Achtergronden van Het evangelie van de heilige twaalven van Gideon Jasper Ouseley

BESTEL HET EVANGELIE VAN DE HEILIGE TWAALVEN

Tegen het einde van de negentiende eeuw publiceerde G.J.R. Ouseley (1835-1906) Het evangelie van de heilige twaalven als een feuilleton in de krant The Lindsey & Lincolnshire Star. Een eerste druk verscheen in 1901 in boekvorm en voor zover wij hebben kunnen nagaan verscheen in 1903 een eerste Nederlandse vertaling, uitgegeven in het toenmalige Nederlands-Indië. Deze vertaling is een aantal malen en in verschillende edities verschenen. 

In 1965 publiceerde de Rozekruis Pers haar eerste uitgave, waarin  deze vertaling enigszins was gemoderniseerd en in 1975 en daarna verschenen van die uitgave een aantal fotomechanische herdrukken. Al deze edities, ook de Engelse, verschenen steeds zonder de naam van de schrijver, niet in de laatste plaats omdat deze daar zelf op aandrong: ‘Hoewel het mijn arbeid is geweest, is het noch mijn (geestelijk) werk, noch mijn verdienste’, was zijn standpunt. 

 Ouseley beschouwde Het evangelie van de heilige twaalven duidelijk niet als van hemzelf. Hij had het doorgegeven zoals hij het had ontvangen; er is zelfs een Engelse editie waarin Ouseley niet de schrijver maar de ‘vertaler’ van dit evangelie wordt genoemd. Zo verwoordt Samuel Hopgood Hart (1865-1958) het in zijn ‘In memoriam to the Rev. G.J. Ouseley’, geschreven op 22 februari 1952 in Ilfracombe, Engeland. Hopgood Hart is te beschouwen als Ouseley’s biograaf, aan wie wij de meeste gegevens voor deze inleiding ontlenen. 

Interessant is evenwel, hoezeer het geschrift met legende is omgeven. Het heette te zijn bewaard ‘in een van de kloosters van boeddhistische monniken in Tibet, waar enkele leden van de esseense gemeenschap het hebben verborgen’, een bewering die aan het begin van de vorige eeuw de gemoederen danig heeft bezighouden. 

In de negentiende eeuw waren immers meerdere geschriften verschenen met hetzelfde thema, die deels hetzelfde lot delen. Ze lijken met voorliefde te zijn bewaard in Tibet. Zo verscheen er in 1894 een Frans boek, getiteld: La Vie Inconnue de Jésus-Christ en Inde et au Tibet, uitgegeven door Nicolas Notovitch (1858-1916?). Onderwerp: waar verbleef Jezus tussen zijn twaalfde en zijn dertigste jaar? 

Notovitch schreef dat hij in 1887 in Tibet was en daar in het Hemis-klooster een oud manuscript had aangetroffen, dat handelde over een wijze met de naam Issa. Al gauw realiseerde hij zich dat dit Jezus zou zijn geweest. Maar toen professor Max Müller (1823 – 1900) in 1894 die potentiële tijdbom onder de gevestigde christelijke religie nader onderzocht, bleek het boek veel inconsistente gegevens te bevatten. En terwijl hij daarmee bezig was, ontving hij een brief van een bevriende Engelse reizigster, uit Leh, Ladakh op 29 juni 1894. 

Zij schreef: ‘Gisteren waren we in het grote Hemis-klooster, het grootste Boeddhistische klooster hier in de omgeving – 800 lama’s. Heeft u gehoord van die Russische reiziger […], die hier geweest zou zijn om een boeddhistisch ‘leven van Christus’ te kopiëren, dat hier was? Hij zegt dat hij dat gekregen heeft en heeft het sindsdien gepubliceerd in het Frans. Er is geen letter waar van het hele verhaal! Er is hier geen Rus geweest…]! . Een jaar later, toen professor J. Archibald Douglas in juni 1895 bij het betreffende klooster navraag deed, bleek dat een ‘Leven van Issa’ volkomen onbekend was en bovendien verklaarde de abt dat er in de vijftig jaren daarvoor geen enkele man geweest was die over een dergelijk boek navraag had gedaan. In zijn verdediging op deze beschuldigingen wees Notovitch erop dat het boek was samengesteld uit meerdere losse fragmenten die hij in verschillende klosster had verzameld; maar de schade was geschied. Ook al bracht hij de namen van meerdere personen naar voren die konden getuigen dat hij wel degelijk in Tibet was geweest, en al kon hij zelfs aantonen dat de abt zich vergiste, niemand wilde hem toen nog geloven. 

In dezelfde tijd had de wijze Sri Ramakrishna (1836-1886) twee van zijn leerlingen, Vivekananda en Abhedananda opdracht gegeven om de diepgaande wijsheden van de Veda’s in het Westen te verkondigen. Deze Abhedananda, geconfronteerd met de controverse over La Vie Inconnue, had zich voorgenomen om de mythe voor eens en voor altijd te ontrafelen en aan te tonen dat een dergelijk manuscript niet bestond. In 1922 ging hij naar India om het boeddhisme te bestuderen. Te voet doorkruiste hij het land en trok dwars door de Himalaya naar Tibet, waar hij ook het Hemis-klooster bezocht. Daar ontdekte hij evenwel inderdaad een manuscript met dezelfde strekking als waarover Notovitch had geschreven, dat handelde over de vergeten jaren van Jezus. Hij publiceerde deze tekst als Appendix 2 in zijn boek Journey Into Kashmir & Tibet, uitgegeven door Ramakrishna Vedanta Math in Calcutta. De meest recente druk daarvan verscheen in 2001, waarvan een recensent schreef: ‘[…] het meest waardevolle van dit boek was Appendix 2, de complete tekst van een Engelse vertaling van een Franse vertaling van een Russische vertaling van een Tibetaanse vertaling van een document dat oorspronkelijk in het Pali is geschreven, over het leven van Jezus.’ 

De schrijver Holger Kersten vermeldt dat in 1939 een Zwitserse dame, Elisabeth Caspari, tijdens een pelgrimstocht naar de berg Kailasa het Hemis-klooster bezocht. Zij maakte deel uit van een gezelschap onder leiding van mevrouw Clarence Gasque, voorzitster van de World Association of Faith. De bibliothecaris van het klooster toonde haar oude manuscripten en zei: ‘Deze boeken vertellen over het verblijf van Jezus hier.’ Mevrouw Caspari nam een van de boeken die haar getoond werden ter hand. Niemand van de haar vergezellende dames had ooit gehoord over de ontdekkingen van Nicolas Notovitch en zij gaven de geschriften dus ook maar weinig aandacht. Naar het schijnt zijn de geschriften hierna weggehaald uit het klooster. 

Dat men aan Het evangelie van de heilige twaalven eenzelfde oorsprong toedichtte kan te maken hebben met een aantal factoren. De verwarring kan, zoals hierboven gesteld, mede zijn veroorzaakt door het gelijktijdig verschijnen van enkele van dit soort publicaties, waartoe bijvoorbeeld ook gerekend kan worden Het Aquarius Evangelie van Jezus Christus, geschreven door de arts en dominee Levi Dowling (1844-1911). Ook dit postume evangelie, dat in 1908 verscheen, behandelt onder meer de periode dat Jezus naar India (en Egypte) reisde. Een andere oorzaak voor de verwarring kan zijn dat er in de oudheid wel degelijk een antiek document moet hebben bestaan, dat door Origenes wordt genoemd, met bijna een gelijkluidende titel: Het evangelie van de twaalven. 

Dit staat vermeld op pagina 10 van de Engelse uitgave van de apocriefen, The Apocryphal New Testament (London: Oxford University Press, 1924). En de derde reden waarom zo’n exotische oorsprong werd gesuggereerd, is misschien het feit dat de thematiek en de levenshouding die uit het boek naar voren komen, nauwe verwantschap hebben met wat men zich rond het fin de siècle voorstelde bij het leven van de gemeenschap van de Essenen, waaruit Jezus zou zijn voortgekomen. 

Geen alcoholgebruik, geen dieroffers (of -proeven!) volstrekt vegetarische, hygiënische en zuivere levenswijze, gemeenschap van goederen. Idealen en thema’s die opvallend passen bij de negentiende-eeuwse sociale problematiek waarop de schrijvers, onder wie ook Ouseley, gedreven door idealistische motieven probeerden een antwoord te geven. 

In de laatste eeuwen zijn in oude bibliotheken en bij opgravingen veel fragmenten van het evangelie gevonden, constateerde Abhedananda. Zij worden logions genoemd. Merkwaardig is dat die teksten op meerdere plaatsen opmerkelijke overeenstemming vertonen met de nooit gecensureerde tekst van het evangelie van Ouseley. In dit evangelie worden de leringen van Christus beschreven die betrekking hebben op universele liefde, vegetarisme en het liefhebben van dieren. Ook worden dierenoffers expliciet afgewezen. 

De tekst verwerpt de barbaarse geschriften van het Oude Testament, waarin het offeren van dieren en zelfs van eerstgeborenen als normaal wordt beschouwd en dat door joden en christenen als een door God geïnspireerd boek gezien wordt. De nieuwe christelijke kerk van Jeruzalem wees het volstrekt af; in het oorspronkelijke christendom heeft het Oude Testament nooit de rol gespeeld die het had in het oorspronkelijke judaïsme. 

Ouseley legt uit: ‘Het lukte de vroege christelijke (kerk)vaders, die de oorspronkelijke bronnen en informatie vernietigden van de evangeliën die door hen in de Bijbel werden opgenomen, niet om alles te laten verdwijnen. Het is verbazingwekkend te bemerken, naarmate er door nauwgezet onderzoek meer en meer aan het licht komt, hoe de wereld door hen is bedrogen. 

Deze ‘correctores’ verwijderden uit de evangeliën bepaalde leringen van Jezus die zij niet wilden volgen, zoals aangaande het nuttigen van vlees en alcohol, aanwijzingen over het liefdevol omgaan met dieren en zelfs ook de interessante leringen die zo vaak in de oosterse geschriften voorkomen.’ De correctoren waren ingehuurd door de kerkvaders tijdens het concilie van Nicea (325 n.Chr.) om onder meer de oorspronkelijke tekst van de evangeliën zodanig aan te passen dat keizer Constantijn zijn weerstand tegen het christendom zou opgeven. Deze was te zeer gesteld op zijn nachtelijke feestelijkheden waar copieuze vleesmaaltijden genuttigd werden en de wijnen rijkelijk vloeiden. Hieraan namen de 318 aanwezige bisschoppen en hun medestanders in volle overtuiging deel. 

In de oorspronkelijke in het Aramees geschreven evangelieën werd de dringende aanbeveling gedaan om geen vlees en wijn te gebruiken, maar in de latere publicaties werd dit weggelaten. Omdat dit voorschrift een te ingrijpende maatregel zou zijn voor de bisschoppen, de keizer en zijn omgeving werd de lering geïnterpreteerd als: u zult niet doden. Hiermee werd de indruk gegeven dat deze uitspraak alleen op mensen betrekking had en niet op dieren. Het slachten en afmaken van dieren was derhalve geen moord meer. 

Het oorspronkelijke evangelie dat de leringen bevatte van de Christus, de heer van liefde, ging uit van argeloosheid en compassie ten opzichte van alle levende wezens, dat wil zeggen mensen zowel als dieren. Maar in het oorspronkelijke evangelie, en in de ogen van Ouseley, was de verlosser, zoals Christus werd gezien, zowel een verlosser van de mensheid als van de dierenwereld; hij trachtte immers het lijden te verlichten van alle levende wezens. 

Ouseley: ‘De allesomvattende liefde van de verlosser geldt niet alleen de mensheid maar ook de zogenaamde lagere schepselen van God. Zij delen immers met ons die ene ademtocht van het leven en gaan met ons de weg naar wat hoger is. Nergens is de zorg waarmee de barmhartige over mens en dier waakt indrukwekkender verwoord dan in het gezegde: ‘er worden vijf mussen verkocht voor twee centen, maar niet een van hen wordt door God vergeten.’ 

Hoe zou het mogelijk zijn dat de verlosser geen medelijden en compassie zou hebben met de schepselen die hun smart in stilte moeten verdragen? Zou het geen godslastering zijn als hij zonder medelijden en compassie de slechte behandeling van hulpeloze dieren zou beschouwen? Toen hij de verlossing bracht naar een wereld die verzonken is in eigengereidheid, egocentrisme en ellende verkondigde hij een boodschap van alomvattende liefde voor elk schepsel, en als de mens zijn hart zou openen voor die boodschap van liefde, zou hij niet meer hard en zonder compassie omgaan met de andere schepselen van God, die net als hij in het leven zijn geroepen en vreugde en lijden kunnen ervaren.’ 

Hij vervolgt: ‘Zij die de verlosser volgen, beoefenen zijn liefde die compassie voor alle schepselen behelst; hoe weinig vragen de hulpeloze schepselen van ons. Hen niet te pijnigen, hen te helpen als ze in moeilijkheden zijn of als zij ons om hulp vragen. Als wij omdat het nodig is hun leven moeten beëindigen, laat het dan een snelle dood zijn met het minst mogelijke lijden, een zacht inslapen. Maar helaas, wij zijn zo weinig doordrongen van deze goddelijke lessen van barmhartigheid en compassie. Aan hoeveel vreselijke martelingen, uit naam van de wetenschap staan zij bloot, om onnatuurlijke behoeften of lusten te bevredigen, of uit ijdelheid!’ 

Ondanks hetgeen in de verschillende voorwoorden in Engelse, Duitse, Zweedse en Nederlandse edities wordt gesteld, heeft Het evangelie van de heilige twaalven dus niet zo’n exotische oorsprong. De reden dat de Rozekruis Pers indertijd (1965) besloot dit evangelie te publiceren, lag dan ook niet in de veronderstelling dat het hier het een occult geschrift betrof, langs spiritistische weg verkregen. Het werd uitgegeven vanwege het feit dat nagenoeg iedere bladzijde getuigt van de levenshouding van de Bergrede, die de levenshouding van de zielemens is. Dat wil niet in het minst zeggen dat de ontstaansgeschiedenis geen bijzondere is. 

Ouseley was een bescheiden man, erg arm en van onbesproken levenswandel. Nergens beweert hij dat hij in Tibet is geweest. Hij heeft er geen geheim van gemaakt op welke wijze hij de teksten had geschreven: hij had ze ontvangen, niet in seances of op andere spiritistische wijze, maar ‘in dromen en in visoenen van de nacht’. Het is niet in het Aramees geschreven maar direct in het wat plechtstatige Engels van de negentiende eeuw, en verwijst sterk naar een levenshouding die de Bergrede-levenswijze dicht nadert. 

Gideon Jasper Richard Ouseley werd op 15 oktober 1835 geboren in Lissabon. Toen hij zeven jaar oud was, overleed zijn vader; zijn familie nam hem mee naar Ierland, waar hij in 1858 zijn opleiding afrondde aan de universiteit van Dublin. Hij werd geestelijke en propageerde in die tijd dat het eten van vlees, het drinken van alcohol en gebruik van nicotine in feite niet strookt met de menselijke aard en niet past bij de ware religie zoals die door Christus en zijn apostelen werd onderwezen. 

In zijn ogen waren dit de directe oorzaken van armoede, en alleen door deze uit te bannen zou de wereld gered kunnen worden. Voor de mens is het geëigende voedsel datgene wat de aarde in overvloed voor haar bewoners voortbrengt. Hij stichtte de ‘Order of At-onement’ de Orde van Verzoening en de ‘United Templars Society’, het Genootschap voor Verenigde Tempelieren, waarvan de laatste als motto had: één God, één religie, verschillende namen, verschillende vormen. Daarin wilde hij tegengestelde ideeën, zaken, personen en systemen met elkaar in overeenstemming brengen, en de mens in harmonie met het goddelijke, door de Christusgeest in de ziel. Deze inzichten werden door zijn meerderen in de kerk niet op prijs gesteld en hij kreeg het stempel ‘antichristelijk’ te zijn. Ze zetten hem uit de kerk. 

Het feit dat Ouseley de vertaling van het Evangelie ‘uit de geest’ heeft ontvangen wil niet zeggen dat het hierdoor een grotere betekenis heeft dan de vier bekende evangeliën. Voor alle evangeliën geldt immers dat zij niet anders doen dan ‘het verheven drama van de verborgen geestelijke geschiedenis van de mens’ schetsen, dat wil zeggen: van de ziel. Een voordeel is evenwel dat het onderhavige evangelie is ontsnapt aan de pen van ‘correctores’ maar ook aan die van de vervalsers, waaronder de andere vier ernstig te lijden hebben gehad. Toen Ouseley later bekend werd met de leringen van De Ware Weg of het Vinden van de Christus, geschreven door Anna Bonus Kingsford, vond hij daarin de sleutel voor het juiste begrip van de parabels en de allegorieën die – vaak in de vorm van historische feiten – in het boek dat hij ontvangen had naar voren komen. Deze bevatten immers belangrijke lessen die anders verloren zouden gaan. Deze geschriften zijn nooit historisch bedoeld maar zijn geschreven als de oorspronkelijke leringen van de christelijke mysteriën. Wat er eventueel historisch aan is, is in ieder geval zo aangepast dat de betreffende mysterielering over zou komen. Vandaar dat Ouseley het woord van Johannes op zijn werk van toepassing achtte: ‘De geest is het, die levend maakt; het vlees is niet van nut. De woorden die ik tot u spreek, zijn geest en leven.’ 

Daarom kan niet genoeg benadrukt worden dat de geschriften spirituele processen naar voren brengen die van toepassing zijn op iedereen die zich op ‘de ware weg’ begeeft. Kingsford ging zelfs nog een stap verder, toen zij kort voor haar overlijden schreef: ‘Verlicht door het Licht-van-binnen (de goddelijke inwonende geest) ontdekte ik de drogbeelden en afgoderij van het populaire christendom en vanaf het uur dat ik de spirituele Christus in het hart ontdekte, besloot ik dat ik hem niet meer naar het vlees zou kennen. 

De oude historische controverses over feiten en data hielden op en kwelden en verwarden me niet langer. Ik zag dat mijn ziel niets  uitstaande heeft met uiterlijke gebeurtenissen die op het stoffelijke vlak plaatsvinden omdat deze, door hun aard, geen enkele relatie hebben met haar spirituele nood en behoefte.’ ‘Hemelse wijsheid’, zegt Thomas à Kempis, treedt alle lagere dingen met voeten’, en hij getuigt van een ‘manna dat verborgen is in de leer van Christus’. 

Ook sloot Ouseley zich aan bij de uitgangspunten van Anna Kingsford en Edward Maitland, die inhielden dat zij geen enkele autoriteit, of het nu geschriften, personen of instituties – hoe heilig, verheven of eerbiedwaardig die ook waren – als basis voor hun leringen aanvaardden. Ouseley deed, net als zij, een beroep op het spirituele inzicht in de mens: ‘De geest in u is goddelijk, hij is God.’ 

Ouseley benadrukte dat de verheven waarheid slechts in het innerlijk wordt ontsluierd. ‘Zoek in het binnenste, binnenin je,’ zei hij vaak, ‘zoek niet buiten je. Alle kennis komt van binnenuit, en niets komt van buiten.’ 

Sommige delen van de tekst had hij opgenomen in een eerder verschenen werk van zijn hand, Palingenesia, of de Geboorte van een Nieuwe Aarde, dat in 1884 verscheen, en waarin ze werden aangegeven als Fragmenten uit het Evangelie van het Volkomen Leven. Hij zag deze teksten voor zich, in dromen en visioenen van de nacht, op een lessenaar en wat hij las en opnam schreef hij de volgende dag op, soms ineens, soms geleidelijk, stukje bij beetje. 

De meest verheven inspiraties ontving hij als hij buiten wandelde en de frisse ochtendlucht inademde. ‘Alleen al als ik buiten wandel, krijg ik inspiratie. Ik heb altijd een notitieboekje bij me.’ Zijn leven stond in het teken van zijn vaste overtuiging: ‘Het is een absoluut principe dat geen verhaal, gelijkenis of ander geschrift dat letterlijk genomen gebaseerd is op wreedheid, onrechtvaardigheid of onderdrukking, doorgegeven kan zijn door de goddelijke geest of het goede. Deze kunnen ook niet dienen als een basis voor de hogere geestelijke waarheid, door welke interpretatie ook, omdat dit in zichzelf onwaar is, of het nu op het fysieke of morele niveau is, en omdat het niet synchroon loopt met de leringen van de geest van de waarheid.’ Als voorbeeld gaf hij graag het verhaal van Kaïn en Abel, waarin het immorele offeren van onschuldig leven om een kwade godheid tevreden te stellen wordt behandeld. 

‘Zoek’, zegt Anna Kingsford, ‘naar de diepere betekenis van het geopenbaarde universum en van het geschreven woord en u zult slechts hun mystieke betekenis aantreffen.’ Ouseley stelde het zo: ‘Streef naar het verkrijgen van de mysteriën van het Licht’. De letter van de heilige geschriften is slechts de schaduw van de goddelijke waarheid. De schaduw waarover Tennyson zei: ‘die in het afval zit en op mij wacht.’ De schaduw is een verhullende mantel die de sleutels van alle geloofsovertuigingen verbergt. Boeddha zegt hierover: ‘Zij die de schaduw interpreteren als de essentie en de essentie als de schaduw, bereiken nooit de werkelijkheid maar volgen verkeerde doelstellingen. Zij die weten wat de essentie is en de schaduw zien als de schaduw bereiken de werkelijkheid en volgen de juiste doelstellingen.’ 

Ook Jezus legde in alle overgeleverde geschriften steeds weer de nadruk op het feit dat de werkelijke waarheid verborgen is en alleen aangetroffen wordt nadat de bekleding ervan is afgeworpen. Alles zal immers worden geopenbaard, echter zodanig dat alleen zij het zullen begrijpen die er rijp voor zijn. In Het evangelie van de heilige twaalven staat: ‘De waarheid is absoluut en is alleen in God. De waarheid wordt aan de mensen geopenbaard volgens hun vermogen deze te begrijpen en te ontvangen. Tot sommige mensen spreek ik gewone taal en aan anderen openbaar ik grote mysteriën. Mijn woorden zijn geest en leven en kunnen niet worden benaderd door het verstand van de mens. Zij, de profeten, leveren de brief af maar u brengt de inhoud aan het licht. Zij uiten luidkeels de woorden maar u geeft hun de betekenis.’ 

Aan het slot van ‘Het evangelie van de heilige twaalven’ lezen we: ‘Voor hen die de dingen van de geest geloven in plaats van de dode letter zijn de dingen die hierin verteld worden geestelijke waarheden en voor anderen is het slechts een simpel verhaal.’ De vraag rijst waarom bepaalde leringen verborgen moesten worden. Waarom onderwees Jezus de massa in gelijkenissen? Omdat de verborgen waarheden niet op directe wijze onderwezen kunnen worden door en aan de natuurgebonden mens; zij kunnen alleen als ‘duistere uitspraken’ doorgegeven worden aan de menigte die strijdig met zijn leringen leeft. Het evangelie van de heilige twaalven is hier heel duidelijk in: ‘Zij die profiteren door de schepselen van God te mishandelen kunnen niet rechtvaardig zijn, noch kunnen zij wier handen met bloed zijn besmeurd of wier monden met vlees zijn bevuild de mysteriën van het koninkrijk begrijpen; zij zijn ook niet geschikt om de hoogste mysteriën te ontvangen, want de harten van deze mensen zijn verhard.’

Overigens is er aan het begrip ‘God’ in Het evangelie van de heilige twaalven zeker nog een andere dimensie te onderkennen. Ouseley’s benadering van het opperwezen is niet mannelijk of vrouwelijk, maar verenigt beide kosmische stromen, de mannelijke en de vrouwelijke, in zich. God is vader-moeder, en bovendien één in beiden. 

Als Jezus leert bidden, in hoofdstuk 19, en eveneens aan het kruis (72:2) spreekt hij dan ook van ‘Abba-Amma’. Diezelfde tweevoudigheid zien we terug in zijn min of meer officiële naam. In hoofdstuk 2:6 kondigt de engel immers aan dat zijn naam zal zijn: Jezus-Maria. Dat verhindert Ouseley echter niet om in de lopende tekst van het evangelie meestal de aanspreekvorm Jezus te gebruiken. 

Het was Ouseley’s opvatting dat de periode waarin wij leven materialistisch is en hoewel zij christelijk wordt genoemd, is zij anti-christelijk. Ondeugd is de wet geworden. Het materialisme regeert de wetenschap, de kerk en de religie. De waarheid wordt onderdrukt en afhankelijk gemaakt van belangen en de mensen verliezen hun vertrouwen in de zogenaamde democratie. De religie wordt ontkend en het is geen wonder dat deze heden ten dage voor veel mensen weerzinwekkend is. Het is belangrijk te beseffen dat hoewel de zielen van de rechtvaardigen voertuigen worden van goddelijke openbaring, er geïnspireerde geschriften zijn die gekleurd en gemanipuleerd zijn door het karakter of de mentaliteit van de tussenpersoon door wie zij tot ons gekomen zijn. 

Niet elk woord ervan kan als onfeilbaar worden beschouwd. Geestelijke inspiratie houdt niet noodzakelijkerwijs onfeilbaarheid in, want er is geen mens geheel zonder fouten. We lezen in Het evangelie van de heilige twaalven dat zelfs bij de profeten ‘het woord van vergissing’ kan worden aangetroffen. De eigen waarheid van een goddelijke boodschap is het beste bewijs van werkelijke inspiratie: de inademing van het goddelijke door de geestelijke organen die voor die doeleinden in de mens zijn gecreëerd. 

Inspiratie wordt in God geboren. De waarheid wordt aan de mens geopenbaard geheel naar zijn vermogen deze te begrijpen en te ontvangen. De schepping en de bevrijding van de wereld worden bereikt door ‘het afdalen van geest in stof en het door de eeuwen heen opstijgen van materie in de geest’, leert Het evangelie van de heilige twaalven. Ook treffen we in dit evangelie een instructie aan van Jezus dat we ‘elkaar en alle schepsels van God lief moeten hebben’ omdat God zich in alle schepsels bevindt. Kinderen dienen ‘opgevoed te worden in de geest van rechtvaardigheid; zij nuttigen geen vlees of sterke drank; zij zullen ook niet op schepselen jagen die God in de handen van de mens heeft gegeven om te beschermen’. Het wordt benadrukt dat Jezus in de wereld kwam om een einde te maken aan bloedige offerandes en het eten van vlees. 

We kunnen stellen dat in Het evangelie van de heilige twaalven het begrip van karma en reïncarnatie impliciet aanwezig is, maar nergens leerstellig wordt benaderd. De meest duidelijke verwijzing vinden we in hoofdstuk 65, als Jezus-Maria leert om de dag van vandaag niet te verwaarlozen. Hij stelt daarin, dat de nadruk moet liggen op het verwerven van de mysteriën in dit leven, en de mens ‘niet van kringloop tot kringloop en van tijdperk tot tijdperk’ moet uitstellen, in de veronderstelling dat, als hij weer in de wereld komt, hij de mysteriën met goed gevolg zal vinden. Niet karma, schuld en boete zijn belangrijk, maar het verkrijgen van bewustzijn, en deel krijgen aan het koninkrijk van het Licht in het nu. 

Jezus onderwees de leer van regeneratie (geestelijke wedergeboorte) nadrukkelijk als het middel waardoor de mens ‘volmaakt wordt door het lijden; verandering van leven teneinde de ziel te vervolmaken.’ Op die manier ‘gezuiverd door veel ervaringen’ zal de mens niet meer sterven, noch zal hij weer geboren worden, want de dood heerst niet meer over hem. Er is in deze leer geen ‘zondebokchristendom’ en ook geen vergeving of kwijtschelding van zonde door ‘plaatsvervangend lijden’. Voor zondigen tegen de goddelijke wet kan geen kwijtschelding zijn dan door ‘berouw en verbetering’. 

Volgens Ouseley bevatten de geschriften het woord van God maar vaak zijn ze door de vergissingen van de mens of met opzet geïnterpreteerd en veranderd. ‘Zullen we het goud wegwerpen omdat het met zoveel rommel is vermengd? Als we dat doen, zijn we dwaas en niet wijs.’ 

Het doel van het bekendmaken van Het evangelie van de heilige twaalven is de restauratie van de oorspronkelijke tekst, waarin het leven en de waarheid wordt verteld over de opdracht van Jezus op de aarde. In dit evangelie is zijn voorspelling uitgekomen. Hij zei tot zijn leerlingen: ‘Zij zullen jullie uit de synagogen weren om-dat zij mij niet hebben gekend.’ En als er gevraagd wordt wie zijn leerlingen zijn, wordt het volgende antwoord gegeven: ‘Hierdoor zullen alle mensen weten dat je mijn leerlingen bent, als je elkaar liefhebt en barmhartigheid en liefde toont aan alle schepsels van God.’ Maar, zo was Ouseley’s overtuiging: ‘Laat het gezegd zijn dat kerkelijke organisaties, van welke aard dan ook, op den duur niet in staat zullen zijn weerstand te bieden aan de eeuwige principes van rechtvaardigheid, humaniteit en liefde voor alle openbaringen van God. 

Er kan over de kerken gezegd worden: ‘Wij bevonden ons op de oude fundamenten maar we openbaarden de oude waarheid niet; we hebben de sleutels van de hemelen maar we openden de poorten niet voor onszelf, noch voor anderen die binnen wilden komen. Het Licht was ons gegeven maar wij verborgen het op een donkere plaats en zij die om meer Licht riepen werden vervolgd en ketters genoemd, en in onze verblinding veroordeelden wij velen van hen tot de dood. En zelfs nu, meester, zouden wij u bijna opnieuw afgewezen hebben maar door de barmhartigheid van het eeuwige hoorden wij de heilige en ware leringen die u eens als gelijkenissen gaf – zelfs de leringen uit heel oude tijden – opnieuw gegeven, de nieuwe wijn van uw koninkrijk, en uiteindelijk werden onze ogen en oren geopend en keerden wij naar u terug’. Ouseley zag het als zijn opdracht de wereld bekend te maken met de tot dan toe niet geopenbaarde tekst van Het evangelie van de heilige twaalven. 

In 1898 verloor hij zijn vrouw en in het volgende jaar trouwde hij opnieuw. Zijn tweede vrouw was hem tot grote steun in zijn laatste jaren en overleefde hem. Uit zijn geschriften blijkt dat hij in 1903 heel vermoeid was en zich gedeprimeerd voelde omdat hij uit de kerk was verwijderd, terwijl hij haar het enige evangelie had gebracht dat van belang was. Hij werd steeds dover en kon niet veel meer zien. ’s Nachts werd hij wakker gehouden door zijn ‘lijdende broeders’, de dieren. Hij hoorde hun angstkreten en was zich bewust van hun lijden terwijl zij gedood werden door de mensen. ‘Zij (de mensen) zien niet in dat wat zij doen misdadig is en begrijpen niet dat al het leven één is’. 

Ook maakte hij zich zorgen over de toekomst van Het evangelie van de heilige twaalven. Wat zou ermee gebeuren na zijn dood? Zijn grote angst was dat het in handen zou komen van die mensen die ‘dat van de wereld zouden afsluiten wat aan hem was gegeven om de wereld verlichting te geven.’ Nog meer vreesde hij de correctoren, die mogelijk de geschiedenis van vroeger zouden doen herleven en die de essentie in het evangelie zouden verminken. In 1904 gaf hij het copy-right van het geschrift aan een vriend met de opdracht ‘het niet in handen te laten komen van ritualisten, rooms noch anglicaans.’ In 1905 schreef hij aan een vriend: ‘Ik ben klaar met mijn werk en mijn bestemming verwacht me. Deze is gereed mij te ontvangen.’ Op tweeënzeventigjarige leeftijd stierf hij, op 9 december 1906.

In het tijdschrift Light (5 en 12 januari 1907) werd gezegd: ‘Moge hij nu in vrede rusten in de overtuiging dat zijn leven van zelfopoffering voor waarheid en menselijkheid, een leven zonder ambities naar werelds eerbetoon of verlangen naar wereldse verdiensten, niet tevergeefs is geleefd, want ‘waar barmhartigheid, liefde en medelijden verblijven, verblijft ook God.’ 

Ouseley schreef: ‘Door involutie en evolutie zal de redding van de wereld plaatsvinden, door het neerdalen van de geest in de stof en het opstijgen van de stof in de geest, door alle tijden heen.’ Ouseley zelf is een voorbeeld van hoe de geest in de stof werkzaam kan zijn.  Een ding staat vast: zonder een hogere hulp had hij het evangelie nooit kunnen schrijven, en dat die hulp van verheven oorsprong was, bewijst het resultaat. De laatste regels van het evangelie luiden dan ook: ‘Glorie aan God, door wiens kracht en hulp het is geschreven.’ 

 Peter Huijs 


KLIK HIER OM HET EVANGELIE VAN DE HEILIGE TWAALVEN TE BESTELLEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *