Bewijzen voor reïncarnatie. Enkele conclusies uit ‘Leven op herhaling’ van Michiel Hegener

Leven op herhaling Michiel Hegener.084Vier jaar voor het voltooien van dit boek begon ik aan de vraag of reïncarnatie aantoonbaar bestaat, dus los van mijn persoonlijke ideeën en overtuigingen. Was het te bewijzen? Ik las enkele tientallen boeken, googelde tot het me duizelde, had thuis en buitenlands talloze gesprekken met mensen in mijn directe omgeving, werd hier en daar voor halfgaar verklaard omdat ik me met zo’n onzinonderwerp bezighield, maakte wat nieuwe vijanden die reïncarnatie een uiterst irritant gespreksonderwerp vonden, kreeg aanmoedigingen van mensen die blij waren met mijn plan een steen te gooien in een vijver die wetenschap heet of die hoopten dat mijn boek lezers zou doen beseffen dat de dood niet het einde is, en reisde tachtigduizend kilometer om enkele tientallen experts en kroongetuigen te ontmoeten en te interviewen.

Naarmate ik meer te weten kwam over de anomaliën die wijzen op reïncarnatie verloor ik enig vertrouwen in een paar ideeën waarmee ik begon en raakte ik, meer dan ik had verwacht, overtuigd van het bestaan van de overdracht van herinneringen. Voor veel gevallen geldt dat je pas bij precieze beschouwing doorkrijgt hoe hard het bewijs voor herinneringsoverdracht is. Robert Snow, Gwen McDonald en James Leiniger zijn drie gevallen die er uit springen, maar hoezeer, dat had ik bij aanvang niet door. Als verder gegeven is dat er vrijwel nergens budgetten zijn voor reïncarnatieonderzoek, dan staat vast dat de sterkste gevallen die nu bekend zijn slechts een fractie vormen van wat er er in beeld zal komen als dit onderwerp eindelijk de aandacht van onderzoekers gaat krijgen die het al zo lang verdient.

Dat er bewijs is voor de overdracht van herinneringen is voor mij vast komen te staan. In de woorden van Peter Ramster: ‘De mensen die we [in 1981] met ons meenamen [naar Europa] wisten dingen die, als ze geen bewijs vormen voor reïncarnatie, bewijzen dat ons mentale vermogen alle grenzen en beperkingen kan overstijgen.’ Dat alleen al is een doorbraak, nog los van reïncarnatie.

In de inleiding beschreef ik hoe dit boek begon met de weigering van een artiekel van mij voor de NRC over reïncarnatiebewijzen. De redactie benadrukte: er is nog nooit een bewijs geleverd voor het onafhankelijke bestaan van de geest, dus zonder lichaam. Mede daarom werd mijn stuk neit geplaatst. Dat was dus een fijne omkering. Anomaliën die wijzen op reïncarnatie bewijzen juist dat de geest onafhankelijk van het lichaam kan bestaan! En daarom zijn ze zo belangrijk.

De grote vraag is natuurlijk: bestaat reïncarnatie? Als gegeven is dat die herinneringen, spontaan dan wel onder hypnose, altijd gaan over levens die ten einde kwamen voordat degene die ze nu heeft werd geboren, dan lijkt de conclusie dat reïncarnatie bestaat niet ver weg. Als verder gegeven is dat het nog nooit is voorgekomen dat twee personen zich een en hetzelfde leven herinnerden, dan is de conclusie dat reïncarnatie bestaat zo ongeveer bereikt. Maar ik stel ook vast dat een definitief bewijs voor het bestaan van reïncarnatie ontbreekt. Het is zo goed als zeker, daar ligt de grens van mijn conclusie.

We hebben honderden gevallen die alle eigenschappen hebben van reïncarnatie. Het is de best fit, zoals Stevenson zei. Hij zei ook, tegen sceptici in het bijzonder:  ‘What evidence, if you had it, would convince you of reïncarnation?’ Die vraag leeft bij veel onderzoekers. ‘Hoeveel bewijzen hebben we nog nodig voor het bewezen is?!’ verzuchtte Carol Bowman retorisch. De grootste vraag is niet langer of reïncarnatie bestaat maar waarom de westerse wetenschap, de islam en het orthodoxe christendom in een collectieve staat van ontkenning verkeren.

Bron: Conclusies in Leven op herhaling – Bewijzen voor reïncarnatie door Michiel Hegener

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *