Prins Siddhartha leert drie oorzaken van smart kennen: ouderdom, ziekte en dood

Het paleis, dat koning Sjoeddhodana gegeven had aan prins Siddhartha, was versierd met alle kostbaarheden van Indië, want de koning begeerde zeer zijn zoon gelukkig te zien.

Alle droefheid, alle ellende en alle kennis van ellende werd van Siddhartha verre gehouden, en hij wist niet, dat er kwaad in de wereld was. Maar zoals een olifant naar de wildernis verlangt, zo begeerde de prins de wereld te zien, en hij vroeg zijn vader, de koning, daartoe toestemming.

En Sjoeddhodana gelastte, dat een met juwelen versierde wagen met vier prachtige paarden zou gereed gehouden worden, en beval, dat de wegen, langs welke zijn zoon zou rijden, zouden worden versierd.

De huizen van de stad waren getooid met guirlandes en banieren, en de toeschouwers schaarden zich aan beide zijden, verlangend ziende naar de erfgenaam van de troon. Alzo reed Siddhartha met Tsjanna, zijn wagenmenner, door de straten van de stad en naar buiten in het landschap, besproeid door beekjes en bedekt met mooie bomen.

Daar ontmoetten zij aan de kant van de weg een oude man. De prins zag zijn gebogen houding, het gerimpelde gezicht en de zorgelijke trek op zijn voorhoofd, en zei tot de wagenmenner: “Wie is dit? Zijn hoofd is wit, zijn ogen tranen en zijn lichaam is verschrompeld. Hij leunt op zijn staf en kan zich nauwelijks staande houden.”

De wagenmenner, zeer in verlegenheid gebracht, durfde nauwelijks naar waarheid te antwoorden. Hij zei: “Dit zijn de verschijnselen van de ouderdom. Dezelfde man was eenmaal een zuigeling, en een jongeling vol levenslust; maar nu de jaren zijn voorbijgegaan, is zijn schoonheid verdwenen en zijn levenskracht verbruikt.”

Siddhartha was zeer getroffen door de woorden van de wagenmenner, en hij zuchtte uit deernis met de ouderdom. “Welke vreugde of genoegens kunnen de mensen smaken”, dacht hij bij zichzelf, “wanneer zij weten, dat zij zo spoedig verwelken en verkwijnen!”

En zie! Terwijl zij voortgingen, verscheen een zieke man aan de kant van de weg, naar adem snakkend, zijn lichaam misvormd, stuiptrekkend en kreunend van pijn. De prins vroeg zijn wagenmenner: “Wat voor soort man is dit?” En de wagenmenner antwoordde en zei: “Deze man is ziek. De vier elementen van zijn lichaam zijn verward en niet goed in orde. Wij zijn allen onderworpen aan zulke toestanden: armen en rijken, onwetenden en wijzen, alle schepsels die een lichaam hebben, kan dezelfde ramp overkomen.”

En Siddhartha was nog meer ontroerd. Alle genoegens schenen hem vergald en hij walgde van de vreugden van het leven. De wagenmenner zette zijn paarden tot spoed aan  om aan het akelige gezicht te ontkomen, toen zij plotseling in hun vurige vaart werden tegengehouden.

Vier personen gingen voorbij. Zij droegen een lijk. De prins huiverde bij de aanblik van een levenloos lichaam en vroeg de wagenmenner: “Wat dragen deze lieden? Er zijn wimpels en bloemenguirlandes; maar de mannen die volgen, zijn overstelpt van smart!”

De wagenmenner antwoordde: “Dat is een dode man. Zijn lichaam is verstijfd; zijn leven is heengegaan; zijn gedachten hebben opgehouden; zijn familie en vrienden, die hem liefhadden, dragen nu zijn lijk naar zijn graf.”

En de prins was vervuld van ontzetting en schrik. “Is dit de enige dode”, voeg hij “of zijn er nog anderen zo in de wereld?” Met een bezwaard hart antwoordde de wagenmenner: “In de hele wereld is dit zo. Hij die het leven begint, moet het ook eindigen. Er is geen ontkomen aan de dood.”

Met beklemde adem en stokkende stem riep de prins uit: “O, wereldse mensen! hoe noodlottig is uw waan. Onvermijdelijk zal uw lichaam tot stof vergaan, en toch leeft gij zorgeloos voort, zonder er acht op te slaan.”

De wagenmenner, die merkte welke diepe indruk deze droeve tonelen op de prins hadden gemaakt, wendde zijn paarden en reed terug naar de stad. Toen zij langs de paleizen van de edelen reden, zag Krisja Gautami, een jonge prinses en nicht van de koning, Siddhartha in zijn mannelijke schoonheid. Toen zij bespeurde hoe nadenkend zijn voorkomen was, zei ze: “Gelukkig de vader die u gewon, gelukkig de moeder, die u verzorgde, gelukkig de vrouw die zo’n roemrijke heer haar echtgenoot noemt.”

De prins hoorde deze groet en zei: “Gelukkig zijn zij, die verlossing gevonden hebben. Ik verlang naar de vrede van het gemoed en zal de zaligheid van Nirwana zoeken.” En terwijl hij haar zijn kostbaar halssnoer van parels gaf als beloning voor het onderricht dat zij hem gegeven had, keerde hij naar zijn huis terug.

Siddhartha keek met geringschatting naar de rijkdommen van zijn paleis. Zijn vrouw verwelkomde hem en smeekte hem haar de oorzaak van zijn smart te vertellen. En hij zei:
“Overal zie ik de tekenen van verandering; daarom is mijn hart bezwaard. De mensen worden oud en ziek en sterven. Dat is genoeg om de geur van het leven weg te nemen.”

Toen de koning, zijn vader, vernam, dat het hart van de prins vervreemd was van vreugde, werd hij zeer bedroefd en het doorboorde zijn hart als een zwaard.

Bron: Hoofdstuk 6 van ‘Het evangelie van Boeddha’ van Paul Carus

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *