecompliceerde levenssituatie te veranderen allereerst steeds halfhartig zijn en bovendien in feite onmogelijk.
  2. Meyrinks eerste stappen op de geestelijke weg beginnen bij een uitspraak van Boeddha: ‘Van het hart gaan alle dingen uit, ze zijn in het hart geboren en met het hart verbonden’.
  3. Daarna volgt zijn ‘reisverslag’ door de Theosofische Vereniging, de vele experimenten met yoga, de eigen pogingen, de telepathische proefnemingen en de lessen van de mysterieuze ‘Rozenkruiser J.’ …
  4. Uiteindelijk komt hij uit bij het eigen innerlijk: hij ziet het gelaat van de ‘vermomde’ of de ‘oude man’, dat wil zeggen de verborgen grond van het oorspronkelijke zijn.
  5. Het boek eindigt met de befaamde dagboekaantekening van vlak voor zijn overlijden in 1932, waarin hij duidelijk begrijpt dat al zijn pogingen en zijn zoeken, ook in yoga, weliswaar niet ergens toe leiden, maar toch niet voor niets zijn geweest, want:
  6. Hij heeft het inzicht gewonnen dat het er niet om gaat zelf een god te worden, maar om het goddelijke, dat er altijd al is, te bevrijden. Het gaat erom ‘Christus van het kruis’ af te nemen. En hij ervaart als waarheid:
  7. De ‘zeer oude’ is de oorspronkelijke geestmens, de ‘andere’. Het is Christus-in-ons.

Hiermee is Meyrinks leven exemplarisch; het is slechts uiterst zelden dat een zoeker langs alle paden van het esoterische levensveld weet te trekken om uiteindelijk als vinder te eindigen. Het is zeker niet de weg van de gemiddelde zoeker; in verreweg de meeste gevallen ontbreekt bij deze immers de kracht en de wil(!) van iemand als Meyrink (en enkele van zijn tijdgenoten) om dwars door alles heen vol te houden tot het goede einde.

Mensen als Meyrink hebben een weg gebaand, die de werkelijke zoeker veel tijd en leed kan besparen. Zeker, hij stelde de huichelachtige burgerlijkheid van zijn tijd en samenleving aan de kaak; maar daarvan zijn meer voorbeelden. Meyrinks verdienste ligt met name in de scherpzinnigheid waarmee hij het bedrijf aan gene zijde ontleedt. In de moderne tijd is het de zoeker gegeven mede dankzij de werkzaamheid van de atmosferische verandering die de schrijver zeker voorvoelde praktisch te mogen beginnen waar Meyrink eindigt: bij de innerlijke Christus. Daarom is en blijft De verandering in het bloed een boeiende leeservaring die veel inzicht biedt, waarbij de uiterst zorgvuldige vertaling recht doet aan de schoonheid van het origineel.

Aan deze tweede druk zijn twee brieven toegevoegd, die het beeld van Meyrinks leven op bijzondere wijze completeren.

Peter Huijs,
uitgever

DE VERANDERING IN HET BLOED

Al duizenden jaren probeert de mensheid aan het lijden op aarde te ontkomen door de wetten van de natuur te leren kennen en te begrijpen, met het doel ze aan zich dienstbaar te maken. De uitvindingen en ontdekkingen die men op dit gebied heeft gedaan zijn uitzonderlijk. Uitzonderlijker nog is de stap terug op het gebied van alles wat met het menselijk instinct samenhangt. In het bijzonder de westerse mens schijnt zich te willen ontwikkelen tot de meest instinctloze van alle wereldbewoners. Dat heeft hij bewezen vóór de oorlog, tijdens de oorlog en na de oorlog. Jammer!

Wie er vandaag de dag de voorkeur aan geeft, naar de stem van het instinct te luisteren – in plaats van uitsluitend naar die van het verstand – en die niet zonder op of om te kijken handelt volgens de recepten van vroegere ervaringen, die dikwijls ook allang niet meer kloppen, wordt beschouwd als een fantast die weerloos staat tegenover het toeval.

Steeds meer verlaat de mens zich op zijn ‘denkklier’ en aangezien die hem niets verklapt over wat met magie en de andere verborgen krachten van de ziel samenhangt, neemt hij aan dat zulke dingen helemaal niet bestaan of minachtend terzijde kunnen worden ‘geschoven.

De veronderstelling dat een mens met een gevoel hetzelfde is als een mens met een ziel, is een oeroud vooroordeel; een bewijs hoe verschraald de kennis van de ziel is geworden! Daarom de duidelijke verachting van de koele verstandsmens wanneer men over de ‘ziel’ spreekt. Hij denkt bij zichzelf: de gevoelsmens is niet opgewassen tegen de eisen die het leven stelt en heeft daarom geen bestaansrecht. Het zou kunnen dat hij in veel gevallen gelijk heeft.

‘Mijn Rijk is niet van deze wereld’, antwoordt de ander daarop, maar hij zegt het alleen maar; innerlijk zou hij dolgraag willen dat het hem in deze wereld net zo goed ging als de verstandsmens. Hij maakt zichzelf dus maar wat wijs; het meest bedenkelijke wat iemand kan doen. Wat beiden gemeenschappelijk hebben is de illusie dat hun zaligheid te vinden is in het tot stand brengen van uiterlijkheden. Zij hopen tevergeefs, zo vergeefs als een hansworst die gelooft dat hij de schaduw op de witte wand kan wegkrijgen door er met kalk naar te gooien!

Geluk en de gunsten van het lot, die alleen zijn het die succes brengen. De oppervlakkige toeschouwer die alleen maar de voor de hand liggende oorzaak ziet en nooit de innerlijke, de diepste oorzaak, vergist zich als hij meent dat slechts noeste vlijt de sleutel tot succes is. Wie geleerd heeft het leven nauwkeurig in het oog te houden en niet verblind is door ijdelheid, die weet dat men die noeste vlijt niet als een voorwerp naar believen naar zich toe kan trekken. Die vlijt moet een mens al in het bloed zitten, die kan zelfs niet worden aangekweekt. Het is geluk dat nieuw geluk aantrekt, in het ene geval misschien een erfenis, in een ander geval loon naar werken die in een vroeger leven werden verricht. Dat laatste zeggen de aanhangers van de Aziatische reïncarnatieleer.

Het is merkwaardig dat onze in andere opzichten zozeer op nieuwe uitvindingen beluste generatie zo verbluffend onverschillig staat tegenover de vraag: kan ik bewust en doelgericht de grillen van het toeval, geluk en ongeluk de baas worden? ‘Omdat zoiets onmogelijk is’, klinkt het antwoord uit miljarden kelen.

Hebben jullie het geprobeerd? Hebben jullie het geprobeerd, geprobeerd, steeds weer hardnekkig geprobeerd om bij niet ernstige ziekten en pijntjes het lichaam naar je hand te zetten? Natuurlijk niet door medicijnen te verzwelgen en adviezen op te volgen van de dokter wiens wetenschap heel vaak tekort schiet? Er wordt verlegen gelachen, geringschattend geglimlacht en er wordt weer ijverig met kalk gesmeten naar de schaduw op de wand.

Europese filosofie

Pogingen om zichzelf van de grond af te veranderen in een mens die vrij en superieur toeval en pech – niet alleen ziekten en kwaaltjes – de baas is, worden afgedaan als absolute waanzin. Vooral door hen die trots benadrukken dat zij de baas zijn over hun wil. Maar in werkelijkheid zijn zij de erbarmelijkste slaven van een vreemde macht over hun wil, die heimelijk hun doen en laten stuurt, zonder dat zij er ook maar het minste vermoeden van hebben. Juist zij willen niet eens een poging wagen. Slaven zijn ze van de demiurg die ze voor God houden en voor de voltrekker van hun lot. Voor hen is hij dat ook. Een verlatene is hij die zich op anderen verlaat, zelfs als die anderen goden zijn.

Alleen filosofische inzichten, aldus de verstandigen van ons geslacht, kunnen redding brengen uit de tredmolen die het leven voor de mens is geworden – en die het misschien wel altijd is geweest. Zijn onze filosofen uit de tredmolen ontsnapt? Was Kant in staat om iets als kiespijn weg te krijgen? Hij heeft het niet geprobeerd, zou men kunnen antwoorden. Ik geloof het niet! Hij zal vast wel eens hebben gedacht: raar toch dat ik zo veel weet en nog geen stap verder ben gekomen op de weg van het kunnen. En als hij niet op die gedachte is gekomen, dan zeker de man met het ‘gezonde mensenverstand’. 

Onze Europese filosofen hebben theorieën van een ongehoorde diepte opgesteld op het gebied van het bestaan, het leven en de verschijningsvormen van de zichtbare wereld. Zij hebben de juistheid van wat zij ontdekten logisch, soms zelfs wiskundig bewezen. Maar hoe men meester wordt over zijn lot: die weg hebben zij niet aangegeven. Kiwi’s – vogels zonder vleugels – zijn hun inzichten gebleven. De theorieën zijn door een gapende afgrond van de praktijk gescheiden. Ze zijn als vrouwen die geen kinderen baren.

Alleen maar van inzicht veranderen veroorzaakt geen verandering van het lot. De schaduw op de wand wegdenken? Werkt niet: om hem te veranderen, moet men het voorwerp dat tussen lichtbron en wand staat anders neerzetten. Wie dat – figuurlijk gesproken – tot stand brengt, is meester over zijn lot. Natuurlijk is het mogelijk dat de ‘schaduw’ daardoor nog afschuwelijker wordt dan hij voordien al was, maar de schuld ligt dan bij hem die verkeerd manoeuvreert. Hier moet handelen voorafgegaan worden door weten. Bestaat er zo’n weten? Het is te vinden, zelden weliswaar en met vuil bedekt, als goud beschermd tegen roest, maar het komt steeds weer tevoorschijn. Het lijkt zonder waarde voor al degenen die ogen hebben en toch niet kunnen zien. Het is blitterglitter voor hen die leven en niet weten waarvoor, dwaasheid voor de onafzienbare mensenkudde die, stompzinnig, onverschillig blijft voor alles wat er niet wordt ingetimmerd of stiekem in het oor wordt gedruppeld als het gif van de slang in het paradijs.

Over steeds dezelfde kale straten gaan ze op het dodenrijk af, ononderbroken zoals de kilometerslange school palingen in de paartijd de rivier afzwemt en in het net van de visser terechtkomt. Zowel bij palingen als bij mensen zou zo’n gedrag onbegrijpelijk zijn, ware het niet dat onder de drempel van het bewustzijn aan deze stoïcijnse gelijkmoedigheid een eeuwig smeulende zekerheid ten grondslag ligt: de innerlijke, zegevierende overtuiging bij mens en dier: ‘ik sterf niet, de dood is een loze hersenschim.’

Alleen zo kan men verklaren dat, wanneer een mens in het water valt, dozijnen hem naspringen om hem te redden, daarbij het eigen leven op het spel zettend. Daarentegen: wanneer ze hem zouden kunnen redden door geld te geven, zouden ze het niet doen! Het liedje van de ‘brave burger’ is nooit waar geweest. Men is bang voor het leven, men weet het alleen niet!

Vele nobele geesten leefden in de waan dat de mens z’n zekere ondergang tegemoet holde, wanneer hij niet ’tot inkeer’ zou komen, berouw zou tonen, de wereld zou verzaken, of hoe al die vermaningen van vrome ijveraars ook mogen luiden. En het resultaat? Menigeen spitste de oren, sloeg zich op de borst, ging heen en – vergoot het bloed van de anderen, van hen die niet geloofden als hijzelf. Later zijn de gewoonten wat milder geworden. Niet omdat de mensen beter zouden zijn geworden, alleen maar indolenter, minder fanatiek. ’s Zondags gaan ze naar de kerk, doen net alsof ze de woorden ter harte nemen die iemand die het goed bedoelt hun tussen tien en elf uur voorhoudt. Daarna gaan ze weer naar buiten, hangen het zwarte pak in de kast en het burgerlijk wetboek wint het, zoals altijd, van het boek der boeken. Alleen al omdat het niet zo zwaar is ingebonden.

Steeds weer dezelfde scène in de geschiedenis, aan het slot van elk bedrijf: bolsjewisme, de ‘religie’ van de vertwijfeling. Daarna: pauze, en een nieuw bedrijf. Weer precies hetzelfde spel, zou men kunnen zeggen, wanneer de toneelspelers geen andere kostuums droegen. En, zoals eerder, staat het weten, het werkelijke weten waar het om gaat, onopgemerkt achter de coulissen. Het mag niet op het toneel komen; de komediespelers laten het niet voor het voetlicht toe. Ze zijn bang dat het met hun applaus op de loop gaat.

De vermomde figuur

Zesendertig jaar is het geleden dat ik voor de eerste keer een vermoeden kreeg van die vermomde, geheimzinnige gestalte achter de coulissen van het leven. Hij gaf me stille tekens die ik lang, lang niet begreep. Ik was nog te jong om te begrijpen wat de gestalte mij wilde zeggen. Het spel van de komedianten op het toneel hield me nog te veel in z’n ban. Ik leefde in de veronderstelling dat hun toneelstuk belangrijk was en ook voor mij was geschreven.

Daarna, toen ik zelf zou meespelen, maar de mij toegedachte rol me niet beviel, overviel me een wilde, uitzinnige haat tegen de geschminkten op het toneel. Ik zag de ‘gevoelvolle’ ogen, die in werkelijkheid alleen maar spiedden waar de naaste zijn portemonnee had. Ik begreep dat het prachtige decor geen echt paleis was, maar beschilderd karton, en ik goot mijn fanatieke haat tegen het komediantendom in de vorm van satires of hoe men die ook moge noemen. Een paar korte tekens had de vermomde gestalte gegeven, maar ze werkten als inspiraties. Ze waren voldoende om van de ene nacht op de andere van een zakenman een schrijver te maken.

Ik zal later wel preciezer beschrijven hoe dat kon gebeuren. Het gebeurde door ‘verandering van het bloed’. Een paar snelle, stille tekens van de vermomde gestalte hadden het teweeggebracht. Lange tijd ben ik er van uitgegaan dat alle gegrimeerde medespelers naast me en om me heen beroepskomedianten waren, tot ik gaandeweg ontdekte: menigeen gelooft rotsvast in de echtheid van de figuur die hij uitbeeldt, die figuur is een masker geworden en hij weet het zelf niet. Hij speelt zijn rol en heeft vergeten dat men hem tegen zijn wil bij het toneelgezelschap heeft ingelijfd, vergeten dat een groepje leugenachtige regisseurs hem al in z’n vroegste jeugd daarvoor geronseld heeft. Toen begon mijn haat weg te ebben, temeer omdat ik zag: die treft zijn doel maar amper. En treft dikwijls niet degene op wie ik mik; treft anderen op wie ik het niet heb gemunt.

Daarna begon ik in romans en novellen te verwijzen naar de vermomde gestalte achter de coulissen. Velen spitsten de oren, anderen schudden het hoofd en mompelden: waar is hij op uit? Achter op het toneel staat niemand. Of degenen die luisterden ook lang genoeg in het duister hebben gestaard, waarin ik had gezegd dat de vermomde stond, wie kan het weten? Menigeen zal vast z’n geduld hebben verloren en zich weer hebben gestort in het bonte saterspel op het vrolijke, kunstig belichte toneel des levens.

‘Geschift’, dat zal hun oordeel wel zijn en degenen die ik ooit met mijn haat heb getroffen, zijn het daarmee eens en zeggen: hij heeft bewust gelogen! Hij is een huichelaar, hij heeft geen idealen. Op één punt hebben ze gelijk: hun idealen zijn de mijne niet. Tot mijn dood toe zullen pathos en schmink mij een gruwel blijven. Deze tekens van de vermomde heb ik van begin af aan juist geïnterpreteerd!

Belangrijker wenken en tekens begreep ik maar langzaam, want het leven toverde mij andere beelden voor ogen. Als ik niet bij machte bleek – ook niet door diep in mezelf te graven – zijn gebaren te begrijpen, stelde het leven zich als uitlegger tussen mij en de vermomde gestalte.

De giftige erfenis van alle mensen: het geloof dat men zich alleen kan verrijken met de kennis van anderen, dat men tot verzadigens toe kan drinken uit het verleden van de mensheid, dat geloof kwam op me af. De uitlegger die tussen mij en de vermomde stond, sprak een andere taal dan de taal die voor mij was bestemd. Hij loog en – om me niet te laten merken dat hij loog – sprak hij bij tijd en wijle de waarheid. Maar ik hield me onverstoorbaar vast aan één niet mis te verstane wenk van de vermomde, ondanks het spottende gezicht van de uitlegger: waar en wanneer ik kon, vestigde ik de aandacht op de gestalte achter op het toneel. Het kon me niet schelen of iemand die ik op hem wees mij geloofde of niet, of men lachte, gelovig luisterde, een geeuw onderdrukte, of z’n lachen verbeet.

INHOUDSOPGAVE

Synopsis
Woord vooraf

De verandering in het bloed
Europese filosofie
De vermomde figuur
Innerlijk waarnemen
Theosofische Vereniging
De rozenkruiser J.
Wat is yoga?
Eenwording
Telepathie
Kerning en rituaal van de vrijmetselaars
Experimenteer niet met de ademhaling!
De wending van het levenslot
Tibetaanse projectie
Fakirs
Kalk gooien naar schaduwen
Een dagboekaantekening van Gustav Meyrink
Twee brieven

Nawoord van de vertaler
Noten

BESTEL DE VERANDERING IN HET BLOED, SOFTBACK, € 15,00

BESTEL DE VERANDERING IN HET BLOED, E-BOOK, € 10,00

LEES MEER OVER DE BOEKEN VAN GUSTAV MEYRINK

 

1 thought on “De verandering in het bloed – Gustav Meyrink over bewustzijn, levenslot, yoga, magie en de innerlijke Christus

  1. Frans van der Varst

    Op dit moment ben ik 70 jaar. 50 jaar geleden had ik n bijzondere ervaring. Jarenlang had ik mijzelf veroordeeld om wie ik was. Op een avond probeerde ik mij het totale NIETS voor te stellen, de totale duisternis , waar niets is,was,of zal zijn.Mijn hart ontplofte bijna.Het was een verschrikking. Maar toen kwam een gedachte op: als ik dit kan bedenken moet er iets zijn als het totale LICHT , de totale LIEFDE, het GOEDE dat alleen maar goed is en mij niet veroordeeld. Ik kan mij volledig herkennen in wat Gustav Meyrink noemt:staren in de duisternis. Ook nu nog zoek ik de duisternis op om de blubber in mijn persoonlijkheids systeem genadeloos te analyseren. In de wetenschap dat er altijd het Licht is dat mij dit laat doen.

Reacties plaatsen niet mogelijk.