Citaten uit de roman ‘Het groene gezicht’ van Gustav Meyrink

BESTEL HET GROENE GEZICHT

Het innerlijke pad tot bevrijding, kleurrijk beschreven door middel van een veelheid aan personen, die elk een deel van Meyrink’s filosofie verbeelden. Plaats van handeling is het Amsterdam van rond 1920. Middenin de Eerste Wereldoorlog geeft Gustav Meyrink in Het groene gezicht een vooruitblik op de toestanden zoals die zich in de jaren na die oorlog zouden gaan ontwikkelen.

Meyrink plaatst zijn verhaal in het naoorlogse Amsterdam, een tumultueuze stad, die hij op fascinerende wijze beschrijft. Zijn schildering van de toenmalige bruisende Jordaan is onovertroffen en zal door de hedendaagse lezer met een zekere weemoed worden herkend. Maar ook laat Meyrink ons de sfeer proeven van de voorname buitenplaatsen in het Gooi, waar gefortuneerde landgoedeigenaren zich verliezen in bespiegelingen over het menselijke gedrag en het menselijke lot.

Centraal in het boek staat de mysterieuze figuur van Chidher, de eeuwig groene, de onsterfelijke, bekend uit vele Arabische, Perzische, Syrische, Ethiopische en joodse sagen. Chidher is altijd en overal ter wereld onderweg om mensen die in nood verkeren en die zijn hulp verdienen, op beslissende levensmomenten de helpende hand te reiken. Dat ervaren ook de hoofdfiguren van het boek, die elk een bepaald aspect van Meyrinks filosofie en van zijn boodschap vertegenwoordigen. De lezer verkrijgt hierdoor inzicht in de problematiek van leven en dood en in de diepere zin van het menselijke bestaan: het mysterie van het oplossen van de tweevoudigheid van zijn bestaan.

Het werk eindigt met een apocalyptische beschrijving van de verwoesting van de verdorven stad Amsterdam, die door een alles vernietigende storm met de grond gelijk wordt gemaakt. Maar temidden van dood en ondergang heeft een bloeiend appelboompje zich staande weten te houden, én de liefde die twee mensen vereent – als symbool van Chidher, het eeuwig terugkerende leven.

Citaten uit de roman ‘Het groene gezicht’ van Gustav Meyrink

Had ik mij maar nooit laten verleiden om te geloven dat de een of andere macht buiten mijzelf deze boom zou kunnen oprichten – hoeveel ellende zou mij dan bespaard zijn gebleven! Ik was de enige meester over mijn lot – en ik wist het niet! (Het groene gezicht)

Ik dacht dat ik er weerloos tegenover stond, omdat ik niet in staat was het door daden te veranderen. Hoe vaak is niet door mijn hoofd geschoten dat meester over je gedachten ook moet betekenen: de almachtige bestuurder te zijn van je lot! Ik onderschatte de magische kracht van de gedachten en verviel steeds weer in de erffout van de mensheid de daad voor een reus en de gedachte voor een hersenschim te houden. (Het groene gezicht)

Slechts wie leert het licht te bewegen, kan de schaduw gebieden en daarmee het lot! Wie het met daden tracht te volbrengen, is zelf slechts een schaduw die tevergeefs met schaduwen strijdt. Maar het lijkt alsof het leven ons bijna tot de dood toe moet pijnigen, alvorens wij eindelijk de sleutel zien. (Het groene gezicht)

Ja, jullie kunnen meester over het lot worden, maar alleen als jullie weten dat jullie God zijn. Als jullie geloven dat jullie alleen mensen zijn en van God gescheiden en van God verbroken en anders dan God, dan blijven jullie onveranderd, en het lot staat boven jullie. (Het groene gezicht)

De vreugde heeft geen oorzaak nodig, zij groeit uit zichzelf als God. Vreugde die een aanleiding nodig heeft, is geen vreugde, maar genoegen. Maar wie eenmaal de oorzaakloze vreugde is binnengevaren, die heeft voortaan het eeuwige leven, want die is verenigd met het ‘Ik’, dat de dood niet kent. Die leeft altijd in vreugde, ook als hij blind en kreupel geboren was. Maar de vreugde die wil geleerd worden, wil verlangd worden. maar wat de mensen verlangen is niet de vreugde, maar de aanleiding voor vreugde. Dat begeren zij en niet de vreugde. (Het groene gezicht)

De mensen die hun lot overgegeven hebben aan hun inwonende geest, staan onder een geestelijke wet. Zij zijn mondig verklaard, en vrijgekomen van de bevoogding door de aarde, waarover zij eens zullen heersen. Wat hun in het uiterlijke leven nog overkomt, heeft alleen nog betekenis in innerlijk stuwende zin: alles wat er met hen gebeurt, gebeurt zó, dat het nooit beter zou kúnnen gebeuren. (Het groene gezicht)

Wie gelooft dat hij leeft omwille van zijn nageslacht, beliegt zichzelf. Het is niet waar: de mensheid heeft geen vooruitgang gemaakt. Het lijkt maar zo. Zij heeft slechts enkele individuen voortgebracht die werkelijk zijn vooruitgegaan. In een kring lopen betekent: niet vooruit komen. Wij moeten de kring doorbreken, anders hebben wij niets gedaan. Zij die wanen dat het leven begint met de geboorte en eindigt met de dood, – waarlijk die zien de kring niet; hoe zouden zij hem dan kunnen doorbreken? (Het groene gezicht)

Wij leven slechts voor de volmaking van onze ziel; wie dit doel voortdurend in het oog houdt, er altijd aan denkt en het immer voelt zo dikwijls hij iets begint of besluit, die zal spoedig een zeker kalmte verkrijgen en op een onbegrijpelijke wijze zal zijn lot veranderen. (Het groene gezicht)

Wij weten dat er een tijd zal komen dat velen wakker zullen worden en gescheiden zullen worden van de slapers die niet kunnen begrijpen wat het woord waken betekent. Wij weten, dat het goed en het kwaad niet bestaan, maar alleen het ware en het valse. (Het groene gezicht)

De mensen zouden denken dat ik in beelden sprak als ik het hun zei. Het is de dubbelzinnigheid van de taal die ons scheidt. Als ik openlijk iets zou schrijven over innerlijke groei, dan zouden zij daaronder verstaan: verstandiger worden, of: beter worden, zoals zij onder filosofie een theorie verstaan en niet een werkelijk navolgen. (Het groene gezicht)

Zich houden aan de geboden alleen, zelf op de eerlijkste manier , is niet voldoende om innerlijke groei te ontwikkelen, want het is slechts de uiterlijke vorm. dikwijls is het overtreden van de geboden een betere leerschool! (Het groene gezicht)

Maar wij houden ons aan de geboden als we zouden moeten overtredenen wij overtreden ze als we ons er aan moeten houden. (Het groene gezicht)

Omdat een heilige allen maar goede daden verricht, wanen de mensen dat zij door goede daden heilig kunnen worden. Zo lopen zij langs het pad van een vals godsgeloof de afgrond in en geloven dat zij tot de rechtvaardigen behoren. (Het groene gezicht)

Ook al zou je het meest onzinnige doen wat je maar kunt bedenken, dan nog was het altijd beter dan terug te vallen in de maalstroom van het aloude, waarvan het laatste doel een zinloze dood is. (Het groene gezicht)

Waak bij alles wat je doet! Denk niet, dat je al wakker bent. Neen, je slaapt en je droomt. Verzamel al je krachten en laat gedurende een ogenblik dit gevoel je lichaam doorstromen: nu waak ik! (Het groene gezicht)

Als je daarin slaagt, zul je dadelijk erkennen, dat de toestand waarin je je bevond een sluimer en een slaap lijkt. Dat is de eerste aarzelende stap van, de lange, lange reis, die leidt tot de onderwerping aan de almacht. (Het groene gezicht)

Op de weg van het ontwaken, zal de eerste vijand die je ontmoet je eigen lichaam zijn. Het zal met je strijden tot het eerste hanengekraai. Maar als je de dageraad van het eeuwige waken ziet. die je wegvoert van de slaapwandelaars, die geloven mensen te zijn en niet weten dat zij slapende goden zijn, dan zal de slaap uit je lichaam verdreven worden en zal de wereld aan je onderworpen zijn. Dan zal je wonderen kunnen bewerkstelligen, als je dat wilt. (Het groene gezicht)

Ga op die wijze voort van ontwaken tot ontwaken. Er bestaat geen verontrustende gedachte die je op die manier niet zou kunnen uitbannen. Zij blijft achter en kan je niet meer bereiken. Je strekt je uit boven haar, zoals de kroon van een boom zich verheft boven de dorre takken. De smarten verlaten je als dode bladeren, wanneer deze waakzaamheid ook je lichaam in bezit neemt. (Het groene gezicht)

Wie zijn weg gehoorzaamt, hoe kan die bang zijn? Angst kan slechts diegene voelen die zich tegen zijn lot verzet. Het leven is genadig. elk ogenblik schenkt het ons een begin. Elke seconde dringt zich de vraag aan ons op:” ‘Wie ben ik?’ Maar wij stellen die vraag niet. Dat is de reden waarom wij het begin niet vinden. (Het groene gezicht)

Alles wat niet uit de geest komt, is dode aarde en wij moeten tot geen andere God bidden dan tot die God die zich in onze eigen ziel openbaart. (Het groene gezicht)

De sleutel, die ons tot meesters zal maken over de innerlijke natuur roest sedert de zondvloed. Hij heet: waken. Waken is alles. De mens is er vast van overtuigd, dat hij waakt, maar in werkelijkheid is hij gevangen in een net van slapen en dromen, dat hij zelf geknoopt heeft. Hoe dichter het net, hoe krachtiger heerst de slaap. Zij die in de mazen ervan gevangen zijn, zijn de slapers die door het leven gaan als kuddedieren, die gedreven worden naar het slachthuis, onverschillig en gedachteloos. (Het groene gezicht)

Wij zien in de Bijbel niet alleen een registratie van gebeurtenissen van een voorbij tijdperk, maar ook een weg van Adam tot Christus, die wij in onszelf moeten afleggen op de magische wijze van een innerlijke groei van ‘naam‘ tot ‘naam‘, dat is: van krachtsontplooiing tot krachtsonplooiing, van de verdrijving uit het paradijs tot de opstanding. (Het groene gezicht)

Zij die in blindheid deze aarde verlaten hebben, zij zijn niet aan gene zijde; zij zijn als verwaaide melodieën in de lucht, die door het heelal dwalen – tot ze weer in aanraking komen met snaren waarop ze opnieuw kunnen klinken. Daar waar zij menen te zijn, is geen plaats waar men kan zijn. Het is een droomeiland van schimmen, buiten elke ruimte, nog minder werkelijk dan de aarde. Waarlijk onsterfelijk is alleen de ontwaakte mens. (Het groene gezicht)

Als je onzichtbare zelf als wezenheid aan je verschijnt, kun je haar herkennen doordat ze een schaduw werpt. Vroeger wist ik ook niet wie ik was, totdat ik mijn eigen lichaam als schaduw zag. Er zal een tijd aanbreken waarin de mensheid lichtende schaduwen op de aarde zal werpen en niet meer de zwarte schadevlekken, zoals tot nu toe, en aan de hemel zullen nieuwe sterren verschijnen. (Het groene gezicht)

Maar welk doel hebben dan de slagen van het uiterlijke leven, waar u over spreekt? Zijn zij een beproeving of een straf? Beproevingen bestaan niet, evenmin als straffen. Het uiterlijke leven met zijn lotgevallen is niets anders dan een genezingsproces; voor de een meer, voor de ander minder smartelijk. Het ligt eraan hoe ziek het inzicht van de persoon in kwestie is. (Het groene gezicht)

LEES OVER DE ANDERE BOEKEN VAN GUSTAV MEYRINK

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *