Beschouwing 3

Spirituele Pinksteren 3: Deel krijgen aan de eeuwigheid
Beschouwing voor dinsdagochtend voor Pinksteren

 

3 spirituele pinksteren

Binnen het goddelijke plan hebben we als mens een zekere vrijheid om ons leven zelf in te richten. Binnen onze samenleving gelden maatschappelijke regels en wetten die tot doel hebben de orde daarin te bewaren.

Zo zijn er, op kosmische schaal, kosmische wetten om de harmonie en ongestoorde ontwikkeling in de kosmos, waarvan wij deel uitmaken, te waarborgen. Overtreden we de richtlijnen en wetten, dan volgt er correctie. Niet als straf, maar uit zorg voor en ter bescherming van het geheel.

Maar binnen die kaders en binnen onze persoonlijke omstandigheden is de mensheid vrijheid van keuze geschonken. Een bijzonder geschenk. We moeten kiezen. Maar kiezen houdt ook zelf-beperking in, kiezen betekent tegelijkertijd offeren want door voor iets te kiezen sluiten we tegelijkertijd alle andere mogelijkheden uit. Als we een keuze maken en volgen, offeren we al het andere op.

Kiezen is niet altijd gemakkelijk, ook niet als er in ons een verlangen is om de innerlijke mens in onszelf te laten ontwaken en te laten groeien. Als we een verlichte leraar zouden ontmoeten, zouden we misschien ook wel de vraag willen stellen die in hoofdstuk 37 van Het evangelie van de heilige twaalven bij het voorportaal van de tempel aan Jezus wordt gesteld: ‘Meester, wat leert u over het leven?’

Misschien hopen we dan op concrete en praktische aanwijzingen voor wat we moeten doen en wat we moeten laten. Dan zouden we zelf geen keuzes hoeven maken maar gewoon de regels kunnen volgen, zoals het ons wellicht het beste uitkomt. Daarom wordt in een echte mysterieschool geen antwoord gegeven op dergelijke ‘wat-vragen’ en ‘hoe-vragen’ van een leerling; het zou de zelf-autoriteit, de vrijheid van keuze en de kans op ontwikkeling van bewustzijn blokkeren.

Want alleen als we naar ‘het echte waarom’ van het leven zoeken, staan we open voor wat onze innerlijke stem ons vertelt. En als vanzelf vloeien dan het ‘hoe’ en het ‘wat’ in ons bewustzijn. Jezus bespreekt het ‘waarom’ van het leven. Het ‘waarom’ is het uitgangspunt.

‘Zalig zijn zij die veel ervaringen doormaken, want zij zullen door lijden volmaakt worden; zij zullen als de engelen Gods in de hemel worden en zullen niet meer sterven, noch zullen zij nog eens geboren worden, want geboorte en dood hebben geen macht meer over hen.

Zij die geleden en overwonnen hebben, zullen zuilen worden in de tempel van mijn God en zij zullen niet meer uitgaan. Voorwaar, ik zeg u, tenzij u weer geboren wordt uit water en vuur, zult u het koninkrijk Gods niet zien.’

(Het evangelie van de heilige twaalven 37: 2-3)

De wereld waarin we nu leven, is bijzonder gericht op het opdoen van ervaringen; bijzondere, leuke, spannende, ontspannende, wereldwijde, uitdagende, goed-gevoel-gevende, spirituele ervaringen staan hoog op de verlanglijst; we willen alles uit het leven halen wat erin zit, op zoek naar een volmaakt leven. De financiële en technologische middelen staan veel mensen ter beschikking, maar het is de vraag of uiterlijke volmaaktheid ook tot innerlijke rijkdom leidt.

Want het is duidelijk dat Jezus hier doelt op alle typen ervaringen, ook op nare ervaringen, waar we niet op zitten te wachten want hij koppelt ervaringen aan lijden. Volmaakt worden is natuurlijk leuk, maar als we daarvoor moeten lijden is het al een stuk minder aantrekkelijk.

Lijden is onontkoombaar. Lijden betekent loutering, inzicht, loslaten, omkering. Lijden leidt tot een ‘dat nooit meer’, tot het zoeken naar een uitweg. Lijden, hoe wrang ook, is de stuwende kracht achter de vooruitgang en dynamiek in onze wereld van ruimte en tijd.

En de leerling van de ziel die zijn symbolische tocht door te woestijn naar het beloofde land aanvaardt, krijgt bovendien te maken met ongemakken die het gevolg zijn van die reis. Wanneer een mens veel ervaringen opdoet, zowel prettige als minder prettige, ontstaat er een ervaringsvolheid waaruit een sterk verlangen naar duurzame vervulling kan opwellen.

Lijden heeft, zeker op de lange termijn, een louterende werking op de mens. Het maakt hem nederiger, milder, wijzer en meer open voor andere levensperspectieven. Maar dat betekent natuurlijk niet dat we het lijden bewust moeten opzoeken, en zeker niet dat we het in stand zouden moeten houden.

Ook zou het een grote misvatting zijn om te menen dat een ellendig leven een voorwaarde zou zijn om de gnostieke spirituele weg te gaan. Want, de metgezellen op de gnostieke weg zijn een sprankelende blijheid en de vreugde van het innerlijke leven, dwars door alle uiterlijke moeilijkheden heen.

Prins Siddhartha Gautama uit India leidde een fantastisch leven. Zonder dat hij het wist, bezat hij alles wat een mens maar kan bezitten, lijden en verdriet waren hem onbekend. Maar toen hij in zijn omgeving in aanraking kwam met het lijden dat het gevolg is van ouderdom, ziekte en dood zocht hij naar de oorzaken daarvan en de mogelijkheden om van dat lijden bevrijd te worden. Hij bereikte verlichting, werd de Boeddha en onderwees het resterende deel van zijn leven hoe de mens vrij kan komen van het lijden en in kan gaan in wat hij het nirwana noemde.

In het boeddhisme en het hindoeïsme is de leer van reïncarnatie en karma iets vanzelfsprekends. Ook onder geleerden in de tijd van Jezus in landen rondom de Middellandse Zee en onder de eerste christenen was die leer bekend.

De wet van karma is een kosmische liefdewet die de schepping in balans houdt, behoedt en binnen de grenzen van de kosmische orde houdt. Karma werkt corrigerend door als een spiegel alles terug te kaatsen naar zijn bron. Alle gedachten, alle daden, alle gevoelens zullen uiteindelijk terugkeren naar hun onbewuste schepper om hem of haar bewust te maken van hun invloed op het grote geheel. Karma kan zich uitstrekken over vele levens, maar ook over enkele uren.

Alleen op basis van inzicht en vrije keuze kan een mens besluiten bepaalde gedachten, handelingen of gevoelens niet meer toe te laten. De mens ervaart de spiegelende wet van karma vaak als wrekend of als straffend, terwijl karma het menselijke leven juist probeert weg te sturen van de afgrond van nog meer karma.

In Het evangelie van de heilige twaalven spreekt Jezus beknopt over reïncarnatie en karma in hoofdstuk 37 en hoofdstuk 69. In hoofdstuk 37 zegt hij dat mensen die volmaakt geworden zijn door het lijden, zullen worden als de engelen van God in de hemel en niet meer zullen sterven en ook niet meer geboren zullen worden. Met de volmaakte mens wordt het fijnstoffelijke opstandingslichaam van de nieuwe, onsterfelijke mens aangeduid, dat  op de louterende spirituele weg is opgebouwd.

Deze nieuwe mens heeft deel aan de eeuwigheid, een goddelijke dimensie buiten ruimte en tijd, en is in die zin als de engelen van God.  Maar hij is geen engel, en zal dat ook niet worden. Hij is dan werkelijk Mens met een hoofdletter omdat hij deel uitmaakt van de tiende hiërarchie, en daardoor een onmisbare schakel vormt voor de uitvoering van het goddelijke scheppingsplan. Hij is een levende verbinding tussen eeuwigheid en tijd.

Voor zo iemand is het wiel van geboorte en dood tot stilstand gekomen, de opdracht van het leven op aarde is vervuld. Als dan uiteindelijk het stoffelijke lichaam en de aardse persoonlijkheid zijn gestorven, is er geen noodzaak meer opnieuw te incarneren, om weer een stoffelijk lichaam aan te nemen. Want zo iemand heeft zijn plaats ingenomen als levende lichtzuil in de onzichtbare tempel, de tempel die niet met mensenhanden is gemaakt. Hij is wedergeboren uit water en vuur: hij heeft de waterproef en de vuurproef van de mysteriën doorstaan. Dit doet denken aan het getuigenis van Johannes de Doper:

Dit is de getuigenis van Johannes, toen de joden priesters en levieten uit Jeruzalem zonden om hem te vragen: ‘Wie bent u?’
Hij loochende niet maar gaf toe dat hij de Christus niet was. Waarop zij vroegen: ‘Wie dan? Bent u Elias?’
En hij zei: ‘Ik ben het niet.’
‘Bent u de profeet over wie Mozes sprak?’
Hij antwoordde: ‘Neen.’

Toen zeiden zij: ‘Wie bent u, opdat wij aan hen die ons gezonden hebben een antwoord kunnen geven. Wat zegt u over uzelf?’
Hij antwoordde: ‘Ik ben de stem van een die roept in de woestijn: maak recht de weg van de heer, zoals de profeet Jesaja zei.’

Het waren farizeeën die gezonden waren en zij vroegen hem: ‘Waarom doopt u dan, als u de Christus niet bent, noch Elias, noch de profeet over wie Mozes sprak?’
Johannes antwoordde: ‘Ik doop met water, maar er staat er een tussen u die u niet kent. Hij zal dopen met water en met vuur. Hij is het die, hoewel hij na mij kwam, uitverkoren is
en wiens schoenriem ik niet waard ben los te maken.’

(Het evangelie van de heilige twaalven 8:4-7)

Het feit dat de farizeeën aan Johannes de Doper vragen of hij Elias is, duidt erop dat zij bekend zijn met het principe van reïncarnatie. Mogelijk verwachtten zij Elias naar aanleiding van een uitspraak van de profeet Maleachi: ‘Zie ik zend u de profeet Elias, voordat de grote en geduchte dag van de Heer komt’ (Maleachi 4:5).

Uit het antwoord van Johannes blijkt dat niet Elias of Mozes als herkenbare personen terugkeren, maar dat hun essenties indalen in een nieuw geboren mensenkind. Deze essenties van Elias en Mozes worden de nieuwe persoonlijkheid als startkapitaal meegegeven, die daarmee zijn weg door zijn eigen leven moet vinden.

De historische Johannes de Doper had de opdracht de weg te bereiden voor de Christusimpuls op aarde; de innerlijke Johannes, als spiritueel aanzicht van de uiterlijke mens, staat voor de taak deze geschikt maken voor de indaling, de incarnatie, van de Christuskracht.

Johannes de Doper symboliseert de eerste fase op het gnostieke pad. Een Johannes-mens weet van binnenuit dat het hogere veld van menselijk leven er is maar dat hij daar geen deel aan heeft. Zo iemand kan niet meer anders dan op basis van inzicht en verlangen in zelfovergave de paden voor dit leven recht te maken. Hij gaat dan werken aan een reinigingsproces in zichzelf dat leidt tot de wedergeboorte uit water, waarvan de waterdoop een symbool is.

De waterdoop is het eerste antwoord van, de eerste aanraking door de zevenvoudige kracht uit het nieuwe veld van leven. Het is het opgenomen worden in de realiteit van dat leven en het verbonden worden met de verheffende kracht ervan. En het lijden, dat zo nauw met het aardse leven verbonden is, is vanaf dan geen doelloos lijden meer maar een mogelijkheid tot zuivering en innerlijke groei.

Wedergeboorte duidt hier niet op weder-belichaming volgens het principe van reïncarnatie, maar op een bijzonder transformatieproces dat tijdens het leven plaatsvindt, niet na het leven. De wedergeboorte uit water is het gevolg van vele voorbereidende reinigingen en zuiveringen in de persoonlijkheid van de mens: stoffelijk, etherisch, astraal en mentaal. Deze reinigingen vinden plaats tijdens het zoekende leven en worden gesymboliseerd door de ouders van Johannes: Elisabeth en Zacharias.

De mens die de wedergeboorte uit water heeft ondergaan, is anders geworden; hij is evenwichtiger, wijzer en liefdevoller dan hij was omdat hij zich richt naar de stem van zijn ziel, die hem raad geeft. Hij verandert voortdurend, maar hij is nog geen nieuwe mens. Daarom kan hij het hemelse koninkrijk nog niet binnengaan. Hij zou er verbranden, de krachten zijn er te sterk voor een sterfelijk lichaam. De gedoopte mens moet eerst nog worden wedergeboren uit vuur, uit geest-kracht.

Water reinigt en zuivert, maar vuur verandert fundamenteel. Vuur veroorzaakt (al)chemische processen. Vuur is nodig om iets nieuws te smeden. Johannes doopt in water, maar Christus doopt in vuur, in het vuur van de heilige geest. Die vuurdoop kan pas plaatsvinden als de ziel volwassen is geworden en als de persoonlijkheid de Andere heeft erkend als zijn meerdere, als ‘Hij is het die, hoewel hij na mij kwam, uitverkoren is en wiens schoenriem ik niet waard ben los te maken’.

De wedergeboorte uit water en vuur, of water en geest, wordt ook wel aangeduid met het woord transfiguratie. Transfiguratie is het oeroude gnostieke proces waarbij de sterfelijke, op aarde geboren mens opgaat in de onsterfelijke, goddelijke mens, de ware Geest-mens. Zo wordt de brug gevormd tussen hemel en aarde.

Transfiguratie is dé reden voor het bestaan van de mens op aarde. Maar niemand mag en kan hiertoe worden gedwongen. Dit proces van vernieuwing kan alleen worden begonnen op basis van een volheid aan ervaringen en een diep verlangen naar werkelijke vervulling, opgedaan in vele aardse levens. Vers 8 van hoofdstuk 37 van Het evangelie van de heilige twaalven zegt het zo:

Ik ben een wandelaar die plaats na plaats en huis na huis wisselt, totdat ik aankom in de stad en het huis, die eeuwig zijn.
(Het evangelie van de heilige twaalven 37:8)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *