Meester Eckeharts weg tot kosmisch bewustzijn – een leidraad voor praktische mystiek door K.O. Schmidt

BESTEL EBOOK – BESTEL SOFTBACK € 22,50

In ‘Meester Eckeharts weg tot kosmisch bewustzijn’ toont K.O. Schmidt de lezer hoe meester Eckehart (ca. 1260-1328), één van de bekendste christelijke mystici, de weg wijst tot kosmische verruiming van ons wezen en de verwezenlijking van en zingeving aan ons leven. Een weg die in Eckeharts preken helder voor ons oplicht. Schmidt ziet kans het steile pad naar het ‘hoge Heim’ in het hart van God, aan de hand van Eckeharts aanwijzingen zò lichtend te laten worden, dat iedereen dit pad kan volgen en zèlf tot de Al-beleving kan komen. Meer dan ooit vraagt de mens in deze tijd naar de diepere zin van het leven. 

De grote Duitse mysticus Meester Eckehart (1260-1328) staat dan ook na zeven eeuwen opnieuw in de belangstelling. Zijn religio overstijgt alle confessies. Hij was bekend met de religieuze en filosofische leringen van het Westen, van Griekenland en Egypte, van het Nabije Oosten en het verre Azië – hij stond bovenop de berg en wist dat alle wegen uit de dalen rondom, op de top samenkomen. Thans erkennen wij dat Eckehart, die het peilloze doortastte, de grootste verkondiger in het Westen was van een universele, kosmische religie. Hieronder volgen het eerste hoofdstuk, het woord vooraf en de inhoudsopgave.

  1. KOSMISCH BEWUSTZIJN

Bewustzijn noemen wij die grondvorm van geestelijk leven waarin wij, al nadenkend en oordelend, ons niet alleen bewust zijn van het voorwerp, de inhoud en het proces van onze beleving, doch gelijktijdig ook van onszelf.

Alle bewustzijnsprocessen blijken, onafhankelijk van hun verschillende gradaties van helderheid – van ‘halfbewust’ meer gevoels- en instinctmatig waarnemen en reageren tot en met ‘volledig bewuste’ tegenwoordigheid van geest en wakker-zijn – bestuurd te worden door het ik, afhankelijk van de zintuigen, gebonden aan ruimte en tijd.

Tegenwoordig weten wij dat deze definitie niet voldoende is, dat het geestelijk leven en bewustzijn van de mens in werkelijkheid boven de gebondenheid aan ik, zintuigen, ruimte en tijd uitgaat.

De Amerikaanse parapsycholoog prof. J.B. Rhine en zijn medewerkers van de Duke-universiteit hebben aan de hand van een reeks onderzoekingen, die zich over twintig jaren uitstrekte, vastgesteld dat er een buitenzintuiglijke waarneming bestaat en dat een mens ook zonder behulp van zintuiglijke organen deel kan hebben aan het denken, gevoelen, weten en beleven van derden, en zich over verre afstanden met anderen langs telepatische weg kan onderhouden.

De uitkomsten van deze en vele soortgelijke proefnemingen en van andere diepte-psychologische waarnemingen, hebben aangetoond dat de mens ’te vergelijken is met een ijsberg: zoals bij een ijsberg het grootste deel zich onzichtbaar onder het wateroppervlak bevindt, blijft het grootste deel van de mens in de regel niet-waarneembaar onder de drempel van het bewustzijn.

De diepte-psychologie heeft een deel van de ‘onderbewuste’ lagen van de mens ontsloten, maar zij is er niet in geslaagd de allerdiepste diepten van het menselijk wezen en zijn bewustzijn te doorgronden. En toch zijn deze diepste diepten van het bewustzijn geen onbekend gebied: sedert duizenden jaren zijn geestelijke pioniers steeds opnieuw tot diep in deze rijken doorgedrongen en hebben ons daarover opvallend gelijkluidende berichten doorgegeven.

Ik heb het hier over de mystici die het vermogen der buitenzintuiglijke, bovenbewuste waarneming hebben ontwikkeld in een voor de gewone mens onvoorstelbare mate, en in de ‘innerlijke werelden’ evenzeer thuis zijn als de ‘waak-bewuste’ gewone mens in de uiterlijke wereld. Wat de mystici gelijkluidend meedelen over de innerlijke mens is, eigentijds uitgedrukt, het volgende:

Indien wij de vergelijking van mensen en ijsbergen aanhouden, dan komt het zichtbare deel van de ijsberg bij de mens overeen met het lichamelijke en waak-bewustzijn. 

Hier – in de wereld van het ik – is de ene mens van de andere mens gescheiden. Maar onder de bewustzijnsdrempel, op het vlak van het on- en onderbewuste, komen de afzonderlijke ‘ijsbergen’ reeds nader tot elkaar; en nog dieper – op het vlak van het overbewustzijn – raken zij elkaar in denken en wezen. Nog dieper – op het vlak van het Al- of kosmische bewustzijn – zijn zij innig met elkaar verbonden; en op grond van hun wezen – in het centrale gebied van het God-bewustzijn – zijn zij allen één. Vandaar de uitspraak: ‘Alles is eeuwig, innerlijk verwant en vereend.’

Nu is het van doorslaggevend belang dat het – zoals de mystici eenstemmig verklaren – voor iedereen mogelijk is, op de weg naar het innerlijk, door volhardende, herhaalde bezinning op het zelf en verzonkenheid in het zelf, in meditatie en contemplatie, steeds dieper in de innerlijkste lagen van zijn bewustzijn en wezen door te dringen waarbij zich tevens de overeenkomstige bewustzijnslagen van al zijn medeschepselen voor hem ontsluiten.

De weg daarheen is door de mystici in alle etappen gedetailleerd beschreven, zodat de zoeker hier niet kan verdwalen. En zo zijn ook de herkenningstekens bekend, die de treden of fasen van het innerlijk ontwaken stuk voor stuk aangeven. Door deze berichten van duizenden mystici uit alle delen der aarde en van alle tijden weten wij voorts, dat de mensheid zich bevindt in een proces van steeds verder voortschrijdend innerlijk ontwaken en rijpen, zodat voor datgene, wat de mystici als eersten ervoeren en herkenden, alle mensen vroeger of later ontvankelijk zullen zijn en er zich bewust van worden.

Daar iedere mens met zijn diepste bewustzijnslagen in het Albewustzijn is ingebed, met andere woorden: daar de oergrond van de ziel en de oergrond van het Al elkaar eeuwig raken, is het begrijpelijk dat in de loop van het langzame, doch gestadige geestelijke groeiproces der mensheid, steeds meer mensen zullen opwaken tot dat, wat de mystici het ‘innerlijke licht’ noemen: het teken van de doorbraak tot het kosmische bewustzijn.

Uit de verklaringen van de mystici van oost en west blijkt unaniem dat dit opwaken tot kosmisch bewustzijn steeds met dezelfde verschijnselen gepaard gaat. Daartoe behoren:

1. het ontvlammen van het licht, de zelf-bewustwording en het daarmee gepaard gaande gewaarworden van de innerlijke lichtwereld dat wordt ervaren en beschreven als een door de vlammen, het vuur, het bovenaardse licht van de godheid gegrepen en doorgloeid worden;

2. het doorstraald worden van de diepere lagen van het bewustzijn en hun onmiddellijk werkzaam worden dat praktisch als verlichting wordt ondergaan, als een overweldigend helderzien en doorschouwen van het leven, als een intuïtief kennen van alle mysteriën van het bestaan en het zijn, als een ontwaken ten aanzien van de onafzienbare menigvuldigheid der geestelijke werelden waarvan Jezus in zijn afscheidsrede (Joh. 14: 2) zegt: ‘In het huis van mijn Vader zijn vele woningen’;

3 het dikwijls waarlijk extatisch doortinteld en dynamisch vervuld worden van een onbeschrijfelijke zaligheid en vreugde, die voortkomen uit de kennis van de onvergankelijkheid van de geestelijke wezenskern van de mens en de gelijktijdige zekerheid van de goddelijke tegenwoordigheid, en die hun bekroning vinden in het bewustzijn van het innerlijk vrij zijn van gebondenheid aan zinnen, zonde en aarde, vrij van doodsangst, verlost en veranderd;

4 de volledige vernieuwing van het wezen van de van innerlijk licht vervulde mens: hij leeft van dit ogenblik af uit de geest van de kosmische bewustheid en werkt door ‘zijn bestaan, zowel als door zijn woorden en daden min of meer veranderend op zijn omgeving in.

De tot kosmisch bewustzijn ontwaakte is in de oneindige schare van verlichten ingetreden, die van Christus en Boeddha, Lao Zi en Zarathoestra, Mahavira en Mohammed, Plotinus en Pythagoras, Socrates, Paulus en Augustinus, via Eckehart en Boehme, Tauler en Seuse, Pascal en Ramakrishna tot aan de naar de ziel ontwaakten in onze tijd reikt en van eeuw tot eeuw toeneemt.

Het verblijdende van hun boodschap is, dat iedereen voorbestemd, geroepen en in staat is tot dit kosmische bewustzijn te ontwaken en tot een levende schakel te worden in de tot in het ‘goddelijke gebied’ – de ‘Noösfeer’ van Teilhard de Chardin – reikende keten der alom-verenigden.

Eckehart von Hochheim

Onder de groten der mensheid, die, gedreven door de hunkering naar het oneindige, over de grenzen van het louter mens-zijn trokken, onder deze giganten van de geest, die het tot een volledige-bewustwording brachten, is Meester Eckehart een der belangrijksten. De weg naar het kosmische bewustzijn die hij wijst, is in hoge mate geschikt om de huidige mens tot verruiming van zijn bewustzijn te voeren, tot ware zelf-bewustwording en tot levende harmonie met het oneindige.

De naam van dit religieuze genie – Eckehart von Hochheim – is tot het symbool van zijn verkondiging geworden: hij heeft ons de opgang tot ons ‘hoger tehuis’ mogelijk gemaakt – tot het vaderland van de ziel, tot het hart van het Al. Hij kon dat, omdat hij inzag dat hij, net als u en ik, van daarboven gekomen was en omdat hij krachtens de goddelijke vonk in het diepst van de ziel, standvastig weer omhoogschreed, naar de vaderlandse hoogten der eeuwigheid!

Tijdens zijn leven en in de eeuw daarna, gold Eckehart voor ontelbaren als de uitverkoren gids naar de toppen van de kosmische bewustheid. En alle tekenen wijzen erop dat hij dit in de nabije toekomst voor tallozen wéér en nog volkomener zal worden. Want nog nooit was het verlangen zó vurig, nog nooit was de vraag naar de zin van het bestaan zó brandend als in onze tijd! De titanische geestelijke discussies in deze tijden van omkering en verbreking zijn tekenen van de opkomst van een nieuwe wereld waarvan het gloren in de zielen worstelt om de heerschappij met de duistere machten van een stervende tijd.

Het is het aan onze tijd toegezegde beleven van het verankerd zijn van ons bestaan in het eeuwige – door Eckehart zevenhonderd jaar geleden verbeid en ervaren – kosmische bewustzijn dat als onvervreemdbaar geestelijk erfgoed sluimert in de diepten van de ziel. In tijden van ommekeer, zoals wij die beleven, staat de mens meer open voor deze machten uit de diepte, is hij rijper voor de eeuwigheid en intenser verlangend naar het Al, en derhalve beter dan ooit in staat zich bewust te worden van zichzelf en van de volstrekt zekere werkelijkheid waarheen Meester Eckehart de weg wees…

Eckeharts leven

Het is het kenmerk van alle groten dat zij hun boodschap, hun weten centraal stelden, maar zichzelf bescheiden op de achtergrond hielden. Ook Eckehart heeft over zijn uiterlijke leven geen woord nagelaten, zodat wij daar slechts weinig over weten. Menigeen houdt hem daarom voor een kluizenaar, die zich geheel van de wereld had afgewend en toegewend naar het innerlijk schouwen. Maar niets is minder waar! Eckeharts leven was het leven van een strijder, zij het dat de bonte caleidoscoop van zijn lotgevallen wentelt om een rustend middelpunt en zijn aan grote successen zo rijke uiterlijke leven slechts de passende omlijsting vormt voor een Alomvattend innerlijk leven en beleven.

Meester Eckehart, een tijdgenoot van Dante, was evenals Luther een Thüringer van geboorte, en stamde uit het geslacht van de ridders van Hochheim, uit de omstreken van Gotha. Hij werd in 1260 geboren, toonde reeds jong een buitengewone begaafdheid en ging op zijn zeventiende in het klooster der Dominicanen – de geleerden van die tijd – te Erfurt, waar hij zich gedurende vier jaren een veelomvattende kennis eigen maakte. Spoedig daarna was hij werkzaam als ‘lector’, als theologisch leraar, en in 1295 wordt hij reeds in de annalen vermeld als prior van het klooster der dominicanen en als vicaris van het district Thüringen van de orde.

Omstreeks 1300 vernemen wij van nieuwe successen: Eckehart wordt wegens zijn voortreffelijke leraarsgaven door de orde voor drie jaren naar de toenmalig beroemdste universiteit, die te Parijs, gezonden, in die tijd het middelpunt van de wetenschap. Daar wordt hij in 1302 onderscheiden met de titel van ‘magister sacrae theologiae’; van nu af is hij Meester Eckehart. Of het tevens het jaar is waarin Eckehart de geestelijke waardigheid van Meester verwierf en thuiskwam in het Al-Ene, weten wij niet; in ieder geval behield hij sindsdien de titel ‘Meester’, daar deze als geen andere zijn wezen en roeping tot uitdrukking bracht.

Teruggekeerd uit Parijs stijgt Eckehart trede voor trede omhoog. In 1303 wordt hem de leiding over de nieuw gecreëerde provincie der dominicaner orde, Saksen – Neder-Duitsland – opgedragen, een post die hij acht jaren bekleedde. En in 1307 wordt hij bovendien benoemd tot vicaris-generaal van de Boheemse orde-provincie. Beide ambten vereisten niet alleen grote theologische kennis, doch ook praktische zin en organisatietalent, èn de intelligentie van een man van de wereld; maar Eckehart volbracht de hem gestelde taak, de kloosters te hervormen en over het geloof te waken, tot de grootste tevredenheid van zijn opdrachtgevers.

Deze ambten waren verbonden met eindeloos reizen en trekken, wat Eckehart kriskras door Duitsland en tot ver in Bohemen voerde. Misschien zijn tijdens deze reizen zijn belangrijkste inzichten gerijpt; klaarblijkelijk is een deel van zijn geschriften in deze periode tot stand gekomen…

Doch nog steiler gaat zijn weg omhoog: in 1310 wordt hij gekozen tot provinciaal van de Opper-Duitse provincie, en in 1311 wordt hij wegens zijn grote verdiensten zelfs aangewezen als provinciaal der orde voor de gehele Duitse provincie der dominicanen, doch niet bevestigd, daar men Eckehart nodig had voor de werkzaamheid als leraar in Parijs. Eckehart reist opnieuw naar Parijs, om aldaar als exegeet, als theologisch leraar, te arbeiden.

Straatsburg

Spoedig daarna, omstreeks 1313, neemt Eckehart de leiding op zich van de theologische school in Straatsburg, waar hij een ruim arbeidsveld en vooral de mogelijkheid vindt, zijn inzichten meer dan tot dusver bij het volk bekend te maken.

Het is tevens de periode van Eckeharts vruchtbaarste werkzaamheid als schrijver: hij begint niet alleen met de opleiding in zijn geest van de nieuwe generatie der Orde, doch hij begint zich ook verhelderend en belerend tot het grote publiek te richten. Door verslagen uit die tijd zien wij hoe Eckeharts buitengewone welsprekendheid en de overtuigingskracht van zijn woord de toehoorders in grote getale aantrok: juist omdat hij in religieuze zaken zo oprecht was, werkte zijn woord verheffend en bezielend.

In zijn toespraken toont Eckehart zich een man van de daad, bezield met een ontembare wil, wiens krachtig, nieuw levens- en wereldbesef, dat zijn climax vond in de erkenning van de ineigen god, merkbaar op zijn toehoorders overging en hen meesleepte. Als bijna niemand voor hem, was het hem gegeven met een tot dusver ongekende taalbeheersing en een uiterst invoelend en flexibel vermogen om uitdrukking te geven aan de subtielste zielenroerselen, de dingen der innerlijke wereld uiterlijk helder te verbeelden.

Zijn meesterlijk, scheppend taalgebruik wordt nog bewonderenswaardiger wanneer wij rekening houden met de moeilijkheden die Eckehart moest overwinnen, om zijn innerlijk schouwen van de waarheid op de juiste wijze uit te drukken, zonder door zijn toehoorders verkeerd begrepen te worden, of door de kerk verkeerd uitgelegd. Daarbij bleven zijn toespraken te allen tijde verklankingen en verklaringen van het pure innerlijke woord dat in zijn hart leefde, via zijn mond het hart van zijn toehoorders bereikte en daar een verwant innerlijk schouwen deed ontwaken.

Niet minder meeslepend was de onverzettelijkheid van zijn geloofskracht, die de mensen die binnen zijn invloedssfeer kwamen, onmiddellijk voor hem innam, omdat iedereen bespeurde: hier staat iemand die dat wat hij zegt, tot in iedere vezel doorleefd heeft en… zelf vóórleeft. Geen wonder dus dat enthousiaste toehoorders zijn preken overschreven; dat zijn gedachten van mond tot mond gingen en dat het volk van jaar tot jaar meer belangstelling voor hem kreeg.

Hoe sneller echter zijn populariteit bij het volk toenam, des te terughoudender en afgunstiger werd men in bepaalde kerkelijke kringen. Weliswaar had men niet de moed Eckehart zelf aan te pakken, te meer daar de dominicaner orde trouw achter haar grote leraar stond, maar men vergreep zich aan de weerloze aanhangers van Eckehart, die men oppakte als ketters, veroordeelde en vermoordde.

Eckehart beantwoordde deze handelwijze door de stellingen, die zijn aanhangers ten laste werden gelegd, nóg nadrukkelijker te prediken en zijn toehoorders er op te wijzen dat zij zich bij het weergeven ervan uitdrukkelijk op hém, Meester Eckehart moesten beroepen – hij stond er met goed en bloed borg voor.

Keulen

Intussen droeg de dominicaner orde hem het hoogste leraarsambt op dat een van haar leden toevertrouwd kón worden: Eckehart werd aangesteld als leraar in de dogmatiek aan de hogeschool te Keulen – een ambt dat hij tot zijn dood toe bekleedde. Ook in Keulen verkreeg Eckehart al spoedig een enorme aanhang, maar ook hier werden zijn aanhangers vervolgd: de gerechtsdienaars en beulen hadden volop werk, en altijd ging het op leven en dood. Weer durfde niemand Eckehart te bestrijden, die zijn boodschap met dezelfde moed en innerlijke zekerheid uitdroeg, terwijl men om hem heen honderden uitmoordde, alleen omdat zij zijn gedachten beleden en Eckehart als de uitverkoren gids naar de werkelijkheid erkenden.

Het werd levensgevaarlijk deze meester des levens aan te horen, want zijn boodschap van de innerlijke god en van het eeuwige leven midden in het tijdelijke bestaan, betekende voor haar belijders maar al te gemakkelijk de dood. Toch verbreidde de verkondiging van deze strijder zich in stilte steeds meer, waaraan zijn eigen koelbloedige houding niet weinig bijdroeg: hij bezat dat onbeperkte vertrouwen in de innerlijke god-en-vriend dat hem met de zekerheid van een slaapwandelaar door alle gevaren heen loodste en hem alle vallen liet vermijden, die zijn tegenstanders voor hem opstelden. Het doet aan als een wonder dat Eckehart zijn inzichten tientallen jaren kon verkondigen, hoewel hij, die met steeds hogere kerkelijke ambten bekleed werd, zich steeds meer van de kerk distantieerde. 

Zeker, Eckehart heeft de theologische leerstellingen nooit bestreden; hij bediende zich zelfs van hun taalgebruik, om zijn sprankelend innerlijk tot uitdrukking te brengen. Hij heeft de kerk ook nooit aangevallen; en toch bleef het verbazingwekkend dat de adembenemende moed van deze man pas in 1326 – toen Eckehart al 66 jaar was – op open en serieus te nemen weerstand stuitte.

De schaduw der inquisitie

Zijn persoonlijke tegenstander, de aartsbisschop van Keulen, Heinrich von Werneburg, riep de Paus te hulp tegen de ‘ketterijen’ van Eckehart – met het gevolg dat de dominicaan Nicolaus von Strassburg, die door de Paus werd belast met het onderzoek tegen Eckehart, Eckehart van iedere verdenking van dwaalleer vrijsprak. Toen de aartsbisschop daarop nieuwe stappen tegen Eckehart ondernam, trad de gehele dominicaner orde voor Eckehart in het strijdperk.

Gedurende enige tijd werd het rustig. Maar in stilte verzamelden Eckeharts tegenstanders nieuw materiaal tegen hem, en eind 1326 daagde de Keulse aartsbisschop Eckehart voor de rechtbank van de Inquisitie waar Eckehart op 24 januari 1327 verscheen om zijn verklaring af te leggen. In deze verklaring weigert Eckehart zich te verantwoorden: dat is iets beneden zijn waardigheid. 

Hij vecht de bevoegdheid van de rechtbank en de rechtmatigheid van de procedure aan; als erkend leraar in de dogmatiek heeft hij zich immers alleen tegenover de Paus te verantwoorden. Overigens waren de aangevochten stellingen niets anders dan verklaringen van de zuivere leer, hetgeen zijn tegenstanders in hun materialistische kortzichtigheid en daarbij verblind door afgunst, niet hadden begrepen.

Zoals te verwachten was, werd het beroep van Eckehart op de Paus door de Inquisitie-rechtbank verworpen en Eckehart werd zonder verdere omhaal veroordeeld tot het herroepen van zijn leer.

Ook hierop bleef Eckehart het antwoord niet schuldig: op 13 februari 1327 liet hij in de Dominicaanse kerk te Keulen zijn verweerschrift openlijk in het Latijn en in het Duits voorlezen.

In dit verweerschrift toont hij aan dat de stellingen die hem toegeschreven worden, bewust verkeerd zijn weergegeven; men zou hem echte onjuistheden moeten tonen, die zou hij dan gaarne herroepen; daar hij echter steeds gestreefd heeft naar het ware geloof en het rechte leven, zouden alleen boos opzet en onbegrip hem van dwalingen kunnen beschuldigen. Hij daagt zijn aanklagers voor de laatste keer uit met hem voor de Paus te Avignon te verschijnen. Dan zal hij de zuiverheid van de leer bewijzen.

Waarschijnlijk is Eckehart toen ook naar Avignon gereisd om bij de Paus zijn recht te halen. Na het voorleggen van zijn stellingen schijnt hij te hebben bereikt dat een college van kardinalen de opdracht tot een onderzoek ontving. Hij keerde naar huis terug in de zekerheid, de zaak in zijn voordeel te hebben beslist. Daarbij ontkende hij de gevaren die hem nu bedreigden niet, doch hij bezat de moed der overtuiging en ging geen duimbreed opzij – rustig de gevolgen tegemoetziend die zijn onwankelbare trouw aan zijn geweten eventueel zou kunnen hebben.

Hij kon eenvoudig niet anders handelen: zijn optreden werd door zijn karakter bepaald. Dat wisten ook zijn tegenstanders, die van te voren konden nagaan dat hun op handen zijnde discussie met Eckehart voor het college van kardinalen en de Paus, er mee zou eindigen dat Eckehart zijn stellingen stuk voor stuk zou bewijzen en zijn tegenstanders op grond van zijn geestelijke en verbale superioriteit zou verslaan.

Misschien werpt deze stand van zaken enig licht op de plotselinge dood van Eckehart, vlak voor hij weer naar Avignon zou gaan – eind februari 1327 – en op het merkwaardige feit dat de omstandigheden waaronder hij stierf in duister zijn gehuld. Wij weten niets omtrent de laatste uren van deze man, die zelf een der groten was die – volgens zijn woorden – ‘met hun deugdzaam leven en hun goddelijke Kunst, een licht en een lamp zijn geweest’ voor de wereldlijke harten, die, geketend aan de schepselen in de duistere wereld der onwetendheid, op weg naar het eeuwige heil verdwalen gelijk blinden.

De strijd om Eckeharts geschriften

Eckeharts dood was voor zijn tegenstanders, die zelfs de dode Meester, zijn geschriften en zijn aanzien bij het volk vreesden, een welkome aanleiding de nu veel gemakkelijker geworden strijd voort te zetten. Toch duurde het nog twee jaar voor – op 27 maart 1329 – Paus Johannes een bul uitvaardigde, die 28 stellingen van Eckehart veroordeelde.

Op de akker des Heren, zo staat er in de banbrief, is het nodig het onkruid dat de boze vijand tussen het zaad der waarheden heeft gezaaid, te verstikken, voor het opwast en schade berokkent. Tot dit onkruid behoren enkele thesen, die aan Eckehart werden toegeschreven, en die deels ketters waren en deels verdacht van ketterij. Daarop volgen dan 28 thesen die, afgezien van het feit dat daarin de reeds door Eckehart bestreden verdraaiingen worden herhaald, de kernpunten van Eckeharts verkondiging niet raken. De kern van zijn leer werd echter toch getroffen, daar de bul zonder meer alle geschriften van Eckehart waarin een van de 28 stellingen voorkwam, verbood. Op deze wijze onderdrukte men Eckeharts geschriften waarbij, zoals de katholieke Eckehart-vorser Otto Karrer toegeeft, ‘de commissie zich op cruciale plaatsen aan vervalsingen schuldig maakte, die de ‘betekenis grondig verdraaiden’. Men verhaspelde tot theologische thesen, wat in de oorspronkelijke samenhang en dikwijls in heel andere bewoordingen uitdrukking gaf aan een zuivere kennis der werkelijkheid; alleen ‘alleen maar om Eckehart op die wijze van het volk te vervreemden en weg te houden.

Om dezelfde redenen wordt in de banbrief een poging ondernomen het zó voor te stellen, alsof Eckehart, als getrouwe zoon van de Kerk, zijn stellingen herroepen had, ofschoon Eckehart in werkelijkheid zijn verkondiging zonder enige beperking had beleden, en had vastgesteld dat hij niets te herroepen had. De bedoeling hiervan was, de verdere verbreiding van Eckeharts geschriften, en daarmede van zijn inzichten, te verhinderen.

Het vertrouwen dat het volk in de begenadigde verkondiger stelde, werd er niet door geschokt. Het gevolg was echter wel dat Eckeharts geschriften en de kopieën van zijn preken alleen nog maar in het geheim van hand tot hand gingen en gekopieerd werden, waarbij veel verloren ging. Maar de door Eckehart ontketende geestelijke beweging was niet meer tegen te houden. Zijn leerlingen, waaronder mannen als Tauler en Seuse, predikten verder wat Eckehart hun had geleerd en de eigen ervaring hun had bevestigd – alleen vermeden zij de stellingen die door de Kerk waren veroordeeld.

Zo werkte de bul als een slag in het vuur, die de vonken van Eckeharts beschouwing van het Al ver over het land deed spatten en in duizenden harten de gloed van een in-eigen Al-beleving liet ontbranden. Een hele eeuw lang noemde men Eckehart de hoge, de «goddelijke Meester». Pas daarna begon zich een steeds dichter wordende laag van as en confessionele slakken te vormen, het zuivere vuur van Eckeharts beschouwing der werkelijkheid bedekkend, zodat het leek als was de levende zekerheid-omtrent-God geheel geweken voor de geheel uiterlijke meningen van het geloofsvormen. Maar onder de as bleef het vuur gloeien, door de eeuwen heen, en thans lijkt de tijd gekomen dat het opnieuw, voor allen zichtbaar, begint op te vlammen.

De verkondiger van de werkelijkheid

Eckehart heeft altijd wanneer hij werd geraakt door de verering van zijn toehoorders, er op gewezen dat het niet om hém ging, doch alleen om de eigen kennis van God. En hij heeft alle macht die hij bezat, aangewend om zoveel mogelijk mensen de weg tot het kosmische bewustzijn te wijzen.

Al spoedig na 1300 gold hij als de meest begaafde en begenadigde prediker van Duitsland. Pas tientallen jaren later ontdekte de Kerk dat Eckehart veeleer een verkondiger van de ‘levende kennis Gods was, dan een prediker van een belijdenis. Hij was er na aan toe het volk te winnen voor een universele, kosmische religie, en de enkeling bewust te maken van de altijd durende tegenwoordigheid-Gods-in-hem… Maar de kerk verhinderde dit en zorgde er na zijn dood voor dat zijn werk niet meer in de oorspronkelijke zuiverheid tot het volk kon spreken.

Thans is het echter mogelijk Eckehart opnieuw, rechtstreeks en onvervalst tot de zoekende mens te laten spreken en zijn tijdloze wijsheid te tonen als een bron van kracht waaruit iedereen de zekerheid van het geborgen-zijn-in-het-Al, moed en zelfvertrouwen kan putten.

Thans erkennen wij dat Eckehart, die het peilloze doortastte, inderdaad de grootste verkondiger in het Westen was van de met het Al verbonden mensenziel, een gids naar de eeuwigheid, die ons de weg naar de werkelijkheid heeft gewezen.

Eckehart heeft deze weg niet alleen aangetoond, doch door zijn kristalheldere aanwijzingen de weg voor iedereen begaanbaar gemaakt. Maar alleen diegene vermag zijn grootheid volledig te ervaren, die deze weg tot het kosmische bewustzijn zelf en tot aan het einde heeft bewandeld. Reeds velen hebben dat gedaan – met dezelfde resultaten als Eckehart – waaronder zij die in al de eeuwen na Eckehart als ‘vrienden Gods’ optraden, en bewust of onbewust in Eckeharts voetsporen traden.

Tot deze leerlingen van Eckehart behoorde Johannes Tauler, die er naar streefde Eckeharts leer aan de eenvoudige man uit het volk over te dragen, en in zijn tijd als prediker niet minder werd gevierd dan zijn leraar. Evenals Tauler had ook Seuse in Keulen de woorden van Eckehart beluisterd, en geleerd de weg naar de werkelijkheid te gaan.

Ook na Eckeharts dood werden talloze ‘vrienden Gods’ door zijn geest aangeraakt en ertoe gebracht in zijn voetsporen te treden – zoals de Frankfurter Deutschherr, die de ‘Theologia deutsch’ schiep waarover Luther later bekende dat hij, naast de Bijbel en Augustinus geen boek kende waaruit hij meer had geleerd over wat God, Christus, mens en al het geschapene inhield, dan uit dit boek. ‘Ik dank God’ – zo zegt Luther verder – ‘dat ik in dit boek in de Duitse taal, mijn God zó hoor en vind, als ik Hem tot nu toe niet gevonden heb, noch in de Latijnse, noch in de Griekse, noch in de Hebreeuwse taal.’

Als Eckehart er niet was geweest, dan zou Luther er ook niet geweest zijn, die volgens zijn eigen zeggen door de ‘Theologia deutsch’ op zo beslissende wijze werd beïnvloed.

Een even beslissende beïnvloeding door Eckeharts geschriften vinden wij bij de Vlaamse ‘vriend Gods’ Jan van Ruusbroec en de latere Thomas à Kempis, verder bij Hans Denck, de verkondiger van het ‘innerlijke licht’, bij Sebastiaan Franck en anderen.

De tijdloosheid van zijn verkondiging

Gezien de belangrijke plaats die Eckehart in de geschiedenis van de geest inneemt, is het begrijpelijk dat gepoogd werd deze universele geest voor het karretje van tal van richtingen en opvattingen te spannen, maar het is onbegrijpelijk dat men er nog niet toe gekomen is Eckehart te zien als dat wat hij vóór alles wilde zijn – en ook was – namelijk, als gids naar zelf-bewustwording en naar het kosmische bewustzijn.

En dat is precies wat wij in dit boek ondernemen, waarbij wij niet letten op de wilde warreling van ‘voor en tegen’, die dit genie omgeeft, doch ons uitsluitend richten op zijn heldere boodschap van de weg naar de werkelijkheid, die hier in haar oorspronkelijke zuiverheid wordt weergegeven.

Daarbij blijkt vanzelf dat Eckehart niet binnen het kader van één bepaalde confessie te vangen is, dat hij noch een protestant vóór Luther was, noch een katholiek in kerkelijke zin, noch een tegenstander van de kerk, maar een verkondiger van een buiten tijd en vorm staande religio welke thans opnieuw, door zijn mond, recht en duidelijk, zonder spitsvondig geduid of vervalst te worden, tot de gehele mensheid wil spreken.

Zijn verkondiging is aan geen enkele tijd gebonden, zij is vandaag nog even actueel als zevenhonderd jaar geleden en zal over duizend jaar nog niets aan belangrijkheid hebben ingeboet en even tijdloos is de weg zelf die Eckehart wijst: het is de eeuwige weg van de ziel tot zichzelf en boven zichzelf uit tot het Al-zelf. Eckehart is ons op dat pad naar de vrijheid voorgegaan; het is aan ons hem te volgen om tenslotte eenzelfde vrijheid te vinden.

In Eckeharts voetsporen

Tot nu toe is iedereen die in Eckeharts voetsporen trad en de weg tot het kosmische bewustzijn op eigen kracht bewandelde, het eeuwige naderbij gekomen. En wie kennis draagt van deze weg naar de eeuwigheid, herkent de contouren van die weg zeer duidelijk – ondanks de verbrokkeling van de bewaard gebleven Eckehart-teksten, ondanks de wegens vervolging noodzakelijke versluiering, verminking en helaas ook verwatering, en ondanks veel verkeerd begrip bij weliswaar enthousiaste maar onverlichte kopiïsten van zijn preken. Nu heeft Eckehart naast zijn Duitse geschriften ook tal van Latijnse werken nagelaten waar het hier niet om gaat. Want in deze Latijnse geschriften spreekt vooral de scholasticus; in de Middelhoogduitse geschriften daarentegen spreekt de tot de werkelijkheid ontwaakte. In de laatstgenoemde hoedanigheid wendt hij zich tot het volk, tot iedere zoeker naar de waarheid.

Indien Eckehart alleen voor ingewijden en geleerden te begrijpen was, zou hij het volk niets te zeggen hebben. In feite heeft hij nergens méér begrip gevonden dan bij de gewone man en nergens méér onbegrip dan bij filosofen en theologen – omdat zijn aanwijzingen niet met het verstand uiteengeplukt, uiteengerafeld willen worden, maar met het hart begrepen en beleefd!

Wij beogen met dit boek een praktisch doel: de kosmische verruiming van ons wezen en de verwezenlijking van en zingeving aan ons leven, naar de aanwijzingen van Meester Eckehart, zoals die uit zijn preken voor ons oplichten. Tot nu toe heeft nog niemand het aangedurfd het steile pad naar het ‘hoge Heim’ in het hart van God, aan de hand van Eckeharts aanwijzingen zó lichtend te doen worden dat iedereen dit pad kan volgen en zélf tot de Al-beleving kan komen. Dat waagstuk willen wij hier ondernemen.

Daarmee staan wij voor een dubbele taak. Ten eerste was het noodzakelijk, op grond van de betrouwbaarste bronnen en beste bewerkingen – waarbij wij vooral de vertaling uit het Middelhoogduits door Büttner noemen – datgene wat na Eckeharts dood tot een kunstmatige eenheid gemaakt was, tot losse onderdelen terug te brengen om het daarna weer organisch aaneen te smeden – niet naar willekeurig gekozen thema’s, maar volgens de opeenvolgende treden van de weg omhoog en de daarmee overeenkomende rijpingsstadia van het ontwakende zelf. Daarbij moest enerzijds de weg voor iedereen begaanbaar zijn en anderzijds mocht geen enkel woord van Eckehart als zodanig worden aangetast.

Alleen op die wijze kon een levend geheel ontstaan en kan Eckehart nader tot het volk gebracht worden. En voor de juistheid van dit procédé spreekt dan ook dat daarbij geen enkel essentieel woord van Eckehart weggelaten behoeft te worden; dat verder de oorspronkelijke gerichtheid van al zijn leringen op deze weg tot voleinding nu duidelijk te herkennen is, en dat de noodzaak van een moeizame ‘exegese’ van schijnbare paradoxen wegvalt, omdat nu ieder woord naar zijn bedoeling van ‘weg-wijzer’ herkenbaar wordt voor hem, die niet alleen met het hoofd, maar vooral met het hart denkt. Dat is trouwens ook de enige mogelijkheid, de religie weer tot leven en het gehele leven weer tot religie te doen worden – tot een levende harmonie met het oneindige, de erkenning van het wezenseen zijn met de wereldgeest!

Om dat laatste gaat het thans: om het verkrijgen van het besef van de waarheid dat ons innerlijkste zijn en wezen goddelijk is. En hoevelen van de besten hebben dit nieuwe reeds zien komen, dat een dichter vol geestdrift als volgt verwoordde: ‘Ik zie een nieuwe zekerheid ontstaan, die zich baseert op het vertrouwen in het goddelijke in de mens – die ons herinnert aan de peilloze diepten die ín ons leven – die de mens ertoe brengt het goede als zijnde het goddelijke lief te hebben en te bewerken – en die ons doet erkennen dat de diepste grond van ons wezen goddelijk is, en één met de oergrond van de wereld.’

WOORD VOORAF

De Rozekruis Pers is verheugd met deze vertaling het gedachtengoed van de grote Duitse mysticus Eckehart aan haar fonds te kunnen toevoegen. De uitgeverij stelt zich ten doel om, naast de boeken van de moderne gnostici Jan van Rijckenborgh en Catharose de Petri, ook verwante gnostieke literatuur te brengen, waartoe het werk van Eckehart zeker gerekend kan worden. Ook hij predikte de principiële goddelijkheid van de mens, de mogelijkheid tot Godgeboorte in de ziel en het hoge doel van de menselijke schepping, de vereniging van ziel en geest.

Eckehart heeft dan ook het lot gedeeld van vele gnostici voor en na hem: verkettering door de gevestigde kerk. Maar de magische kracht die in de Middeleeuwen van zijn werk uitging, is als een zuivere oertoon blijven vibreren, zeven eeuwen lang. En in onze tijd, waarin de mens meer dan ooit vraagt naar de diepere zin van het bestaan, is zijn werk weer net zo levend als toen hij rond 1300 zijn studenten in Parijs en Keulen inspireerde, en het volk massaal naar zijn preken kwam luisteren, ook al was dat niet zonder gevaar.

Het begrip mystiek kan worden omschreven als een heilig verlangen van de ziel om te reiken naar, en aangeraakt te worden door het absolute, het Licht, God. De getuigenissen van mystici brengen ons in de eerste plaats bij inkeer, bezinning, meditatie en contemplatie. Toch is in de universele mystiek van Eckehart dit alles alleen vóórwaarde. Het gaat hem om de zuivere daad, om een pure, bevrijdende levenshouding, op basis van een nieuwgeboren ziel.

K.O. Schmidt komt de verdienste toe dat hij de vele citaten van Eckehart overzichtelijk heeft geordend en helder toegelicht. De lezer kan aan deze ‘leidraad’ dan ook een grote steun ontlenen. Bij de vertaling tenslotte, is getracht recht te doen aan het verheven niveau van beschouwing, van zowel Schmidt als Eckehart.

Rozekruis Pers

INHOUDSOPGAVE

Woord vooraf van de uitgever

1 Kosmisch bewustzijn

2 Eckeharts weg tot zelf-bewustwording

3 Kosmische religie

4 De tien treden

  1. Eerste trede: De ware levenshouding – Eerste opgaaf: gerechtigheid – Tweede opgaaf: zelftucht – Derde opgaaf: gelijkmoedigheid- Vierde opgaaf: aanvaarding
  2. Tweede trede: De ware verinnerlijking –Eerste opgaaf: ‘niet-zijn’ – Tweede opgaaf: stilzijn
  3. Derde trede: De ware concentratie
  4. Vierde trede: De ware beschouwing
  5. Vijfde trede: De ware verzonkenheid
  6. Zesde trede: De ware overgave – Eerste opgaaf: bevrijding van het zelf – Tweede opgaaf: wegschenken van het Zelf – Zevende trede: De ware verlichting
  7. Achtste trede: Het ware schouwen van het Al
  8. Negende trede: De ware eenwording
  9. Tiende trede: De ware Al-onmiddellijkheid

Noten

BESTEL EBOOK – BESTEL SOFTBACK € 22,50

BESTEL EBOOK – BESTEL SOFTBACK € 22,50