Inleiding en hoofdstuk 1 van ‘De Golem’ – een esoterische roman van Gustav Meyrink waarmee hij op slag beroemd werd

BESTEL DE GOLEM

Inleiding bij ‘De Golem’

In 1915 verscheen ‘De Golem’, de eerste roman van Gustav Meyrink, de schrijver van een aantal romans over de lotgevallen van een zoeker naar geestelijke bevrijding. Het boek baarde veel opzien en maakte Meyrink op slag beroemd. Dit is niet verwonderlijk als men ziet, hoe ingenieus Meyrink in zijn vertelling over Athanasius Pernath, drie interpretatieniveaus weet in te bouwen. Zo kan het boek gelezen worden als een esoterische roman, een psychologische roman, én als een spannende thriller. 

Bij lezing van het verhaal wordt duidelijk dat Meyrink gebruik heeft gemaakt van allerlei elementen uit vooral oude, Joodse bronnen en leringen.Voor de lezer die niet met deze bronnen bekend is, zijn een aantal verklaringen misschien 

Zo verwijst de titel ‘De Golem’ (golem = hebreeuws voor ‘ongevormde massa’) naar eeuwenoude verhalen over het scheppen van een levend wezen uit klei of leem door magische handelingen van mensen. In de Talmoed bijvoorbeeld (het boek dat de Joodse wet bevat, de zedenleer, én de verslagen van eeuwenlange discussies van Joodse wetgeleerden hierover) zijn talloze teksten over dit onderwerp te vinden.Waarschijnlijk zijn al deze verhalen in de tweede en derde eeuw na Christus ontstaan. 

In de tijd dat Meyrink zijn boek schreef, was vooral de ‘Golemlegende’ over Rabbi Low erg geliefd. Over deze legende het volgende: opperrabbijn Löw (1513-1609), een zeer gewaardeerde en wijze rabbi, kreeg in 1580 vanuit de hemel de opdracht, door middel van een magische formule een wezen te formeren uit klei, om de Joden in het Praagse getto te beschermen. Na een langdurige rituele voorbereiding slaagt de rabbi er inderdaad in, tezamen met twee roepen van allerlei gebeden, een wezen van leem door middel van de magische formule van leven te voorzien: Hij stopt het wezen een rol perkament in zijn mond waarop ‘de juiste naam van God’ stond. Later ontneemt de rabbi de golem het leven weer, door de rol perkament uit zijn mond te nemen. 

De kabbalistische magie waarvan rabbi Löw bij zijn schepping gebruik maakt, speelt eveneens een belangrijke rol in het boek van Meyrink. Het geheimzinnige boek ‘Ibboer’, dat de hoofdpersoon, Pernath, op mysterieuze wijze in handen krijgt, komt regelrecht uit de Kabbala, de geheime leer der mystieke joden uit de dertiende eeuw. ‘Ibboer’ betekent zielsbevruchting, zielsbezwangering, ook wel aangeduid door alleen de letter I. 

In de Kabbala is het het boek ‘Zohar’, het boek van de Glans, dat handelt over de ziel en over de leer der zielsverhuizing. Volgens deze leer kan de menselijke ziel, die vol zonde is, door zielsverhuizing ontzondigd worden. De ziel moet meermalen verhuizen, want één mensenleven was niet voldoende om haar vervolmaking te bewerkstelligen. 

De Kabbala inspireerde Meyrink niet alleen tot het boek ‘Ibboer’. Ook het gegeven dat Pernath een cameeënsnijder was, verwijst naar Joodse magische gebruiken. Men maakte namelijk veelvuldig gebruik van amuletten en cameeën om ziekten en boze geesten af te weren. Voor ditzelfde doel werden ook beschreven perkamentreepjes gebruikt. 

Van geheel andere aard is het tarotspel, dat eveneens in het verhaal een grote rol speelt. Tarot is een Italiaans kaartspel, bestaande uit 78 kaarten, waarvan 22 kaarten de troeven vormen. De Pagaat is een van deze troeven. 

Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat het Praagse getto op de linkeroever van de Moldau, zoals beschreven in het boek, niet meer bestaat. In 1860 werd het getto met de grond gelijk Wel is nu nog in Praag het Hradschin, het paleis der koningen met een burcht uit de veertiende eeuw te bewonderen, evenals ‘Goldmachergasse’, de zogenoemde Alchemistenstraat.

Hoofdstuk 1 van ‘De Golem’: Slaap

Het aanlicht valt op het voeteneinde van mijn bed en ligt daar als een grote, glanzende, platte steen. Als de gestalte van de volle maan begint te verschrompelen aan de rechterkant gaat vervallen — zoals een ouder gezicht eerst aan een wang rimpels toont en invalt — maakt ’s nachts omstreeks die tijd een sombere, kwellende onrust mij meester.

Tussen slapen en waken vermengt zich in deze schemertoestand in mijn ziel datgene wat ik beleefd heb met wat ik lezen en gehoord heb, zoals stromen van verschillende kleur helderheid ineenvloeien. Voor ik mij ter ruste gelegd had, had over het leven van Gautama Boeddha gelezen en met varianten speelde de zin, steeds van voren af aan beginnend, mij door het hoofd:

‘Een kraai vloog op een steen af, die er als een stuk spek en dacht: misschien is daar iets lekkers. Omdat de kraai daar lekkers vond vloog zij weg. Evenals de kraai naar de steen toe gevlogen, zo verlaten wij —  wij, de zoekers    de asceet omdat wij niet langer behagen in hem scheppen.’

En het beeld van de steen, die er als een stuk spek uitzag, neemt in mijn gedachten monsterachtige afmetingen aan: Ik loop door een uitgedroogde rivierbedding en raap gladde kiezelstenen op. Grijsblauwe met glinsterende stof die mijn gedachten maar blijven bezighouden zonder dat zij iets mee weten te beginnen. Dan zwarte met zwavelgele als een versteende, kinderlijke poging om plompe, salamanders na te bootsen. En ik wil ze ver van mij af werpen, deze kiezelstenen, maar steeds vallen zij uit mijn hand, en ik kan ze niet uit mijn gezichtsveld bannen. Al de stenen, die ooit in mijn leven een rol hebben gespeeld duiken rond mij op. Vele trachten zich moeizaam uit het zand naar boven, naar het licht te werken — als grote leigrauwe zeekrabben bij aflopend tij, alsof zij alles in het werk stellen om mijn aandacht te trekken, teneinde mij dingen van ontzaglijk belang te vertellen. 

Andere vallen — uitgeput — machteloos terug in hun gaten en zien er van af zich ooit in woorden uit te drukken. Soms schrik ik op uit de schemer van deze waakdromen en zie een ogenblik lang weer de maneschijn op het opgebolde voeteneind van mijn deken liggen als een grote, glanzende, platte steen, om daarna opnieuw blindelings achter mijn vervagend bewustzijn aan te strompelen, rusteloos naar de steen zoekend die mij kwelt, die ergens in het puin van mijn herinnering verborgen moet liggen en er uitziet als een stuk spek. 

Een regenpijp moet vroeger naast haar op de grond hebben uitgemond, zo stel ik mij voor, schuin naar beneden gebogen, de randen door roest weggevreten — en koppig dwing ik me dit beeld voor de geest te halen om mijn opgejaagde gedachten om de tuin te leiden en in slaap te wiegen. 

Het wil mij niet lukken. Telkens en telkens opnieuw beweert met onzinnige vasthoudendheid een koppige stem in mijn binnenste — onvermoeibaar als een vensterluik dat de wind met regelmatige tussenpozen tegen de muur laat slaan — dat het iets heel anders is, dat het helemaal niet de steen is die er als spek uitziet. En die stem laat mij niet los. Als ik er honderdmaal tegen in breng dat het er allemaal niets toe doet, zwijgt zij wel even, maar ontwaakt dan ongemerkt weer en begint hardnekkig goed, goed, dat kan wel zijn, maar toch is het niet de steen, die er als een stuk spek uitziet. 

Langzaam begint zich een onverdraaglijk gevoel van hulpeloosheid van mij meester te maken. Hoe het verder gegaan is weet ik niet. Heb ik vrijwillig iedere tegenstand opgegeven, of hebben die gedachten van mij me overweldigd en gekneveld? Ik weet slechts dat mijn lichaam slapend in bed ligt en dat mijn zinnen ervan losgemaakt zijn en niet langer eraan gebonden. 

Wie is nu ‘ik’ wil ik plotseling vragen, maar dan bedenk ik, dat ik immers geen orgaan meer bezit waarmee ik vragen zou kunnen stellen; dan word ik bang dat de zotte stem weer ontwaakt en opnieuw het eindeloze verhoor over de steen en het spek beginnen zal. En dus wend ik mij af.

BESTEL DE GOLEM

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *