Leven en werken van Gustav Meyrink – voordracht van Frans Smit uit symposionreeks 19 – Een laatste grens

LEES MEER OVER DE SYMPOSIONBUNDEL OVER GUSTAV MEYRINK

Gustav Meyrink was een vurig mens. Hij was vurig in alles: in sport, in duelleren, in converseren, in het zoeken naar spirituele kernwaarden in de grensgebieden van leven en bewustzijn. Hij was ook, aanvankelijk, vurig met zijn pen, of beter gezegd: scherp. Meyrink had, kortom, iets onverschrokkens.

In zijn jeugdjaren en als adolescent leefde hij zich naast roeien, schaken en pokeren ook uit in liefdesavonturen. In een artikel van zijn hand, getiteld Meine Erweckung zur Seherschaft, heeft hij het over liefdesaffaires waarin hij verwikkeld was, die uitmondden in steeds weer  intens liefdesverdriet. Hij was toen 23 jaar, een gevoelige leeftijd.

Verteerd door sentiment en blijkbaar ook onverschrokken, besloot hij een eind aan zijn leven te maken. In het essay Der Lotse (De loods), beschrijft hij wat er toen gebeurde:

‘Ik zat in Praag op mijn vrijgezellenkamer aan mijn bureau, stak de afscheidsbrief die ik aan mijn moeder geschreven had, in de envelop, en greep naar de revolver die voor me lag; want ik wilde de tocht over de Styx gaan maken, wilde een leven dat mij schraal, waardeloos en troosteloos toescheen, nu en in de toekomst van mij af gooien. Op dat ogenblik trad ‘de loods met de onzichtbaar makende kap voor het gezicht’, zoals ik hem sindsdien noem, aan boord van mijn levensschip en gooide het roer om. Ik hoorde een geritsel aan de kamerdeur, en toen ik mij omdraaide, zag ik dat iets wits onder de rand van de deur werd geschoven. Het was een gedrukt blaadje. Dat ik de revolver weglegde, het blaadje oppakte en de titel las, kwam noch voort uit opwinding vanwege nieuwsgierigheid, noch uit de heimelijke wens de dood van mij af te schudden – mijn hart was leeg. Ik las: Over het leven na de dood.
Merkwaardig toeval!, zo wilde een gedachte van mij bezit nemen. Ik bracht echter nauwelijks het eerste woord over mijn lippen. In toeval heb ik sindsdien nooit meer geloofd, wel in … loodsen.’

Het foldertje dat Meyrink in zijn hand hield, was afkomstig van een occulte boekhandel; het ging over allerlei onderwerpen als spiritisme, toverij, magie, enzovoorts. Hij schrijft:

‘De vurige wens zulke zaken met eigen ogen te zien, ze met eigen handen te grijpen, op hun echtheid te beproeven en de geheimen die eraan ten grondslag liggen te doorschouwen, vlamde in die nacht tot een niet te stillen dorst naar kennis in mij op. Ik nam de revolver als een voorlopig onbruikbaar geworden voorwerp en sloot hem op in een lade. Ik bezit hem tot op de dag van vandaag. Hij is aan roest gestorven en zijn trommel draait niet meer, zal nooit meer draaien.’

Van toen af aan ging zijn lot ‘galopperen’. Meyrink begon aan zijn lange en avontuurlijke speurtocht door de grensgebieden van leven en dood, van het zichtbare en het onzichtbare, van onbewustheid en bewustzijn. Het was niet zo, dat zijn plotseling opgewekte belangstelling voor de grensgebieden, voor het occulte of de arcane wetenschappen, helemaal uit de lucht kwam vallen. Van kindsbeen af had hij visoenen. Zijn helderziende gave had toen nog een spontaan karakter, later heeft hij geleerd die te hanteren.

De vurigheid en de overgave waarmee hij na die radicale wending in zijn leven de grensgebieden met zijn niet te stillen dorst naar kennis ging bestoken, hebben hem altijd als een tweede natuur begeleid. Psychologisch verklaarbaar vanwege zijn buitenechtelijke afkomst en het stigma dat hij daardoor in de eerste levensjaren met zich moest dragen, uitte die drang zich in zowel zijn schrijversschap als zijn leven. Als schrijver was hij berucht door de scherpe satire en de onverbiddelijkheid waarmee hij lieden die in zijn ogen oplichters waren op spiritueel terrein, ontmaskerde.

Als kunstenaar, voor wie leven en schrijven op het laatst volledig samenvielen, ontwikkelde hij zich langs de soms grillige lijnen van twee spanningsbogen. De eerste spanningsboog is die tussen leven en dood; de tweede tussen sterfelijkheid en onsterfelijkheid.

De eerste spanningsboog, die tussen leven en dood, is eigen aan elke grote kunstenaar. Men denke bijvoorbeeld aan de in 2007 overleden schrijver Jan Wolkers, die schreef met het perspectief van de dood voor ogen. Voor Meyrink betekende het niet dat het thema dood of sterven centraal in zijn oeuvre stond – eerder in tegendeel. Wel komt het lugubere en het macabere veel voor in de korte verhalen die hij in de begintijd van zijn carrière als auteur schreef. Hij schreef echter niet, zoals zijn vriend en illustrator Alfred Kubin, een roman over ‘gene zijde’. Hij was geen fin-de-siècle figuur; geen vertegenwoordiger van de ‘zwarte romantiek’ of van andere decadente uitingen die aan het einde van de 19e eeuw welig tierden in de Midden-Europese hoofdsteden Wenen en Praag. Daarvoor was hij te vurig. Meyrink was een in alle opzichten ‘levend mens – hier en daar’.

De eerste grote spanningsboog manifesteerde zich in de drang om grensoverschrijdend te willen zijn. Daarin was hij én modern, een echte pionier, én een kind van zijn tijd. Een kind van zijn tijd, omdat er in zijn tijd veel kunstenaars waren die het occulte, het geheime en onzichtbare omarmden. In het eerste kwart van de 20e eeuw waren veel van hen geïnspireerd door bijvoorbeeld de theosofie en de boeken van H.P. Blavatsky – componisten, schilders, architecten, dichters – die de grenzen van het zichtbare en kenbare opzochten én tot voorbij die grenzen trachtten door te dringen. Wat toen voorbestemd was voor een elite, is nu bijna gemeengoed geworden.

Het op zichzelf teruggeworpen worden en alles wat daarmee samen gaat, was modern, zeker toen. Meyrink streefde altijd naar onafhankelijkheid in oordeel, naar objectivering van andermans en eigen ervaringen. Hij was weliswaar te gast bij talloze spirituele en esoterische groepen en bewegingen, maar vermeed altijd zich ermee te verbinden.

Hij ontwikkelde een eigen visie op gebieden als magie, yoga en spiritisme, zonder die aan anderen aan te bevelen. Dat viel niet mee in die tijd. Voor de westerling die de laatste 200 jaar steeds dieper in de materie was afgedaald of voor wie het religieuze een automatisme was geworden, waren die zaken nieuw en onbekend. En er waren, zoals Meyrink schreef, veel oplichters maar ook ingewijden, die allemaal hun leringen hadden en hun volgelingen. Men moest dan ook echt een privat Person zijn als Gustav Meyrink, iemand die de achternaam van zijn moeder, Meyer, in Meyrink veranderde omdat hij de naam Meyer met te veel mensen moest delen, om nog onderscheid te kunnen maken.

Het was dankzij zijn vurige en onverschrokken karakter dat hij niets, of bijna niets op occult terrein, uit de weg ging. Daar mogen we hem nu dankbaar voor zijn, want anders hadden we niet van zijn diverse uitstapjes in de grensgebieden kunnen leren. Wat hij in die zin allemaal gedaan heeft, kunnen we hier niet uitvoerig behandelen. Dat zou een lange, hoewel niet saaie opsomming opleveren.

De karakteristiek van zijn speurtocht en ondernemingszin op terreinen als spiritisme, goud maken, meditatie oefeningen, yoga, drugs, telepathie – noem maar op – is mijns inziens stukken interessanter. De drang tot onderzoek en het willen vinden van een onafhankelijk oordeelsvermogen, aspecten die wij nu aquariaans zouden noemen, zijn het die ons zo sterk aanspreken.

Uit Meyrinks verslagen van zijn zoektocht klinkt een gezaghebbende toon; hier spreekt iemand die de grenzen van het burgerlijke leven en van religieuze of filosofische dogmatiek achter zich heeft gelaten, en die zelfstandig het bekende gezegde ‘Onderzoek alles en behoudt het goede’ in praktijk heeft gebracht. Voor hem gold – en daarin was hij heel modern – the sky is the limit. Niet de kreet, maar het onderzoeksterrein, waarop als geen ander geldt dat men daar zijn autonomie kan en moet bereiken. Hoe kan men die zelfstandigheid bereiken, anders dan door ernaar te streven?

Wie of wat, moeten we ons afvragen, is ‘de loods met de onzichtbaar makende kap voor het gezicht’, of kortweg ‘de vermomde’? Welke betekenis heeft deze figuur in Meyrinks leven gehad? Wij willen die vraag nu onderzoeken.

Aanvankelijk, zo schrijft hij in De verandering in het bloed, was de vermomde voor hem een vage gestalte:

‘Zesendertig jaar geleden was het, dat ik die vermomde, geheimzinnige gestalte achter de coulissen van het leven voor de eerste keer bemerkte. Hij gaf mij tekens, die ik lang, lang niet begreep; ik was nog te jong om te kunnen vatten wat de gestalte mij wilde zeggen.’

Het zou dus lange tijd duren voordat hij werkelijk begreep wat de vermomde hem wilde zeggen. Bij Meyrink was het zo, dat eerst nog oude spanningen moesten worden opgelost, spanningen tussen hem en de bourgeoisie, of ‘de geschminkten’ zoals hij zijn tegenstanders noemde. Hij moest er eerst achter komen welke rol, welke functie zijn tegenstanders, of die nu de agent Olic of de legerofficieren waren die hij tot een duel uitdaagde, vervulden. Vooralsnog staat zijn leven in het teken van ‘vlammend leed’.

In de turbulente periode van zijn leven in Praag, speelt hij dan weer de rol van een dandy, dan weer van wat decennia na hem genoemd zou worden, de angry young man. Een periode die hij zou verwerken in zijn scherpe, satirische stukken waarin hij met zijn wel of niet vermeende vijanden afrekent. Deze periode sluit hij af met een echtscheiding, een tweede huwelijk, een faillissement én een korte gevangenisstraf. Toch kon hij, toen al, schrijven:

‘Het hele bestaan is vlammend leed.
Wie dit met wijsheid ziet,
krijgt spoedig genoeg van het triest bestaan.
Dat is de weg tot loutering.’

Er was voor hem nog een lange weg van loutering en ontwaken te gaan. Als schrijver heeft hij niettemin ook grote successen gehad. Vooral zijn eerste roman, De golem, sloeg in als een bom en haalde hoge verkoopcijfers. Dit mede dankzij uitgebreide, voor die tijd moderne reclamecampagnes. Het magische thema van de golem, de creatie van een kunstmatig wezen, leefde sterk rond de tijd van verschijning in 1915, getuige de talloze dissertaties, boeken en films die over dit onderwerp verschenen.

Opvallend is ook, dat een goedkope pocketeditie van Meyrinks roman stuk werd gelezen door de soldaten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Dit vanwege het simpele feit dat een dergelijk fantastisch en rijk verhaal wegvoerde van de verschrikkingen van de oorlog. Maar er is meer. De loopgraven vormden een grensgebied, een schemerzone tussen leven en dood; de grens tussen overleven en sterven was daar dunner dan waar ook.

Bovendien zien we in De golem telkens hoe een onzichtbare, onbekende wereld de zichtbare doordringt. Achter de coulissen van het bekende bestaan, verzinnebeeld door het Praagse getto, woekert een geheimzinnig, onderbewust leven. In dat onzichtbare gebied werken zowel angstaanjagende, bedreigende als bevrijdende, verlossende elementen door. Dit moet, bewust of half bewust, velen in die onrustige tijd hebben aangesproken, een tijd waarin daadwerkelijk het onzichtbare bezig was door te dringen in het zichtbare bestaan.

Het was voor Meyrink toen al duidelijk dat het geestelijk ontwaken niet achter de sluier aan gene zijde van het leven lag. In zijn roman Het groene gezicht, dat één jaar na De golem verschijnt, laat hij de mythische figuur Chidher, de ‘eeuwig groene’, zeggen: ‘Wie op aarde niet leert zien, leert het aan gene zijde zeker niet.’ De verlossing wacht niet automatisch na de dood. Meyrink rekent daarmee af met een oud, hardnekkig religieus dogma of bijgeloof. Daarom ook waarschuwt hij voor het spiritisme, dat als een ‘pestgolf’ de aarde dreigde te overspoelen.

Eveneens in Het groene gezicht laat hij een van de hoofdfiguren zeggen:

‘Als je onzichtbare zelf als wezenheid aan je verschijnt, kun je haar herkennen doordat ze een schaduw werpt. Vroeger wist ik ook niet wie ik was, totdat ik mijn eigen lichaam als schaduw zag.’

En als Meyrink uitspreekt, dat de geheime weg tot wedergeboorte in de geest de verandering van het lichaam is en niet van de geest, dan wordt de weg tot loutering steeds duidelijker. We moeten daarbij meteen aantekenen dat Gustav Meyrink, als esotericus, die een uitgebreide bibliotheek bezat en uit verschillende spirituele bronnen put, niet direct doelt op het ons zo bekende stoflichaam. Hij moet, als iemand die allerlei bewegingen en groeperingen afliep en die blijkens de rijke en secuur gedocumenteerde inhoud van zijn boeken goed op de hoogte was van Chinese, Tibetaanse, islamitische, joodse, hindoeïstische en boeddhistische tradities, de fijnere of ijlere lichamen van de mens bedoeld hebben.

Het is een universeel gegeven in de wijsheidstraditie, als de geest in de mens wil ontwaken en wedergeboren worden, hij zelf moet werken aan de loutering van zijn ijlere lichamen. Als een mens daaraan gaat werken, kan zijn lot ‘galopperen’. Het onzichtbare krijgt macht over het zichtbare. Het mentale lichaam, maar vooral het astrale lichaam speelt een sleutelrol in de veranderings- en louteringsprocessen.

De essentie is het verlangen van iemand, zijn begeerte. Daarom wordt iemand die serieus vorderingen wil maken, aangeraden een wachter bij zijn gevoelens, gedachten en wil te zetten. Hij moet niet proberen in te grijpen; hij dient allereerst en vooral tot zelfkennis te komen. Door dat inzicht, een inzicht in de schaduwen die zijn lichamen werpen, maar ook in het onzichtbare, geheimzinnige zelf dat hij in wezen is maar aanvankelijk alleen door de schaduwwerking ervan kent, prepareert hij zijn mentale lichaam, maakt het geschikt voor zijn werkelijke functie.

Meyrink beging gedurende lange de tijd de vergissing, met zijn persoonlijkheid, zijn ego, in te willen grijpen in de processen van zelfkennis en loutering. Pas aan het eind van zijn leven zou hij die vergissing inzien en toegeven.

Maar al eerder kunnen we aan de hand van zijn literaire ontwikkeling vaststellen en leren uit zijn biografie, dat er een verschuiving van perspectief plaatsvindt. De oude spanningsboog, die tussen begin en eind van het leven, maakt geleidelijk plaats voor een nieuwe: namelijk die tussen sterfelijkheid en onsterfelijkheid. Dit andere perspectief moest geheel op eigen kracht veroverd worden, er kon door Meyrink geen aanspraak worden gemaakt op bestaande geloofsovertuigingen en automatismen. Aan de andere kant moest hij er ook voor waken, als een figuur uit het Faust-verhaal ten onder te gaan.

De leerschool van ervaring was bij tijd en wijle hard voor hem. Hij hield bijvoorbeeld een kwaal aan het ruggenmerg over, als gevolg van bepaalde meditatie-oefeningen. Letterlijk door schade en schande wijzer geworden, komt hij ook tot het punt, innerlijke tegenstrijdigheden achter zich te laten. De grootste tegenstrijdigheid, die voor iedereen wel herkenbaar is, is om met het ego de eigen schaduwkanten te willen oplossen.

Parallel met die verschuiving van perspectief zien we in Meyrinks leven een terugtrekkende beweging. Pogingen om bijvoorbeeld een eigen tijdschrift op te richten, om naar zijn zeggen ‘de heersende kunstsmaak met de vuist in het gezicht te slaan’, worden opgegeven. Hij overleeft een hetze, die deels antisemitisch gekleurd is, tegen zijn persoon. Hij weigert terug te keren tot de familie Varnbüler, waartoe zijn biologische vader behoort, die hem nooit heeft erkend. Hij mag eindelijk officieel de naam Meyrink dragen.

In zijn leven liep het zo, dat hij niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk een grensbewoner wordt. Hij vestigt zich aan het Meer van Starnberg ten zuiden van München, in het Haus zur letzten Latern. Daar wijdt hij zich aan zijn laatste twee grote romans: De witte dominicaan en De engel van het westelijk venster. De man die opbloeide in gezelschappen, die een meester was in de conversatie en die, zoals wordt gezegd, eigenlijk niet graag schreef, bereikt een meesterschap in zijn unieke manier van schrijven, die hij magie-suggestie noemde.

Door het gebruik van die methodiek verkrijgen zijn boeken iets bezwerends. Zijn verbale talent stulpt zich om tot een speciale vertelkunst, waar nog bij komt dat hij gelooft dat het woord, uitgesproken of geschreven, een zekere scheppingskracht bezit. Taal hangt direct samen met gedachten; en over gedachten zegt Meyrink:

‘Nu zijn er echter ook gedachten, namelijk innerlijk voorgestelde of verbeelde gebaren, en die zijn zelfs tovermiddelen, want zij zijn scheppings- of vernietigingswoorden van de ziel.’

Tegelijkertijd spreekt hij zich duidelijk uit voor het noodzakelijke spirituele karakter van de kunst in het algemeen en zijn eigen creaties in het bijzonder. ‘Een ingrediënt van een kunstwerk is – althans zo ben ik van mening – dat aan zowel de handeling als aan de handelende persoon een kosmische, diepere zin ten grondslag ligt. Natuurlijk moet deze zin alleen voor de fijngevoelige lezer openbaar worden; opdringerig moet de diepe betekenis nooit werken.’

Eduard Frank beaamt dit, als hij zegt: ‘Meyrink laat ons eraan deelnemen, hoe hij gezocht heeft, welke wegen hij is gegaan.’ In De witte dominicaan wordt de magie van het schrijven bevestigd in de woorden:

‘Spreken in geestelijke betekenis is zoveel als scheppen. Schrijven hier op aarde is het vergankelijke van een gedachte neerleggen; schrijven in geestelijke betekenis is: iets graveren in het geheugen van de eeuwigheid. Lezen hier betekent: de zin van iets dat geschreven is tot zich nemen. Lezen aan gene zijde is de grote onveranderlijke wetten erkennen ‘ernaar handelen ter wille van de harmonie.’

Een nieuwe spanningsboog houdt ook een nieuwe worsteling in. Het is dan wel zo, dat – zoals we in De engel van het westelijk venster kunnen lezen – het uitgangspunt ‘de weg vindt jou, jij niet de weg’ ook hier weer geldig is. Dat ontslaat een mens echter niet van het doen van enige inspanning. Het gaat hierbij om een zeer subtiele vorm van inspanning, gebaseerd op de paradox zoals verwoord in de aloude taoïstische wijsheid: wei wu wei. Oftewel: doen – niet doen. Dit is de weg van het midden, die een balanceren op een dun koord is. Ervaringsvolheid en een geoefend onderscheidingsvermogen zijn hierbij voorwaarde. Men moet ervoor strijden zonder te vechten. Deze magische levenspraktijk zal uiteindelijk leiden tot wat Meyrink noemt: de omzetting der lichten.

Het fascinerende bij Meyrink is, dat al vanaf zijn eerste roman, De golem, de thematiek van zijn schrijfkunst tot aan het eind onveranderlijk blijft. De twee hoofdthema’s zijn: ontwaken, en de vereniging van het vrouwelijke en het mannelijke, ziel en geest, door middel van alchemie. Pernath, de hoofdfiguur in De golem, breekt door tot een werkelijk bewust handelen nadat hij de confrontatie met zijn schaduw heeft doorstaan (in de roman moet hij de golem als dubbelganger in het gelaat zien). Het boek eindigt met het visioen van de hermafrodiet, waarin het mannelijke en vrouwelijke principe verenigd en in elkaar opgelost zijn.

In Het groene gezicht wordt het wakker zijn geformuleerd in de zinsnede: ‘Hij was hier en daar een levend mens.’ Daarnaast voltrekt zich in de hoofdpersoon een ‘heilig huwelijk’, een alchemische bruiloft. Daardoor verwerft een mens de Januskop: hij kan gelijktijdig zien in het hier en het daar, verleden en toekomst, natuur en bovennatuur.

Het is verleidelijk om achteraf na te willen gaan of de schrijfpraktijk van Meyrink met zijn levenspraktijk is samengevallen. Wel geeft hij duidelijk aan wat de omzetting van de lichten in de weg staat. Het heeft alles te maken met het ego, zoals een citaat uit het verhaal Walpurgisnacht duidelijk illustreert. Meyrink heeft het daar over het ‘Ik’ met een hoofdletter, en legt uit hoe de verwarring met het ons bekende ik-je ontstaat.

‘U bent helaas, zoals bijna alle mensen, van kindsbeen af in de misvatting verstrikt geweest, onder het ‘Ik’ uw eigen lichaam, uw stem, uw denkvermogen of God mag weten wat te verstaan, en daarom hebt u niet het vaagste vermoeden meer wat uw ‘Ik’ eigenlijk is. Het ‘Ik’ stroomt door de mens heen, vandaar dat een ompoling in het denken nodig is om zichzelf in het eigen ‘Ik’ terug te vinden. Bent u vrijmetselaar? Nee? Jammer. Als u het was, dan wist u dat in bepaalde loges de ‘gezel’ wanneer hij ‘meester’ moest worden, achteruit schrijdend in het heiligdom van de meester naar binnen moet gaan. En wie vindt hij daarbinnen? Niemand! Had hij iemand daarin gevonden, dan zou het toch een ‘gij’ zijn en niet een ‘Ik’. Het ‘Ik’ is de meester.’

Dit is dus de omzetting der lichten. Het licht van het ego dooft, het licht van het Ik – of het Zelf zo u wilt – gaat branden. Dit geeft ook het uiteindelijke meesterschap, en wel over de materie. Meyrink durft zelfs zo ver te gaan, door te stellen dat men ook meester over het eigen lot wordt. Want, zo schrijft hij:

‘Iedereen is een instrument, alleen weet hij het niet. Slechts het ‘Ik’ is geen instrument; het staat in het Rijk van het Midden Eigennaam? Al het overige is instrument, het een het werktuig van het ander. Het onzichtbare is het instrument van het ‘Ik’.’

De sleutel ligt in de lichamen van de mens, van de meest subtiele tot het meest grove. Op die eigen, innerlijke gebieden kan een mens de omzetting der lichten helpen plaatsvinden met de methodiek van het wei wu wei – doen door niet doen. Of, zoals Meyrink zegt, door weg te doen. ‘Doe alles weg wat uw lichaam is, dan zal uw ‘Ik’ als het helemaal naakt is geworden, als een zuivere geest beginnen te ademen.’

De ompoling of omzetting heeft niet alleen gevolgen voor de individuele mens, maar ook voor de mensheid als collectief. ‘Tot nog toe’, staat in Walpurgisnacht, ‘was de grote mensheidssteen een losse steen, uit zandkorrels van verschillende kleuren wanordelijk samengesteld. Nu pas neemt hij de vorm aan die elke afzonderlijke zandkorrel in het klein heeft: hij krijgt de vorm van één enkele, reusachtige mens. Nu voor het eerst vindt de schepping van de mens uit adem en leem plaats. En degenen die ‘hoofd’ zijn, nuchter, denkend, die zullen samen zijn ‘hoofd’ vormen. En degenen die ‘gevoel’ zijn, zacht, tastend, beschouwend, bespiegelend – die zullen zijn ‘gevoel’ zijn. Zo zullen de volkeren dan samengesteld worden, naar aard en wezen van ieder en niet naar woonplaats, afstamming of taal.’ Een even modern als profetisch woord over de eenwording van macrokosmos en microkosmos.

De boodschap die Meyrink in zijn boeken brengt is duidelijk. Centraal staat de vergeestelijking van de menselijke soort. De omzetting van de lichten is daarbij cruciaal. In de praktijk betekent dit – voor Meyrink én voor ieder spiritueel strevend mens – de transformatie van het ego naar het Ik. Het ego is een tijdelijke, mentale constructie, dus sterfelijk. Het Ik is de eigenlijke kern van het menselijk geslacht, onsterfelijk. Men wordt niet onsterfelijk, want die geestelijke kern is nooit geboren en kan dus ook nooit sterven.

Wanneer tenslotte de ompoling tot in het meest ijle lichaam doordringt, namelijk het causale lichaam, geschieden er twee dingen, die ons mogelijk wonderlijk toeschijnen maar toch natuurlijk zijn. Ten eerste is dat het meesterschap over het eigen lot. Ten tweede de geboorte en vorming van het ‘verheerlijkte lichaam’, ook wel het Gouden Bruiloftskleed genaamd.

Ter verduidelijking van het meesterschap over het eigen lot het volgende. Aan het eind van het leven wachtte Meyrink nog een laatste, grote beproeving. Het was de dood van zijn zoon Harro, onder bijzonder tragische omstandigheden. Of hij zelf niet lang daarna van verdriet gestorven is, weten we niet; volgens zijn vrouw had hij geen levenswil meer.

De beproeving van het lot kan men, ook als men meester erover zou zijn, niet ontlopen. De vraag is alleen: hoe draagt men die slag? Dit is een kritiek moment. Ik meen te mogen concluderen dat Meyrink dit moment heeft doorstaan. De ‘ander’, waarvan hij zei dat het dóór hem schreef, de vermomde, de loods, vloeide steeds meer met hem samen. Bepaalde passages die hij jaren daarvoor in De golem had geschreven, werden opeens werkelijk. De scène van de verwisseling van de hoeden doet zich na de dood van zijn zoon in werkelijkheid voor; ook de passage waarin rabbi Hillel gelukzalig lacht over de dood van zijn vrouw, krijgt nu iets reëels voor hem. Meyrink vraagt zich verbaasd af: hoe kon ik toen, toen ik deze roman schreef, weten dat er zoiets bestaat?

Hij zou uiteindelijk bij vol bewustzijn de grens van de fysieke dood, het einde van de persoonlijkheid, overschrijden. Zijn vrouw noemde die indrukwekkende gebeurtenis, waarbij hij gezeten voor het venster in zijn laatste momenten de eerste zonnestralen van de ochtend opving, ‘de grote opstanding van het sterven.’ Tegen zijn dochter zou hij, die zich altijd een godloochenaar noemde, gezegd hebben: ‘Zie, er is maar één God: Christus!’

Op de grafsteen van Harro en van hem staat dezelfde spreuk als in het verhaal J.H. Obereits Besuch bei den Zeitegeln. Net als op het graf van de ‘Filadelfische broeder’ staat er: ‘Vivo – Ik leef.’ In zijn woorden: een zeldzame zinspreuk voor een grafsteen…

Over het tweede aspect, de geboorte van het ‘verheerlijkte lichaam’ of ‘opstandingslichaam’ kan niet veel gezegd worden. Behalve dat de vorming ervan al in dit leven kan beginnen. In Het groene gezicht staat hierover nog het volgende:

‘Wij weten dat het ‘wakker zijn’ het ontwaken van het onsterfelijke Ik is, en dat het ‘niet slapen’ van het lichaam daarvan een natuurlijk gevolg is.’

En:

‘Wij weten dat eerst onze geest moet ingaan in de eenzaamheid voor er sprake kan zijn van een verheerlijkt lichaam.’

Dat is het lichaam dat ‘niet slaapt’.

Wat kan er nog meer over gezegd worden? Laat ik hem tenslotte nog één keer aanhalen:

‘Als je onzichtbare zelf aan je verschijnt, kun je hem (het zelf) herkennen doordat deze een schaduw werpt. Vroeger wist ik ook niet wie ik was, totdat ik mijn eigen lichaam als schaduw zag. Er zal een tijd aanbreken waarin de mensheid lichtende schaduwen op de aarde zal werpen en niet meer zwarte schandvlekken, zoals jij tot nu toe, en aan de hemel zullen nieuwe sterren verschijnen. Draag ook jij ertoe bij dat het licht worde!’

BESTEL DE GEDRUKTE SYMPOSIONBUNDEL OVER GUSTAV MEYRINK

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *