Gustav Meyrink over John Dee – het begin van zijn roman ‘De Engel van het westelijk venster’


BESTEL ‘DE ENGEL VAN HET WESTELIJK VENSTER

GUSTAV MEYRINK OVER ZIJN ROMAN DE ENGEL VAN HET WESTELIJK VENSTER

Volgens Gustav Meyrink is er de mens in deze wereld, en het oorspronkelijke leven, de innerlijke mens. De zoekende mens heeft geen inzicht en schept illusies die hem te gronde richten. Die illusies noemt Meyrink ‘engelen van het westelijk venster’. Als we God willen vinden, moeten we de binding houden met het juweel met de twaalf vlakken, zo schrijft hij. Dit alles vertelt hij aan de hand van het levensverhaal van John Dee, alchemist in de tijd van Elisabeth I (1533-1603).

Sir John Dee of Gladhill – een naam die vermoedelijk weinigen in hun leven gehoord hebben. Toen ik ongeveer vijfentwintig jaar gelden zijn levensgeschiedenis las – een levenslot zo avontuurlijk, zo fantastisch, zo aangrijpend, en zo ontzettend, dat ik niets kende dat daarmee kon worden vergeleken – drong het gelezen zo diep in mijn wezen in dat ik mij als jongeman soms ’s nachts naar het Alchemistenstraatje op de Praagse Burcht begaf en mij in de romantische droom verloor dat uit een van de vervallen deurtjes van een van de nauwelijks manshoge huisjes John Dee in de door de maan beschenen staat in levenden lijve tegemoet zou treden, mij zou aanspreken en met mij in gesprek zou geraken over de geheimen van de alchemie. Niet de soort alchemie die het raadsel doorgronden wil hoe uit een onedel metaal goud kan worden gemaakt, maar een verborgen kunst: hoe de mens zelf zou kunnen worden veranderd van een sterfelijk wezen in een wezen dat het bewustzijn van zichzelf nooit meer zou verliezen. 

Soms gingen er maanden voorbij waarin de figuur van John Dee uit mijn geheugen verdwenen leek, maar later kwam hij dan weer terug, meestal in mijn dromen, onuitwisbaar, helder en duidelijk. Niet dikwijls, maar wel regelmatig, zo ongeveer als de 29e februari, die zich eerst uit vier delen moet samenvoegen alvorens men in een schrikkeljaar kan zeggen ‘Het is een hele dag geworden.’

Later, toen ik schrijver geworden was, wist ik met zekerheid dat deze John Dee mij niet meer los zou laten, tot ik op een dag het besluit zou moeten nemen – als slaaf van een gedachte, zoals wij allen slechts de slaaf van onze gedachten zijn en zeker niet hun schepper – zijn lotgevallen vast te leggen in een roman, zo goed en zo kwaad ik daartoe dan in staat zou zijn.

Het is nu bijna twee jaar geleden dat ik het ‘besluit’ nam met die roman te beginnen. Maar iedere keer als ik mij aan mijn schrijftafel zette, werd ik honend aangesproken door een innerlijke stem: ‘Wil je een historische roman schrijven? Weet je dan niet dat alles wat met historie te maken heeft doortrokken van lijklucht – een weerzinwekkende lucht als van oude veren, waarvan de geur van het levende heden ontbreekt?’

Als ik dan echter het plan wilde opgeven, riep ‘John Dee’ mij steeds weer tot de arbeid, hoezeer ik mij daartegen ook verzette. Tenslotte kwam ik op de verlossende gedachte de lotgevallen van een nu levende mens te vervlechten met die van de ‘dode’ John Dee, om op die manier als het ware een tweevoudige roman te schrijven. 

Of ik zelf die levende mens ben? Ik zou het kunnen beamen, maar ik zou het ook kunnen ontkennen. Men zegt wel eens dat, als een schilder iemands portret maakt, hij, zonder het te willen, daarin ook iets van zijn eigen wezen tot uitdrukking brengt. Bij een schrijver zal dat eveneens wel het geval zijn. 

Wie John Dee was? Wel, het staat in mijn boek. Hier wil ik alleen zeggen dat hij een gunsteling was van koningin Elisabeth van Engeland en dat hij haar de raad gaf Groenland en Noord-Amerika te onderwerpen aan de kroon van Engeland. Dit plan werd goedgekeurd en de legerleiding wachtte slechts op het bevel deze veroveringsoorlog in gang te zetten. Maar op het laatste moment trok de grillige koningin haar besluit in. Als Elisabeth Jan Dee’s raad opgevolgd had – de landkaarten zouden er anders hebben uitgezien dan nu!

Toen John Dee zag dat zijn eerzuchtige plan schipbreuk had geleden, besloot hij een ander land dan het aardse ‘Groenland’ te veroveren, een land welks exploitatie tegenwoordig slechts door zeer weinig mensen wordt ondernomen: een ‘ander’ land – over welks bestaan in onze tijd even hard gelachen wordt als destijds over het ‘Amerika’ waarvan Columbus droomde.

Naar dat ‘andere’ land ging John Dee op weg, vastberaden, evenals destijds Columbus, zonder zich van zijn doel te laten afhouden. Zijn reis was afmattender, huiveringwekkender en slopende dan die van Columbus. Maar zijn reis ging ook verder, veel verder dan die van Columbus. Wat wij uit de ons overgeleverde feiten van Dee’s avonturen weten is al aangrijpend genoeg – hoe schokkend zullen dan zijn belevenissen geweest zijn  waarvan wij niets weten! Leibnitz heeft hem terloops genoemd, maar de geschiedschrijvers hebben er de voorkeur aan gegeven geen gewag meer van hem te maken. Wat men niet begrijpen kan wordt gemakkelijk afgedaan als ‘dwaas’. Ik echter ben zo vrij te geloven dat John Dee verre van dwaas was. 

Vast staat dat John dee een van de grootste geleerden van zijn tijd was. Geen vorst in Europa die hem niet gevraagd heeft aan zijn hof te komen. Keizer Rudolf liet hem naar Praag komen. Daar maakte hij, zo luidt het verhaal, goud uit lood. Zijn vurigste streven was echter niet gericht op de transformatie van metalen, zoals ik al aangeduid heb, maar op een heel andere soort transformatie. Welke dat is, heb ik getracht in mijn roman uiteen te zetten. 

(Vertaald uit het maandblad ‘Der Bücherwurm, Leipzig, 1927) 

Het begin van de roman ‘De engel van het westelijk venster van Gustav Meyrink’

Een vreemde, wonderlijke gewaarwording: het dichtgebonden en verzegelde eigendom van een dode in handen te houden. Het is alsof fijne, onzichtbare draden, ragfijn als die van een spinneweb, van hem uitgaan en in een duister rijk voeren. 

De zorgvuldige verpakking in het blauwe pakpapier en de wijze waarop het touw er meervoudig omheen gebonden is, getuigen zwijgend en stil van het doelbewuste denken en handelen van een mens die de dood voelde naderen en die daarom brieven, notities, dozen, gevuld met allerlei dingen die eenmaal belangrijk waren, doch die nu afgedaan hebben en verzadigd zijn met herinneringen, verzamelt, schift, ordent, half en half met zijn gedachten reeds toevend bij de toekomstige erfgenaam, bij een mens die hij nagenoeg niet kent, die hem verre staat – bij mij – die zal weten en ervaren dat hij is heengegaan, zodra het gesloten pakje, dat in het rijk der levenden verborgen was, zijn weg in vreemde handen gevonden heeft. 

Het is verzegeld met de zwaarwichtige, rode zegels van mijn neef John Roger, die het familiewapen dragen van mijn moeder en haar familie. Reeds lang werd deze zoon van mijn moeders broeder door nichten en tantes ‘de laatste van zijn geslacht’ genoemd. Deze woorden klonken mij altijd in de oren als een plechtige titel achter zijn toch reeds zonderlinge naam, te meer daar ze met een zonderlinge, ietwat belachelijke trots werden uitgesproken of, beter gezegd, werden ‘uitgekucht’, door de laatste oude en verschrompelde telgen van een uitgestorven geslacht. 

Deze stamboom – zo werkt dit heraldieke woordbeeld verder in mijn peinzende fantasie – heeft wonderlijk knoestige takken over verre landen uitgespreid. Hij heeft wortel geschoten in Schotland en heeft in geheel Engeland gebloeid; men beweert dat hij met een van de oudste geslachten van Wales verwant is geweest. Krachtige loten schoten later wortel in Zweden, in Amerika, tenslotte in Stiermarken en in Duitsland. De takken zijn overal afgestorven; de stam verdorde in Groot-Brittannië. Slechts hier bij ons, in Zuid-Oostenrijk, liep nog een laatste tak uit: mijn neef John Roger. En deze laatste tak is door – Engeland vermorzeld. 

Wat was ‘Zijne Lordschap’, mijn grootvader van moeders zijde, op overleveringen en namen van zijn voorouders gesteld! Terwijl hij toch slechts een veeboer in Stiermarken was. John Roger, mijn neef, had andere wegen ingeslagen, natuurwetenschappen bestudeerd en als arts geliefhebberd in de moderne psychopathologie, grote reizen gemaakt, met grote volharding kennis vergaard in Wenen en Zürich, Aleppo en Madras, in Alexandrië en Turijn, bij gediplomeerden en bij hen die geen enkele diploma bezaten, bij eminente kenners van het diepere zieleleven, die óf stijf stonden van oosters vuil óf van een westers stijf gestreken overhemd. 

Enige jaren voor het uitbreken van de oorlog was hij in Engeland gaan wonen. Naar verluidt deed hij daar nasporingen naar de lotgevallen en de herkomst van ons oude geslacht, hiertoe gedreven door overwegingen die mij niet bekend zijn. Er werd echter van hem gezegd dat hij bezig was een diep, wonderlijk geheim na te speuren. Toen plotseling de oorlog uitbrak, werd hij, als Oostenrijks reserve-officier, geïnterneerd. Na vijf jaar verliet hij het kamp als een gebroken man, die het Kanaal niet meer overstak. Hij stierf ergens in Londen en liet slechts weinig eigendommen na, die nu onder de verre verwanten verdeeld zijn. 

Voor mij bleef, met enkele souvenirs, het heden aangekomen pakket over; het met steile letters geschreven adres vermeldde mijn naam. 

De stamboom heeft opgehouden te bestaan, het wapen is gebroken. Dit is slechts een onbetekenende gedachte van mij, want geen heraut voltrok boven de groeve deze sombere plechtigheid. 

‘Het wapen is gebroken’ – zo sprak ik zacht in mijzelf, terwijl ik de rode zegels verbrak. Niemand zal dit stempel meer gebruiken. 

Het is een sterk, prachtig wapen, dat ik nu stuk breek. Stuk breek? Vreemd, is het mij niet plotseling te moede alsof ik een leugen neerschrijf? 

Wél verwijder ik het zegel, maar wie weet: misschien wek ik het wapen slechts uit een lange slaap. Op het schild, dat over drievierde deel van zijn lengte gesplitst en boven de voet gevorkt is, staat in het rechter blauwe veld een zilveren zwaard, loodrecht in een groene heuvel gestoken vanwege de bezitting Gladhill in Worcester van onze voorouders. In het linker zilveren veld staat een uitbottende boom, tussen welks wortels een zilveren bron ontspringt – vanwege Mortlake in Middlesex. En in het groene wigvormige veld boven de voet van het schild staat een brandend licht, in de vorm van een lamp uit de vroeg-christelijke tijd. Een ongewoon motief op een wapenschild, dat van oudsher de bevreemding van de kenners der heraldiek heeft opgewekt. 

Ik aarzel om het laatste, zeer mooi afgedrukte zegel te verbreken; het is een waar genoegen het te bekijken. Maar wat is dat? Dat is beslist niet de brandende hanglamp boven de voet van het schild! Het is een kristal! Een regelmatig twaalfvlak, door lichtstralen als van een aureool omgeven. Een stralende karbonkel dus, geen flauw schijnende olielamp. En wederom bekruipt mij een zonderling gevoel: het is mij alsof een herinnering, die in mij heeft liggen sluimeren sedert – ja, sedert eeuwen wellicht, thans moeizaam tot leven en bewustzijn tracht te komen. 

Hoe komt toch die karbonkel in het wapen? En, kijk daar: een randschrift om het wapen heen in zeer kleine letters. Ik neem de loep en lees: Lapis sacer sanctificatus et praecipuus manifestationis. (Een geheiligde heilige steen en een bijzondere openbaring.) 

Hoofdschuddend bestudeer ik deze onbegrijpelijke nieuwigheid in het oude en mij overigens zo bekende wapen. Dit zegel heb ik beslist nooit gezien. Of mijn neef John Roger is in het bezit geweest van een tweede zegelstempel, óf… ja, zó is het: de scherpe, moderne wijze van snijden is onmiskenbaar: John Roger heeft in Londen een nieuw stempel voor zichzelf laten snijden. Maar waarom? De olielamp! Plotseling zie ik de logische en bijna belachelijk eenvoudige oplossing van het raadsel: de olielamp was slechts een verminking uit de late baroktijd. Van oudsher heeft het wapen een fonkelend bergkristal gevoerd. 

Maar wat kan dat randschrift eromheen betekenen? Merkwaardig, zo bekend, zo op de een of andere wijze innerlijk vertrouwd als dat bergkristal mij aandoet. Bergkristal! Ik ken een sprookje van een fonkelende karbonkel, die ergens hierboven straalt – maar ik ben het sprookje vergeten. 

Aarzelend verbreek ik het laatste zegel en maak het pakket los. Wat eruit valt zijn oeroude brieven, akten, oorkonden, uittreksels, vergeelde perkamenten, beschreven met het cijferschrift van de rozenkruisers, dagboeken, platen met hermetische pentakels, gedeeltelijk half vergaan, enige in varkensleer gebonden boekdelen met oude kopergravures, bundeltjes geschriften van allerlei soort; verder een paar ivoren kistjes vol met wonderlijke oude dingen, munten, stukjes hout, op de wijze van relikwieën in dun zilver en goud gevat, beentjes, en tenslotte, van vet glimmend en als kristal in scherpe vlakken gesneden, monsters van de beste steenkool uit Devonshire en allerlei zaken meer. Bovenop een briefje, geschreven met het steile handschrift van John Roger: 

Lees of lees niet. Verbrand of bewaar. Voeg stof bij stof. Wij, van het geslacht der Hoël Dhats, vorsten van Wales, zijn dood. Mascee. 

‘Zijn deze regels voor mij bestemd?’, zo vraag ik mij af. Dat moet wel. Ik begrijp hun betekenis niet en ik gevoel mij in het geheel niet gedrongen deze na te pluizen; zoals een kind zich zou afvragen: ‘Waarom moet ik dat nú weten. Later zal ik alles wel vanzelf ondervinden.’ Wat betekent echter het woord Mascee? Het maakt mij nieuwsgierig. Ik zoek het op in de encyclopedie. ‘Mascee, een Engels-Chinese uitdrukking’, lees ik daar; zij betekent zoiets als: ‘Wat komt het er op aan’. Het woord heeft dezelfde betekenis als het Russische woord ‘nitsjewo’. 

Het was reeds diep in de nacht toen ik gisteren, na lang peinzen over leven en lot van mijn neef John Roger en over de vergankelijkheid van alle verwachtingen en van alle aardse dingen, van tafel opstond om het nauwkeuriger onderzoek van de nalatenschap voor de volgende dag te bewaren. Ik ging naar bed en viel spoedig in slaap. 

Klaarblijkelijk heeft de gedachte aan het bergkristal in het wapen mij in de slaap achtervolgd; in ieder geval herinner ik mij niet ooit zulk een vreemde droom gehad te hebben als in die nacht. 

De karbonkel zweefde ergens hoog boven mij in de duisternis. Een zwakke straal die ervan uitging, raakte mijn voorhoofd en ik voelde duidelijk dat er tussen mijn hoofd en de steen op deze wijze een zinvol contact tot stand was gekomen. Ik trachtte mij aan dit contact te onttrekken, omdat het mij verontrustte en draaide daarom mijn hoofd opzij heen en weer, maar het gelukte mij niet de lichtstraal te ontwijken. 

Bij het heen en weer bewegen van mijn hoofd deed ik echter een ervaring op die mij bevreemdde. Het kwam mij namelijk voor alsof de straal van de karbonkel ook dan op mijn voorhoofd scheen als ik mijn gezicht in de kussens begroef. En ik voelde duidelijk hoe mijn achterhoofd de plastische structuur van een nieuw voorhoofd aannam: vanuit de kruin van mijn hoofd groeide een nieuw, tweede gezicht. Het beangstigde mij niet: ik vond het alleen lastig, omdat het mij nu op geen enkele manier mogelijk was de lichtstraal te ontwijken. 

‘Januskop’, zei ik tegen mijzelf, doch ik wist in mijn droom dat dit slechts een herinnering aan wijsheid uit de Latijnse les was en ik wilde mijzelf met deze verklaring tevreden stellen. Maar het beeld liet mij niet met rust. Janus? Onzin, niet: Janus. Maar wat dan wel? Met ergerlijke vasthoudendheid klampte mijn droombewustzijn zich aan dit ‘wat dan wel’ vast. Daarbij kwam dat het mij niet te binnen wilde schieten wie ik was. 

In plaats daarvan gebeurde er iets anders: de karbonkel daalde langzaam, langzaam van de hoge plaats boven mij af en naderde de kruin van mijn hoofd. En ik had het gevoel dat hij zo vreemd, zo oervreemd voor mij was, dat ik het op geen enkele manier onder woorden had kunnen brengen. Een voorwerp van verre hemellichamen had mij niet vreemder kunnen zijn. Ik weet niet waarom ik nu, terwijl ik nog eens de droom in mijzelf naga, moet denken aan de duif die bij de doop van Jezus door de asceet Johannes uit de hemel neerdaalde. Hoe meer de karbonkel naderbij kwam, hoe steiler de lichtstraal op mijn hoofd viel, dat wil zeggen: op de verbindingslijn van de beide hoofden. En langzamerhand voelde ik daar een ijskoud branden. Door dit gevoel, dat niet eens onaangenaam was, ontwaakte ik. 

De morgen, volgende op deze nacht, ging met peinzen over de droom voorbij. Moeizaam en aarzelend maakt zich uit de beelden van mijn vroegste kinderjaren een flauwe herinnering los: de herinnering aan een gesprek, aan een verhaal, aan iets wat ik gedacht of gelezen heb – of wat het dan ook geweest mag zijn – waarin een karbonkel voorkwam en een gezicht of een gedaante, die echter niet ‘Janus’ heette. Een bijna vervaagd visioen kwam langzaam …

Wie als de hoofdpersoon in het boek, na het gaan van een lange ervaringsweg bewust de binding ondergaat met de straling van de karbonkel met de twaalf vlakken, uit de ‘droom van de Hoël Dhats’, bereikt de bekroning van zijn zoekend streven en wordt opgenomen in het oorspronkelijke, goddelijke levensveld.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *